Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2664

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
05-259967-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77c SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag op politieagenten en vernieling met toepassing jeugdstrafrecht

Op 13 augustus 2024 heeft de verdachte met een vleesmes meerdere malen in de richting van twee politieagenten gestoken en gezwaaid, waarbij de kans op dodelijk letsel aanmerkelijk was. De politieagenten stonden in een kleine ruimte en konden zich niet verdedigen. Daarnaast vernielde zij ruiten van de woning van haar ouders.

De rechtbank oordeelde dat verdachte geen vol opzet op dood had, maar wel voorwaardelijk opzet, en verwierp het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. De verdachte was ernstig psychisch kwetsbaar met een complexe problematiek en was sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Gezien de ernst van de feiten maar ook de kwetsbaarheid van verdachte, werd het jeugdstrafrecht toegepast. De rechtbank legde een jeugddetentie van 201 dagen op, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan toezicht en behandeling. Tevens werd schadevergoeding aan de politieagenten toegekend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 201 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, voor poging tot doodslag op politieagenten en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/259967-24
Datum uitspraak : 9 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats].
Raadsvrouw: mr. E.I.B. Hoffman, advocaat in Hilversum.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
11 september 2025 en 26 maart 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd, de keel en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken, gezwaaid, gewezen, bewogen en/of geduwd, en/of
- een vleesmes met het lemmet naar voren gericht, voor haar, verdachtes, borst heeft gehouden, (vervolgens) een stap in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gedaan, waardoor zij op (zeer) korte afstand van [slachtoffer 1] heeft gestaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd, de keel en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken, gezwaaid, gewezen, bewogen en/of geduwd, en/of
- een vleesmes met het lemmet naar voren gericht, voor haar, verdachtes, borst heeft gehouden, (vervolgens) een stap in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gedaan, waardoor zij op (zeer) korte afstand van [slachtoffer 1] heeft gestaan,, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel [slachtoffer 1] heeft bedreigd met met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door
- (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd, de keel en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken, zwaien, wijzen, bewegen en/of duwen, en/of
- een vleesmes met het lemmet naar voren gericht, voor haar, verdachtes, borst te houden, (vervolgens) een stap in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] te zetten, waardoor zij, verdachte, op (zeer) korte afstand van [slachtoffer 1] stond, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer 1] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie
2.
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, gezwaaid, gewezen, bewogen en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, gezwaaid, gewezen, bewogen en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel [slachtoffer 2] heeft bedreigd met met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door (meermaals) met een vleesmes in de richting van het gezicht/hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] te steken, zwaaien, wijzen, bewegen en/of te duwen, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer 2] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie
3.
zij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel opzettelijk en wederrechtelijk
- de voordeur en/of bijkeukendeur van de woning,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
4.
zij in of omstreeks de periode tussen 11 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel opzettelijk en wederrechtelijk een (ruit van) schuifdeur en/of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Esso [woonplaats], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt

2.De geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van feit 4
Hoewel een periode is opgenomen, ziet de tenlastelegging feitelijk op één vernieling, die gepleegd zou zijn in die periode. Dat komt, omdat er geen ‘telkens’ of ‘meermalen gepleegd’ staat opgenomen. Uit het dossier volgt dat er twee vernielingen zouden zijn geweest in de betreffende periode bij hetzelfde tankstation (de Esso in [woonplaats]). Het is niet duidelijk op welke vernieling de tenlastelegging ziet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de dagvaarding voor dit feit nietig is.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de (primair) ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 en 2 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat zij geen opzet had op de dood, het toebrengen van enig letsel, of het aanjagen van vrees.
Ten aanzien van feit 3 stelt de verdediging zich op het standpunt dat partiële vrijspraak moet volgen voor de vernieling van de bijkeukendeur. Deze deur is vernield door de politie en niet door verdachte.
