Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2661

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
11830127 \ CV EXPL 25-2180
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder mag huurprijs na einde huurovereenkomst niet achteraf indexeren, deels toewijzing schadevergoeding

De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over vorderingen na het einde van een huurovereenkomst voor kantoorruimte. De verhuurder stelde dat hij de huurprijs achteraf mocht indexeren en vorderde daarnaast schadevergoeding wegens vermeende gebreken bij oplevering.

De kantonrechter oordeelde dat de huurprijs niet achteraf geïndexeerd kan worden omdat de verhuurder dit niet tijdens de looptijd van de huurovereenkomst heeft gedaan en de algemene voorwaarden die de indexering regelen niet van toepassing zijn. De vordering tot huurindexering werd daarom afgewezen.

Ten aanzien van de schadevergoeding werd vastgesteld dat de huurder aansprakelijk is voor het verwijderen van een handgelakte tafel (€500), en dat hij het gehuurde niet volledig leeg heeft opgeleverd door het achterlaten van bureaus en een ordnerkast (€160). Voor herstel van beschadigingen aan parketvloer, wanden en plafond werd een redelijke vergoeding van €480 toegewezen. De vordering voor niet-ingeleverde sleutels werd afgewezen wegens onvoldoende redelijkheid van de verhuurder.

De verhuurder vorderde ook een compensatie voor het niet kunnen verhuren in januari 2025, maar dit werd afgewezen omdat de verhuurder het risico droeg door geen voorinspectie te plannen. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen over het toegekende bedrag (€206,91). De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: De huurprijsindexering wordt afgewezen, maar de schadevergoeding van €1.140 en incassokosten worden toegewezen met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11830127 \ CV EXPL 25-2180
Vonnis van 3 april 2026
in de zaak van
[naam eiser] , H.O.D.N. [naam eisend bedrijf],
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: SVH Gerechtsdeurwaarders incasso-, juridische en deurwaardersdiensten,
tegen
[naam gedaagde] , H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde mr. J. Wassink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 oktober 2025
- de op 19 februari 2026 namens [de eiser] ingediende producties 27 tot en met 30
- de op 20 februari 2026 namens [de gedaagde] ingediende productie 5.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 3 maart 2026. Verschenen zijn [de eiser] , bijgestaan door mr. C. van Heijnsbergen, en [de gedaagde] , bijgestaan door mr. Wassink.
Mr. Van Heijnsbergen heeft pleitaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op basis van de op 29 december 2020 door partijen ondertekende huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) huurde [de gedaagde] met ingang van 1 juli 2020 voor onbepaalde tijd circa 16m2 kantoorruimte van [de eiser] in gebouw ‘ [gebouwnaam] ’ aan de [adres] in [plaatsnaam] voor een bedrag van € 400,00 per maand.
2.2.
Artikel 4.5. van de huurovereenkomst luidt als volgt:
De huurprijs wordt eventueel jaarlijks per 1 januari aangepast overeenkomstig 9.1. t/m 9.4 algemene bepalingen. Welke met inachtname van de algemene bepalingen zo spoedig als mogelijk wordt aangezegd.
2.3.
Op 29 september 2024 stuurt [de eiser] aan [de gedaagde] de volgende e-mail:
(…)
Zoals wij op 12 september jl. bespraken, bevestig ik hierbij de beëindiging van de huurovereenkomst per 31 december 2024.
Ik ga ervan uit dat de ruimte dan schoon wordt opgeleverd in de originele en afgesproken staat.
Mochten er onverhoopt herstelwerkzaamheden uit voortvloeien, dan worden deze alsnog bij je in rekening gebracht.
Dank.
2.4.
Op 31 oktober 2024 stuurt [de gedaagde] de volgende e-mail aan [de eiser] :
Na zeven jaar huur van de tweede verdieping van [gebouwnaam] bericht ik je hierbij de beëindiging van de huurovereenkomst per 31 december 2024.
Ook [vorige huurder] zal in dit kader [gebouwnaam] verlaten. Wij zullen zorgdragen voor het schoon opleveren van de gehuurde ruimte.
2.5.
Op 30 december 2024 vindt het volgende WhatsApp-gesprek tussen partijen plaats:
[de eiser] [de gedaagde]
Hi [de gedaagde] , lukt het allemaal en heb je een idee hoe laat
we morgen kunnen opleveren?
Lees graag, dank je.
