Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2649

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
K/5004/12014809
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 lid 1 RvArt. 45 lid 5 RvArt. 111 RvArt. 47 RvArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgpremie wegens reeds gedane betalingen

In deze civiele bodemzaak vordert Menzis Zorgverzekeraar betaling van openstaande zorgpremies en bijkomende kosten van de gedaagde. De zorgverzekeringsovereenkomst verplicht de gedaagde tot maandelijkse premiebetalingen van €141,25. Menzis stelt dat de gedaagde niet volledig heeft betaald over september en oktober 2023 en vordert een bedrag van €22,53 plus wettelijke rente en incassokosten.

De gedaagde heeft meerdere betalingen gedaan, waaronder een bedrag van €139,90 in november 2025 en diverse kleinere betalingen in december 2025. De kantonrechter oordeelt dat de dagvaarding geldig is betekend en dat de gedaagde inderdaad premie verschuldigd was. De persoonlijke omstandigheden van de gedaagde doen hieraan niet af.

Echter, door de latere betalingen heeft de gedaagde meer betaald dan het totaal van de hoofdsom, rente en incassokosten. Hierdoor wijst de rechtbank de vordering af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank gaat ervan uit dat een jaartal in de stukken een kennelijke verschrijving betreft.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Menzis af omdat de gedaagde meer heeft betaald dan zij verschuldigd is.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 12014809 \ CV EXPL 25-3498
Vonnis van 13 maart 2026
in de zaak van
MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Wageningen,
eisende partij,
hierna te noemen: Menzis,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek, tevens houdende akte vermindering van eis
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen Menzis en [de gedaagde] bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst, uit hoofde waarvan [de gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling premie is verschuldigd ter hoogte van € 141,25. Het verzekerdennummer van [de gedaagde] is [verzekerdennummer] .
2.2.
[de gedaagde] heeft op 23 september 2023 een betaling van € 11,31 en op
23 oktober 2023 een betaling van € 128,59 gedaan.
2.3.
GGN, de incassogemachtigde van Menzis, heeft op 22 november 2023 een veertiendagenbrief met factuurspecificatie naar [de gedaagde] gestuurd. In de specificatie hebben de premietermijnen van september 2023 en oktober 2023 omschrijvingsnummer [nummer] .
2.4.
[de gedaagde] heeft op 19 november 2025 een betaling van € 139,90 gedaan. [1]
2.5.
[de gedaagde] heeft op 28 november 2025 een betaling van € 25,00 gedaan met de omschrijving: ‘betaling kenmerk [nummer] verzekerde [verzekerdennummer] ’.
2.6.
[de gedaagde] heeft op 2 december 2025 en op 31 december 2025 betalingen van elk
€ 25,00 gedaan.