Beoordeling door de rechtbank
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
Verbalisant [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft op 14 augustus 2024 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 13 augustus 2024 naar aanleiding van een melding naar [adres] in [woonplaats] is gegaan. Daar zou verdachte volgens haar moeder meerdere ramen vernielen en met een groot vleesmes in haar handen de woning willen binnendringen
[slachtoffer 1] en zijn collega’s zijn vervolgens in een treintje, achter een lexaanschild, de woning binnen gegaan. [slachtoffer 1] bediende het schild en liep voorop. Eenmaal in de woning hoorde [slachtoffer 1] dat verdachte zich op het toilet had opgesloten met het vleesmes. [slachtoffer 1] heeft meermaals geroepen dat zij van de politie waren en dat verdachte naar buiten moest komen. Hierop kwam geen reactie. [slachtoffer 1] heeft vervolgens met een zakmes de wc-deur geopend. Hij voelde direct tegendruk aan de deurklink maar na een krachtige ruk kreeg hij de deur toch open. [slachtoffer 1] stond op dat moment met zijn hele lichaam achter het (doorzichtige) lexaanschild. Zijn collega stond dicht tegen hem aan en duwde hem in zijn rug om ondersteuning te bieden wanneer verdachte tegendruk zou geven. Vervolgens zag [slachtoffer 1] verdachte in het toilet staan. Zij hield ter hoogte van haar eigen borst een enorm grijs mes vast van 30 centimeter lang en wees met de punt van het mes richting zijn gezicht. De afstand tussen [slachtoffer 1] en verdachte was op dat moment minder dan 20 centimeter. Terwijl zij het mes voor haar borst hield, deed verdachte een stap naar voren en duwde met de punt in de richting van de keel van [slachtoffer 1]. Het mes ketste vervolgens af op het lexaanschild waarbij het geluid van staal op plastic te horen was. Als het lexaanschild niet tussen hen in had gezeten, had verdachte hem geraakt, aldus [slachtoffer 1].
Omdat verdachte naar voren kwam, stonden [slachtoffer 1] en verdachte vervolgens tegen elkaar aan met het lexaanschild tussen hen in. Verdachte probeerde los te komen en duwde daarbij tegen het schild aan waarna het mes alle kanten op ging en daarbij ook weer tegen het lexaanschild aan kwam. [slachtoffer 1] heeft meermaals tegen verdachte geschreeuwd dat zij het mes moest laten vallen. Ook zijn collega’s riepen dit. [slachtoffer 1] zag in de ogen van verdachte geen enkele emotie. Het lukte uiteindelijk om verdachte te fixeren door haar tegen de muur te drukken. Zij had op dat moment het mes nog steeds vast en probeerde dit richting [slachtoffer 1] en zijn collega’s te duwen om hen te verwonden. [slachtoffer 1] voelde dat verdachte haar lichaam probeerde te gebruiken om zichzelf vrij te kunnen maken van het lexaanschild om dan weer de aanval in te kunnen zetten. Op enig moment kon [slachtoffer 1] het mes niet meer zien en vreesde hij dat zij hem zou neersteken door haar armen om het lexaanschild heen te duwen en hem in buik of bovenbeen te steken. Omdat verdachte zich bleef verzetten, heeft [slachtoffer 1] haar tweemaal op haar hoofd geslagen maar verdachte bleef ook toen zich verzetten en het mes vasthouden. Uiteindelijk heeft hij haar bij haar haren gepakt om controle over haar te krijgen. Verdachte heeft het mes toen losgelaten.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij en zijn collega’s vreesden voor hun leven. Op het moment dat hij werd aangevallen met het mes, kon hij geen kant op omdat zijn collega’s achter hem stonden en het om een hele kleine ruimte ging. Hij heeft in al zijn jaren bij de politie nog nooit zoiets heftigs meegemaakt en is doodsbang geweest om neergestoken te worden. [2]