Hey [de eiser] , Wij zijn klaar. Alles is eruit.
De tafels en een kastje hebben we laten staan voor de
volgende eventuele huurders. Verder is het gezogen
en gepoetst. De sleutels liggen op de tafel. [vorige huurder] had
nog een sleutel en die zou hij aan [naam] geven. Ik ben
morgen niet in [plaatsnaam] . Bedankt voor alles en een
goed en gezond 2025 alvast gewenst.
De afspraak is het leeg op te leveren, de originele tafel
te herstellen, etc. Graag netjes afronden. Dank.
Een aantal jaren geleden, hebben we inderdaad de tafel die er stond vervangen voor degelijke bureaus. Toen ook aangegeven dat er al meerdere kledingstukken zijn blijven haken en kapot gegaan. Toen ook aangevenl dat deze bureaus jouw eigendom mochten worden. Verder is alles netjes opgeleverd. De gaatjes in het plafond wil ik best aan gaan lopen smeren maar ik dacht dat je dat misschien liever zelf wilt doen omdat je precies weet wat je wilt qua afwerking en materiaal. Daarnaast heb ik laatst aan de keukentafel ook mijn broek opengehaald en helaas zitten er vlekken in mijn bureaustoel door de kratten bier die op mijn bureau en stoel zijn gezet door jullie. Laten we blij met elkaar zijn over de constante huur van de afgelopen 7 jaar en het elkaar niet verder moeilijk gaan maken. Ik bedank je nogmaals voor de fijne huur en laten we de laatst maanden snel vergeten. Het allerbeste voor jullie in de toekomst. Wil je dat we de tafels weghalen dan zullen we die volgend jaar ergens opkomen halen. Wij dachten jullie er blij mee te maken. Dank.
Graag contractuele verplichtingen nakomen, conform
afspraak.
Dat hebben we gedaan. Dank
Of dat zo is, bepaal ik. Eindafrekening volgt.
2.6.
De huurovereenkomst is per 31 december 2024 geëindigd. Op die dag heeft [de eiser] het gehuurde geïnspecteerd en een brief gestuurd aan [de gedaagde] waarin hij te kennen geeft dat de oplevering niet is gegaan zoals is omschreven in de huurovereenkomst en hij [de gedaagde] in gebreke stelt.
2.7.
Op zondag 26 januari 2025 stuurt [de eiser] [de gedaagde] een opleveringsverslag en twee facturen (een factuur betreffende (achteraf berekende) indexatie van de huurprijs en een factuur van de voorlopige eindafrekening met te betalen (herstel)kosten). Hierna volgt correspondentie tussen partijen, waarin zij discussiëren over deze facturen.
2.8.
[de eiser] schakelt vervolgens zijn incassogemachtigde in, die op 14 april 2025 een eerste sommatie aan [de gedaagde] stuurt ten aanzien van de twee (door [de gedaagde] onbetaald gelaten) facturen. Hierna volgt correspondentie tussen de incassogemachtigde en [de gedaagde] .

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert - samengevat en na vermindering van zijn vordering tijdens de zitting - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de gedaagde] veroordeelt om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 4.950,62, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke handelsrente over de gevorderde huurindexering en de wettelijke rente over de gevorderde schadevergoeding vanaf de datum van dagvaarding, met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vorderingen - kort gezegd - ten grondslag dat hij er na het eindigen van de huurovereenkomst achter is gekomen dat hij is vergeten de huurprijs te indexeren. Op basis van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden was hij daartoe wel gerechtigd. Daarom vordert [de eiser] de huurindexatie nu alsnog van [de gedaagde] . Daarnaast stelt hij dat [de gedaagde] het gehuurde niet in goede staat heeft opgeleverd. Op basis daarvan vordert hij een schadevergoeding van [de gedaagde] , bestaande uit verschillende schadeposten.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.
3.4.
[de gedaagde] voert - samengevat - aan dat de algemene voorwaarden waar [de eiser] naar verwijst voor vernietiging vatbaar zijn en daarom niet van toepassing zijn op de door partijen gesloten huurovereenkomst, omdat deze niet aan hem ter hand zijn gesteld. Het is op die grond volgens hem dan ook niet mogelijk achteraf nog huurindexatie te vorderen. De huurovereenkomst zelf biedt hiervoor ook geen basis. Daarnaast maakt [de gedaagde] bezwaar tegen de (hoogte van de) door [de eiser] opgevoerde schadeposten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De huurindexering
4.1.
