Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2647

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
AWB - 26 _ 770
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake Woo-verzoek wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft op 12 januari 2026 een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, met het verzoek om openbaarmaking van documenten met betrekking tot vergunningverlening, handhaving en de Landarbeiderswet over een perceel vanaf 1920 tot heden. Het college wees dit verzoek op 9 februari 2026 af omdat de gevraagde informatie vernietigd was of reeds openbaar beschikbaar was via het Regionaal Archief.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om het college te dwingen de documenten op korte termijn te verstrekken. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang bestond, omdat het individuele belang van verzoeker niet gelijkgesteld kan worden aan het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het spoedeisend belang moet worden afgemeten aan het algemeen belang van openbaarheid en niet aan persoonlijke belangen, zoals het voorkomen van een last onder dwangsom. Het verband tussen het verzoek en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit was te ver verwijderd.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting, en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/770

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van het college op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Op 12 januari 2026 heeft verzoeker een Woo-verzoek ingediend bij het college. Verzoeker heeft om openbaarmaking verzocht van alle documenten, e-mails, tekeningen, concepten en dergelijke met betrekking tot vergunningverlening, handhaving en de Landarbeiderswet ten aanzien van het perceel [locatie] in [plaats] over een periode van 1920 tot heden. Bij besluit van 9 februari 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat de gevraagde informatie vernietigd is of is overgedragen aan het Regionaal Archief (en daarmee reeds voor iedereen toegankelijk is).
1.2.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 9 januari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb gedurende een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar van het college niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóórdat dat besluit genomen is onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. Het is aan verzoeker om het spoedeisend belang aannemelijk te maken.
3.1.
Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om het college bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen om de gevraagde documenten op korte termijn te verstrekken. Verzoeker stelt een spoedeisend belang bij te hebben bij de ontvangst van de gevraagde documenten, omdat deze direct relevant zijn voor een last onder dwangsom die het college voornemens is om aan hem op te leggen.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Daarvoor is het volgende van belang.
3.3.
Bij toepassing van de Woo wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving. Het (individuele) belang van de belanghebbende heeft in deze belangenafweging geen betekenis. Dit betekent dat de specifieke belangen van de belanghebbende geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Het moet immers gaan om een spoedeisend belang in het licht van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving.
3.4.
Verzoeker kan aan de omstandigheid dat hem mogelijk in de toekomst een last onder dwangsom wordt opgelegd geen spoedeisend belang ontlenen voor een voorlopige voorziening in deze zaak. Ten eerste kan zijn belang bij het voorkomen van een eventuele door het college op te leggen last onder dwangsom niet gezien worden als een algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving, maar als een persoonlijk belang van verzoeker. Ten tweede dient het spoedeisend belang ontleend te worden aan de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. In dit geval is dat het wel of niet openbaar maken van de documenten. Dat verzoeker de documenten nodig heeft om eventueel te kunnen voorkomen dat het college definitief besluit om aan hem een last onder dwangsom op te leggen, is een te ver verwijderd verband tot de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.
3.5.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.