Verbalisant [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) heeft verklaard dat [slachtoffer 1] het lexaanschild vast had en dat hij als tweede man is aangesloten, dus meteen in de rug van [slachtoffer 1]. Bij het openen van de wc zag ook hij dat verdachte een groot mes in haar hand vasthield en niet reageerde op de bevelen om het mes te laten vallen. Vervolgens hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] middels een zogenaamde schildprocedure geprobeerd om verdachte op een veilige manier aan te houden. Tijdens deze aanhouding had verdachte het mes vast en weigerde zij keer op keer dit te laten vallen. [slachtoffer 2] stond tijdens de aanhouding achter zijn collega en daardoor heeft hij het mes op enkele momenten niet kunnen zien. Ze stonden op dat moment in een kleine ruimte van een meter bij een meter. [slachtoffer 2] kon niet meer achteruit omdat er dan ruimte zou ontstaan voor verdachte om hen aan te vallen met het mes. [slachtoffer 2] voelde de angst dat verdachte mogelijk een manier zou vinden om langs het schild met haar arm/hand en het mes hen te steken of te snijden. De situatie was extreem bedreigend en gevaarlijk, aldus [slachtoffer 2]. Hij voelde zich ernstig bedreigd en was echt bang dat verdachte hem of zijn collega wat aan zou doen met het mes dat zij in haar hand had. Hij is in zijn politie carrière van 24 jaar nog nooit in zo’n situatie geweest waarin dit soort geweld en mogelijk oplopen van zwaar lichamelijk letsel dan wel het intreden van de dood zo dichtbij is geweest als bij deze melding met verdachte. [3]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij ook onderdeel was van het treintje en dat [slachtoffer 1] het lexaanschild in zijn hand had. [verbalisant 1] zag bij het openen van de deur direct een mes, welke in de richting van de hals van collega [slachtoffer 1] werd geduwd. [verbalisant 1] zag dat de voorzijde van het mes afketste op het lexaanschild. Wat hem is bijgebleven, is dat verdachte kennelijk opzettelijk instak in de richting van de hals van [slachtoffer 1] en dat het zonder lexaanschild zeer slecht was afgelopen. [4]
Het mes dat verdachte in haar handen had, is in beslag genomen en onderzocht. Het gaat om een vleesmes met een metalen lemmet van 20 centimeter lang. Het heft van het mes is 12 centimeter lang. [5]
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte met een vleesmes van in totaal 32 centimeter in de richting van de hals en het lichaam van [slachtoffer 1] en richting het lichaam van [slachtoffer 2] heeft gestoken en gezwaaid.
Poging doodslag?
De vraag is vervolgens of verdachte opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de verbalisanten wilde doden. Verdachte heeft verklaard dat zij niet meer zoveel weet maar dat zij nooit iemand pijn zou doen en alleen maar bezig was met het wegkomen van de politie. Een bewijsmiddel waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte wel ‘vol’ opzet op de dood heeft gehad, is niet voorhanden. Dit kan daarom niet worden bewezen.
De rechtbank moet dan de vraag beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft met een vleesmes (met een lemmet van 20 centimeter) in de richting van de keel van [slachtoffer 1] gestoken en meerdere keren in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gestoken en gezwaaid, zo dichtbij dat de punt van het mes tegen het lexaanschild af is geketst. De verbalisanten stonden met verdachte in een zeer kleine ruimte dicht tegen elkaar aan en konden geen kant op, terwijl het mes alle kanten op ging. Naar het oordeel van de rechtbank is de kans dat verdachte verbalisanten met het mes zou raken en letsel zou veroorzaken dat mogelijk dodelijk is in dit geval aanmerkelijk. Daarbij is van belang dat het een mes met een aanzienlijk lemmet betrof, dat verdachte gericht heeft gestoken richting de keel en daarna met het mes alle kanten op waarbij zij ook heeft geprobeerd om onder het schild uit te komen. Dat de kans op potentieel dodelijk letsel in dat geval aanmerkelijk is, mag bij een ieder en dus ook bij verdachte als bekend worden verondersteld. Door met die kennis toch zo te handelen, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans aanvaard, oftewel het risico op overlijden op de koop toe genomen. Dat de verbalisanten op dat moment werden beschermd door het schild, is een omstandigheid die niet aan bewezenverklaring in de weg staat. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].