De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [de eiser] achteraf de huurprijs nog mag indexeren. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
4.2.
In artikel 4.5. van de huurovereenkomst staat dat de huurprijs “eventueel” kan worden geïndexeerd, waarbij die indexering dan “zo spoedig als mogelijk” wordt aangezegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eiser] verklaard dat hij de huurovereenkomst zelf heeft opgesteld en met het woord ‘eventueel’ heeft bedoeld dat hij er zelf nog over na kon denken of hij de huur zou verhogen. De kantonrechter overweegt dat artikel 4.5. van de huurovereenkomst een kernbeding is. De mogelijk van toepassing zijnde algemene voorwaarden zijn daarom ten aanzien van de huurprijsindexering van aanvullende aard en zien op de berekeningswijze daarvan. Als [de eiser] artikel 4.5. had toegepast en ten tijde van de looptijd van de huurovereenkomst had besloten de huurprijs te indexeren, dan had dat moeten gebeuren op de wijze als opgenomen in de algemene voorwaarden, voor zover deze voorwaarden al van toepassing zijn. Vast staat echter dat [de eiser] de huur nooit heeft geïndexeerd ten tijde van de looptijd van de huurovereenkomst. Aan toepassing van de algemene voorwaarden (ten aanzien van de (wijze van) huurindexering) wordt reeds daarom niet toegekomen. De discussie tussen partijen over de vraag of die algemene voorwaarden überhaupt van toepassing zijn op de huurovereenkomst is om die reden niet van belang. De kantonrechter zal die discussie daarom verder onbesproken laten.
4.3.
De conclusie is dat [de eiser] achteraf geen aanspraak (meer) kan maken op enige huurindexering. De kantonrechter zal dat deel van de vordering van [de eiser] daarom afwijzen.
De schadeposten
4.4.
Hierna zal de kantonrechter de afzonderlijke door [de eiser] opgevoerde schadeposten bespreken.
De tafel
4.5.
[de gedaagde] heeft erkend dat hij een schadevergoeding aan [de eiser] moet betalen, omdat hij de door [de eiser] zelf gemaakt handgelakte tafel heeft verwijderd uit het gehuurde. De kantonrechter zal de gevorderde schadepost van € 500,00 daarom toewijzen.
De sleutels
4.6.
[de eiser] vordert een schadevergoeding van in totaal € 222,20, omdat [de gedaagde] ten tijde van de oplevering niet alle sleutels van het gehuurde had ingeleverd en [de eiser] daarom nieuwe sleutels heeft laten maken. [de gedaagde] maakt hier bezwaar tegen en voert aan dat hij aan [de eiser] heeft laten weten dat de tweede sleutelbos zich bij iemand anders bevond en meerdere keren heeft gevraagd wanneer hij die sleutels zou kunnen inleveren.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] als huurder verplicht is om bij de oplevering van het gehuurde alle sleutels in te leveren bij zijn verhuurder. Vast staat dat hij dat niet heeft gedaan. Hierdoor is [de gedaagde] van rechtswege in verzuim. [de gedaagde] heeft [de eiser] op 30 december 2024 echter via WhatsApp een bericht gestuurd waarin hij (onder andere) heeft laten weten dat [vorige huurder] nog sleutels onder zich had en deze nog zou afgeven. Op dit (deel van zijn) bericht heeft [de eiser] niet gereageerd. Naar het oordeel van de kantonrechter had het in de gegeven omstandigheden in de rede gelegen dat [de eiser] [de gedaagde] nog een korte termijn had gegeven om de tweede sleutelbos alsnog in te leveren. [de gedaagde] heeft daartoe ook verschillende voorstellen gedaan. [de eiser] heeft er echter voor gekozen om op 6 januari 2025 - kort na de oplevering en zonder daarover nog contact te hebben met [de gedaagde] - al nieuwe cilinders te bestellen. In de gegeven omstandigheden zal de kantonrechter op grond van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid dit deel van de vordering afwijzen.
Parketvloer, wanden en plafond
4.8.
[de eiser] stelt dat de wanden, de parketvloer en het plafond van het gehuurde ten tijde van de oplevering beschadigd waren, terwijl dat bij de aanvang van de huurovereenkomst niet het geval was. Hij vordert daarom vergoeding van de kosten van herstel. [de eiser] heeft zelf de herstelwerkzaamheden verricht en brengt daarvoor een bedrag van € 960,00 (12 uren x € 80,00 aan uurtarief) in rekening bij [de gedaagde] .