3.Het geschil

3.1.
Menzis vordert – na vermindering van eis – dat [de gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 22,53, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 212,43, gerekend vanaf 25 november 2025 tot er is betaald, en met een veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Menzis legt aan haar vordering ten grondslag dat [de gedaagde] haar premie over de maanden september 2023 en oktober 2023 ter hoogte van in totaal € 282,50 (2 x € 141,25) niet volledig heeft voldaan. [de gedaagde] heeft in 2023 twee betalingen verricht ter hoogte van in totaal € 139,90 (€ 11,31 + € 128,59). Omdat [de gedaagde] in verzuim verkeert is zij de wettelijke rente, berekend tot 25 november 2025, van een bedrag van € 21,43 verschuldigd, alsook een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 (inclusief btw) aangezien [de gedaagde] , ondanks sommatie, niet tijdig en volledig tot betaling is overgegaan en Menzis haar vordering uit handen heeft moeten geven. De vordering van Menzis bedraagt daarom € 212,43 (€ 282,50 + € 21,43 + € 48,40 - € 139,90). Menzis vordert ook de wettelijke rente over € 212,43 vanaf 25 november 2025 tot er is betaald. Menzis erkent bij repliek dat [de gedaagde] ook in 2025 een aantal betalingen heeft verricht ter hoogte van in totaal € 189,90 (€ 139,90 + € 25,00 + € 25,00). Menzis wijzigt daarom haar eis en vermindert haar vordering met dat bedrag.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Menzis. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Allereerst beoordeelt de kantonrechter of de dagvaarding geldig is. [de gedaagde] heeft namelijk aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, omdat zij de gerechtsdeurwaarder niet kan terugvinden in het KbvG-register en de dagvaarding is ondertekend met een onleesbare krul. Menzis heeft hierop gereageerd met het standpunt dat de heer [deurwaarder] de toegevoegd gerechtsdeurwaarder is en staat ingeschreven in het KbvG-register. Hiertoe heeft Menzis een schermafbeelding van het register waaruit zijn inschrijving volgt, toegevoegd. De kantonrechter overweegt dat een dagvaarding op grond van artikel 45 lid 1 Rv Pro door een daartoe bevoegde deurwaarder moet worden betekend. De kantonrechter constateert dat [deurwaarder] ingeschreven staat in het KbvG-register en als toegevoegd gerechtsdeurwaarder bevoegd is om de dagvaarding te betekenen. Dat [de gedaagde] de heer [deurwaarder] niet kon vinden in het register, kan te wijten zijn aan dat zij op de zoekbalk ‘c [deurwaarder] ’ heeft ingevoerd, in plaats van alleen zijn achternaam ‘ [deurwaarder] ’. Verder is de dagvaarding door de toegevoegd gerechtsdeurwaarder ondertekend in overeenstemming met artikel 45 lid 5 Rv Pro. De wet eist dat de dagvaarding door de deurwaarder wordt ondertekend, maar stelt geen eisen aan hoe deze eruit ziet. Bovendien overweegt de kantonrechter dat de dagvaarding aan de eisen van artikel 111 Rv Pro voldoet en overeenkomstig artikel 47 Rv Pro is uitgereikt. Het verweer van [de gedaagde] slaagt niet. De kantonrechter oordeelt dat de dagvaarding geldig is betekend.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of [de gedaagde] nog premie aan Menzis moet betalen en of [de gedaagde] rente en kosten verschuldigd is.
4.3.
[de gedaagde] erkent dat zij € 282,50 aan premie had moeten betalen, maar voert aan dat zij een beperkte financiële draagkracht heeft en dat haar gezondheid ernstig beperkt is. De kantonrechter oordeelt dat deze omstandigheden, hoe vervelend ook, niet afdoen aan haar betalingsverplichting jegens Menzis. Nu [de gedaagde] verder geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde hoofdsom, zal deze worden toegewezen.
4.4.
Menzis vordert wettelijke rente. De kantonrechter oordeelt dat Menzis bij de berekening van de vervallen rente geen rekening heeft gehouden met de betaling van
19 november 2025, aangezien zij deze pas bij repliek heeft erkend. Het toewijsbare bedrag aan rente zal daarom lager zijn dan het bedrag van € 21,43 dat Menzis heeft gevorderd.
4.5.
Menzis vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. GGN, de incassogemachtigde van Menzis, heeft aan [de gedaagde] op 22 november 2023 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit. De vordering van € 48,80 is daarom eveneens toewijsbaar.
4.6.
[de gedaagde] heeft een totaalbedrag van € 354,80 aan betalingen verricht. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] meer heeft betaald dan het totaal aan toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten (€ 48,80), de toewijsbare wettelijke rente (minder dan
€ 21,43) en de toewijsbare hoofdsom (€ 282,50). Deze vorderingen zullen daarom alsnog worden afgewezen.
4.7.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. [de gedaagde] was weliswaar premie verschuldigd op het moment van dagvaarden, maar de vordering van Menzis bedroeg door de betaling op 19 november 2025 minder dan de helft dan bij dagvaarding is gevorderd. Aangezien de proceskosten worden gecompenseerd, zal de kantonrechter het verweer ten aanzien van de explootkosten buiten beschouwing laten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Menzis af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.

Voetnoten

1.De kantonrechter constateert dat Menzis bij repliek twee verschillende jaartallen heeft genoemd met betrekking tot deze betaling. Zij noemt namelijk eerst het jaartal 2023 en daarna het jaartal 2025. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit een kennelijke verschrijving is en dat Menzis 19 november 2025 bedoelt. Zij schrijft namelijk dat deze drie betalingen in reactie op de sommaties zijn gedaan. De sommaties zijn allemaal van na 19 november 2023, waardoor enkel 19 november 2025 bedoeld kan zijn.