De rechtbank acht dan ook onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3
Op 13 augustus 2024 heeft de moeder van verdachte, [slachtoffer 3] (hierna: aangeefster), aangifte en klacht gedaan van vernieling. Zij heeft verklaard dat haar dochter die dag de voordeur van hun woning heeft vernield. Eerst door het lexaan-polycarbonaat voor het raam in de voordeur te vernielen/verwijderen. Daarna heeft ze de ruit van dubbel glas in de deur vernield door deze in te slaan met een baksteen. Vervolgens heeft verdachte ook het glas van de bijkeukendeur vernield door de aluminium profielen te beschadigden/vernielen en daarna het lexaan te verwijderen. Ook hier lag een baksteen bij, aldus aangeefster. [6]
Verbalisant [slachtoffer 2] hoorde van de meldkamer dat verdachte aan het doordraaien was en de boel aan het verbouwen zou zijn. Ter plaatste zag hij bij beide deuren een hoop (glas) schade wat duidelijk was aangebracht door vernielingen. [7]
Gelet op die verklaringen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ruit van de voordeur en de ruit van de bijkeukendeur heeft vernield. Dat de ruiten zijn gebroken bij het naar binnen gaan door de politie, zoals ter zitting is besproken, wordt weersproken door de verklaringen van de politie dat zij op het moment van aankomst al glas zagen liggen.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op
of omstreeks13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
- (meermaals) met een vleesmes in de richting van
het gezicht/hoofd, de keel en
/ofhet lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken, gezwaaid,
gewezen, bewogen en/of geduwd,en/
of- een vleesmes met het lemmet naar voren gericht, voor haar, verdachtes, borst heeft gehouden, (vervolgens) een stap in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gedaan, waardoor zij op (zeer) korte afstand van [slachtoffer 1] heeft gestaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
zij op
of omstreeks13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, (meermaals) met een vleesmes in de richting van het
gezicht/hoofd en/of hetlichaam van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gestoken, gezwaaid,
gewezen, bewogen en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
zij op
of omstreeks13 augustus 2024 te [woonplaats], gemeente Maasdriel opzettelijk en wederrechtelijk
- de voordeur en/
ofbijkeukendeur van de woning,
in elk geval enig goed,
dat/die geheel
of ten deleaan [slachtoffer 3],
in elk geval aan een andertoebehoorde(n) heeft vernield,
beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair:
poging tot doodslag
feit 2 primair:
poging tot doodslag
feit 3:
vernieling

6.De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Verdachte zag zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor door de politie waartegen verdachte zich wel moest verdedigen. Verdachte heeft meerdere keren geprobeerd van de politieagenten weg te blijven, wat niet lukte, omdat de agenten haar op harde wijze uit de ruimte wilde hebben. De situatie is beëindigd doordat verdachte zich heeft verweerd met haar armen, haar lichaam en hand waarin ze het mes had geklemd. Dit was proportioneel en subsidiair.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte gezien haar emotie, haar persoon en haar verleden over heeft gereageerd in haar handelen richting de politieagenten en dat aan haar een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt.
Meest subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van een geslaagd beroep op putatief noodweer. In dat geval is er sprake van een verschoonbare dwaling als gevolg van de gehele hectische situatie, waardoor de subjectieve beleving van verdachte is ontstaan.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer of noodweerexces toekomt. Er is geen sprake is geweest van een noodweersituatie.