[de gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij het gehuurde in goede staat heeft opgeleverd, met uitzondering van wat gaten in het plafond in verband met het verwijderen van lampen.
4.9.
De kantonrechter overweegt het volgende. Aangezien [de eiser] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling dat [de gedaagde] het gehuurde niet heeft opgeleverd in de staat waarin hij het bij aanvang van de huurovereenkomst in ontvangst heeft genomen, rust op hem de stelplicht en eventuele bewijslast daarvan. Op grond van artikel 7:224 BW Pro moet de huurder het gehuurde in dezelfde staat opleveren als waarin hij het gehuurde heeft aanvaard. Is er geen beschrijving dan wordt verondersteld dat het gehuurde is ontvangen in de staat waarin het zich bevond bij aanvang van de huurovereenkomst. In dit geval is geen beschrijving van het gehuurde gemaakt ten tijde van de aanvang van de huurovereenkomst. [de eiser] heeft in deze procedure een aantal foto’s en een verklaring van een voormalig huurster in het geding gebracht waaruit volgens hem de staat van het gehuurde bij aanvang en einde van de huurovereenkomst zou moeten blijken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij echter, tegenover de betwisting door [de gedaagde] en mede gelet op de onduidelijkheid van de foto’s en het ontbreken van data, onvoldoende aannemelijk gemaakt wat de staat van het gehuurde bij aanvang en einde van de huurovereenkomst is geweest. [de gedaagde] heeft erkend dat ten tijde van de oplevering sprake was van gaten in het plafond in verband met het verwijderen van lampen. Gelet hierop acht de kantonrechter het redelijk dat [de gedaagde] iets aan herstelkosten moet betalen. De hoogte van de door [de eiser] gevorderde herstelkosten zijn echter disproportioneel. Hierbij neemt de kantonrechter ook in aanmerking dat een deel van de herstelkosten ziet op algemene ruimtes van ‘ [gebouwnaam] ’, terwijl [de eiser] niet heeft onderbouwd dat [de gedaagde] de gestelde schade aan die ruimtes heeft veroorzaakt. De kantonrechter zal de noodzakelijke herstelkosten in de gegeven omstandigheden in redelijkheid schatten op de helft van het gevorderde bedrag, dat is € 480,00.
De bureaus en de ordnerkast
4.10.
[de eiser] stelt dat [de gedaagde] twee bureaus en een ordnerkast in het gehuurde heeft laten staan en daardoor in gebreke is gebleven met zijn verplichting om het gehuurde leeg op te leveren. [de eiser] heeft deze spullen zelf moeten verwijderen en brengt hiervoor een bedrag van € 320,00 (vier uur werk) in rekening bij [de gedaagde] .
[de gedaagde] voert aan dat hij de bureaus en het kastje heeft laten staan voor eventuele nieuwe huurders. Hij heeft deze spullen eigenlijk aan [de eiser] geschonken en heeft bovendien meerdere keren aan hem heeft laten weten dat hij de bureaus alsnog wilde ophalen. Van dat aanbod heeft [de eiser] echter geen gebruik gemaakt. [de gedaagde] maakt verder bezwaar tegen de hoogte van de door [de eiser] in dit kader opgevoerde kosten.
4.11.
De kantonrechter overweegt als volgt. Volgens [de gedaagde] heeft hij al eerder, toen de discussie tussen partijen speelde rondom de door [de eiser] zelfgemaakte tafel die [de gedaagde] had verwijderd en had vervangen door twee bureaus, tegen [de eiser] had gezegd dat hij de bureaus mocht hebben. Op 30 december 2024 heeft [de eiser] [de gedaagde] via WhatsApp te kennen gegeven dat hij het gehuurde helemaal leeg moest opleveren. Hierop heeft [de gedaagde] nogmaals gezegd dat hij eerder te kennen heeft gegeven dat de bureaus eigendom van [de eiser] mochten worden, maar dat als [de eiser] de bureaus niet wilde hebben, hij ze zal komen ophalen. De enige reactie van [de eiser] hierop was: “Graag contractuele verplichtingen nakomen, conform afspraak.” Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt dat [de gedaagde] ook na ontvangst van de e-mail van [de eiser] van 26 januari 2025 meerdere keren (zowel op 29 januari als op 16 februari 2025) te kennen heeft gegeven dat hij de bureaus aan [de eiser] heeft geschonken, maar bereid is de bureaus alsnog te komen ophalen. Hier is [de eiser] niet op ingegaan. In deze omstandigheden vindt de kantonrechter het redelijk om de schadevergoeding voor het weghalen van de bureaus en de ordnerkast te bepalen op de helft van het gevorderde bedrag, dat is € 160,00. Hierbij heeft de kantonrechter mede in aanmerking genomen dat vier uur rekenen voor het verwijderen van deze spullen, zonder nadere uitleg of onderbouwing, disproportioneel lijkt.