Aan verdachte komt ook geen beroep op putatief noodweer toe. Het was voor verdachte duidelijk dat de politie in de woning was. Verdachte heeft de politie gehoord toen zij bezig waren met het openbreken van de bijkeukendeur. De politie heeft vervolgens meermaals geroepen dat zij aanwezig waren.
De beoordeling door de rechtbank
Noodweer en noodweerexces
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer allereerst is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, waartegen een noodzakelijke verdediging is geboden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zichzelf op het toilet had opgesloten met een vleesmes.. De verbalisanten hebben ter plaatste meermaals en luidkeels geroepen dat zij van de politie waren en dat verdachte het toilet uit moest komen. Van een wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daartoe was geen sprake. Ter terechtzitting heeft verdachte ook verklaard dat zij hoorde dat de politie aanwezig was toen zij bezig waren met het openbreken van de bijkeukendeur. Verdachte wist dus dat het om politie ging. Dat verdachte op dat moment in de war was moge duidelijk zijn, maar dat zij verschoonbaar heeft gedwaald en gerechtvaardigd dacht dat het om een wederrechtelijke aanranding ging is niet aannemelijk geworden. Het beroep op (putatief) noodweer(exces) wordt daarom verworpen.
De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten verminderd aan verdachte moeten worden toegerekend en dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 201 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daaraan moeten de voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd met een proeftijd van 2 jaar. Tot slot heeft de officier van justitie de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de feiten verminderd aan verdachte moeten worden toegerekend en dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf gelijk aan het voorarrest in dat geval genoeg is. Ten aanzien van feit 3 verzoekt de verdediging om verdachte, ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, schuldig te verklaren zonder een straf op te leggen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op twee politieagenten door met een groot vleesmes meermaals in de richting van de keel en het lichaam van [slachtoffer 1] en richting het lichaam van [slachtoffer 2] te zwaaien en te steken. Verdachte is zich, met het mes in haar hand, stevig blijven verzetten bij haar aanhouding en heeft geen gehoor gegeven aan de bevelen van de politieagenten om het mes te laten vallen. De politieagenten stonden met verdachte in een zeer kleine ruimte dicht tegen elkaar aan en konden nergens heen, terwijl het mes alle kanten op ging. Dit zijn ernstige feiten. Voor deze ervaren politieagenten, die tijdens de uitoefening van hun werk met dit gedrag van verdachte zijn geconfronteerd, is dit een ingrijpende gebeurtenis geweest. Zij ondervinden hier tot op heden de gevolgen van. Uit de slachtofferverklaringen blijkt goed welke impact dit alles heeft gehad op hen en hun familieleden. Zij hebben zich zeer angstig en onveilig gevoeld en zij hebben beiden verklaard dat de dood nog nooit zo dichtbij is geweest in hun politie carrière als op dat moment. Daarnaast heeft verdachte twee ruiten vernield van de woning van haar ouders, hoewel dat feit qua impact ondergeschikt is aan de twee andere feiten.
In principe zou bij dergelijk feiten, gepleegd tegen politiemensen, een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats zijn.
Vervolgens kijkt de rechtbank naar de persoon van verdachte.
De rechtbank heeft allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Uit het dossier komt wel een beeld naar voren van een zeer zorgelijke situatie. Verdachte is een meisje dat erg in de war is vanwege ernstige hechtingsproblematiek, vele trauma’s, een ernstige ontwikkelingsachterstand en veel wanhoop. Zij woonde 13 augustus 2024 in een caravan op het terrein van haar ouders omdat het thuis niet ging. Haar ouders hadden in hun woning een soort inpandige bunker voor zichzelf gemaakt waar zij naar toe konden vluchten als het niet goed ging met verdachte. Daar waren zij ook op de betreffende dag naar toe gevlucht. Die dag waren zij zo bang voor verdachte dat zij zelfs nog in die safe-room onder het bureau zaten. Dat het in die periode gedurende langere tijd al niet goed ging en zelfs gevaarlijk was voor verdachte en haar omgeving, blijkt ook uit de vele politiemutaties, waarbij verdachte bijvoorbeeld meermalen van de snelweg is gehaald of sprake was van agressie richting haar ouders en zij vervolgens vanwege haar verzet door vier verbalisanten in bedwang moest worden gehouden. De politie, die telkens op alle meldingen af is gegaan om de veiligheid voor verdachte en haar omgeving te borgen, omschrijft de situatie rondom verdachte terecht als zeer zorgelijk en feitelijk onhoudbaar, met de zeer ernstige feiten van 13 augustus 2024 tot gevolg.
Verdachte is na haar aanhouding naar het ziekenhuis gebracht omdat zij voordat de verbalisanten ter plaatse waren al verwond was aan haar handen. Tijdens het vervoer moest verdachte worden gefixeerd omdat zij zich continu verzette. In het ziekenhuis hebben meerdere verbalisanten bij haar moeten blijven omdat zij zich ook daar bleef verzetten.
Uiteindelijk is verdachte naar het Huis van Bewaring gebracht. Vanwege haar gedrag is zij in een cel geplaatst met zachte wanden en zachte vloeren zodat zij zichzelf niet kon verwonden. Om dezelfde reden is besloten haar voeten en handen te boeien en aan elkaar te binden, zodat verdachte met opgetrokken benen op de grond zat. De celdeur bleef geopend en er is continu een arrestantenverzorger bij haar in haar cel gebleven om haar vast te houden. Telkens wanneer de arrestantenwachten haar loslieten, beschadigde verdachte zichzelf door tot bloedens toe met haar hoofd/neus op de grond te slaan. Verbalisanten konden op geen enkele manier contact met haar krijgen. Zij gaf vreemde antwoorden die weinig tot geen betrekking hadden op de vragen die gesteld werden. De crisisdienst is geweest en weer vertrokken omdat ook zij geen contact met verdachte kregen.
De dag erna is verdachte ter beoordeling bezocht door een psycholoog. Zij rapporteerde dat verdachte haar wel bleef aankijken maar dat het verder op geen enkele manier lukte om met haar in contact te komen. Gezien het zelfbeschadigende gedrag werd verdachte vervolgens geplaatst in het PPC.
Verdachte is op 2 oktober 2024 door het gerechtshof geschorst. Geprobeerd is om verdachte multidisciplinair te onderzoeken maar dat onderzoek bleek door de schorsing niet langer uitvoerbaar. Dat is ook de reden waarom verdachte niet nader is onderzocht door een psychiater of psycholoog. De rechtbank heeft wel kennisgenomen van het trajectconsult van het NIFP. Daarin staat dat verdachte in het verleden gediagnosticeerd is met onder meer selectief mutisme, een hechtingsstoornis, zwakbegaafdheid en een stoornis in het autismespectrum. Volgens haar behandelend arts is sprake van een bovengemiddeld intelligente vrouw, bekend met jeugdreuma vanaf haar tweede jaar, met een persisterende en ernstige reactieve hechtingsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis, naar het vermoeden van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Ook zou sprake zijn van een ernstige posttraumatische stressstoornis onder andere door vele contraproductieve therapieën in het verleden en het ervaren van seksueel misbruik. Dat sprake is van psychopathologie is evident, aldus de psycholoog.