Compensatie huur januari 2025
4.12.
[de eiser] vordert een schadevergoeding ter hoogte van een maand huurprijs als compensatie voor het niet kunnen verhuren van het gehuurde in de maand januari 2025, omdat hij nog diverse gebreken moest verhelpen.
[de gedaagde] betwist dat hij het gehuurde niet in de juiste staat heeft opgeleverd. Volgens hem was van onverhuurbaarheid in januari 2025 geen sprake.
4.13.
Nog daargelaten de discussie tussen partijen over de vraag of het gehuurde in de juiste staat is opgeleverd, overweegt de kantonrechter het volgende. Bij het eindigen van een huurovereenkomst is gebruikelijk dat een voorinspectie plaatsvindt, zodat de huurder daarna nog de tijd heeft om eventuele gebreken te verhelpen. In dit geval heeft geen van partijen het initiatief genomen om een datum voor de vooroplevering af te spreken. Pas op 30 december 2024 heeft [de eiser] contact opgenomen met [de gedaagde] en gevraagd of het allemaal lukte en hoe laat de oplevering de volgende dag zou kunnen plaatsvinden. Hij heeft hierdoor als verhuurder het risico genomen dat het gehuurde vanaf 1 januari 2025 niet direct weer verhuurbaar zou zijn. [de eiser] heeft dat tijdens de zitting ook erkend. Naar het oordeel van de kantonrechter komt het nemen van dit risico in de gegeven omstandigheden voor zijn rekening. [de eiser] is immers degene die het gehuurde weer wil verhuren en hij kan het afstemmen van een datum voor een vooroplevering dan niet op het bordje van [de gedaagde] als huurder schuiven. Gelet op voorgaande overwegingen zal de kantonrechter dit deel van de vordering afwijzen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[de eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
[de gedaagde] voert hiertegen verweer. Indien de kantonrechter uiteindelijk in deze procedure een bedrag toewijst dat lager is dat het door hem in het minnelijke voortraject voorgestelde bedrag van € 1.262,40, heeft [de eiser] deze procedure nodeloos gevoerd, zo voert hij aan.
4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat partijen uitvoerig met elkaar hebben gecorrespondeerd over de huurindexering en de schadeposten en dat vervolgens ook de incassogemachtigde van [de eiser] [de gedaagde] een aantal aanmaningen heeft gestuurd. Die laatste betroffen overigens geen simpele aanmaningen, maar steeds inhoudelijke reacties op de standpunten van [de gedaagde] . De kantonrechter zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen, met dien verstande dat de buitengerechtelijke incassokosten worden berekend over het toe te wijzen bedrag van in totaal € 1.140,00 (€ 500,00 + € 480,00 + € 160,00). Dit resulteert in een bedrag van € 206,91. [de gedaagde] heeft weliswaar aan [de eiser] aangeboden om een schadevergoeding te betalen van € 1.262,40, maar met dit voorstel is [de eiser] niet akkoord gegaan. [de eiser] had op dat moment al buitengerechtelijke incassokosten gemaakt en heeft daar terecht aanspraak op gemaakt. Toen partijen geen minnelijke regeling konden treffen, heeft [de eiser] deze procedure moeten starten om betaling af te dwingen. Hij heeft deze procedure dus niet nodeloos gevoerd.
De wettelijke rente
4.16.
De wettelijke rente over de schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen als (na wijziging) gevorderd, met dien verstande dat de ingangsdatum voor de wettelijke rente zal worden bepaald op de datum van de (oorspronkelijke) dagvaarding, dat is 31 juli 2025. In deze procedure komt immers pas de omvang van de betalingsverplichting vast te staan
Iedere partij betaalt de eigen proceskosten
4.17.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag aan schadevergoeding van € 1.140,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 206,91 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
41245 \ 560