De rechtbank heeft ook kennis genomen van de rapporten van de reclassering. Ook de reclassering beschrijft dat er tot aan de aanhouding sprake was van een zorgelijke situatie met vele politiemutaties. Na de schorsing is hulpverlening eindelijk verder van de grond gekomen en lijkt de situatie eindelijk gestabiliseerd. Verdachte woont inmiddels in een mantelzorgwoning op het terrein van haar ouders en de noodzakelijke hulpverlening is verder in gang gezet. Verdachte krijgt verschillende vormen van therapie en kan rekenen op 24 uur per dag ondersteuning van haar ouders. De situatie is op dit moment stabiel en verdachte is volgens de reclassering niet meer in beeld gekomen bij politie en justitie. Er lijkt dus sprake van een stijgende lijn. De reclassering adviseert om deze lijn niet te doorkruisen en om aan verdachte geen verdere gevangenisstraf op te leggen maar een gedwongen hulpverleningskader, te weten een toezicht door de William Schrikker Jeugdbescherming en meewerken aan behandeling passend bij de problematiek. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, haar problematiek, de positieve betrokkenheid van haar ouders en het feit dat zij groepsongeschikt wordt geacht, wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en ziet in de persoon van verdachte aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was op 13 augustus 2024. Dat leidt de rechtbank af uit de omschrijvingen van de dag van de aanhouding en ook de periode daarna, zoals door het NIFP gerapporteerd is.
Er is dus sprake van ernstige feiten maar ook van een kwetsbare verdachte met ernstige problematiek waarbij het erop lijkt dat er na jaren eindelijk voorzichtig sprake lijkt van een stabielere situatie waarin de juiste hulpverlening op gang is gekomen. De vraag is welke straf in deze situatie passend is. Alles afwegend acht de rechtbank het van het grootste belang dat de positieve lijn niet wordt doorkruist. Het is in het belang van verdachte, maar zeker ook van de maatschappij dat het stabiel blijft. Daarom zal aan verdachte, ondanks de ernst van de feiten, geen langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf worden opgelegd. Wel een voorwaardelijke jeugddetentie met – indien de jeugdreclassering dit nodig acht – een verplichte behandeling. Zo kan worden bekeken of de ingezette hulpverlening stand houdt en kan worden ingegrepen als de positieve ontwikkelingen niet worden doorgezet. Mocht verdachte op enig moment niet meer mee willen werken, dan kan alsnog jeugddetentie volgen, als stok achter de deur.
Alles afwegende acht de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – een jeugddetentie van 201 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek passend en geboden.
De rechtbank sluit wat betreft de bijzondere voorwaarden aan bij het advies van de reclassering en zal dus de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke strafdeel verbinden. Omdat de problematiek van verdachte nog grotendeels onbehandeld is, moet ernstig rekening worden gehouden dat verdachte weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zullen de bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de verzochte vrijspraak. Verder had het handelen van de verbalisanten anders gekund en gemoeten. Tot slot is de jurisprudentie die is aangehaald bij de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding hier niet passend.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 1 is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 13 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard gelet op de verzochte vrijspraak. Verder had het handelen van de verbalisanten anders gekund en gemoeten. Tot slot is de jurisprudentie die is aangehaald bij de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding hier niet passend.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door feit 2 is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.
Verdachte is vanaf 13 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. In de persoon van de verdachte en haar kwetsbaarheid ziet de rechtbank aanleiding de gijzeling op 0 dagen te bepalen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 4;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie voor de duur van 201 dagen;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende en door de gecertificeerde instelling William Schrikker
  • verdachte telefonisch bereikbaar is voor de jeugdreclasseringswerker, bij het wijzigen van telefoonnummer of adres dient verdachte de jeugdreclasseringswerker op de hoogte te brengen hiervan;
  • verdachte meewerkt aan behandeling passend bij haar problematiek, te bepalen door de jeugdreclassering, indien en voor zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte haar medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte haar medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, afdeling Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 bepaalt de opgelegde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
De benadeelde partij [slachtoffer 1]
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 1.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
De benadeelde partij [slachtoffer 2]
  • veroordeelt verdachte in verband met feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2], een bedrag te betalen van € 1.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. R.M. Schoo en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2026.
mr. Wiersma en mr. Schoo zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600- 2024377391, gesloten op 15 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 29 t/m 32.
3.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 26 en 27.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 7.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21.
6.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3], p. 35.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 13.