Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
2.De feiten
- Gebrek aan transparantie bij besluitvorming, onder andere rondom de naamgeving van de stichting en personeelsaanstellingen.
- Intimiderend en respectloos gedrag, inclusief denigrerende opmerkingen tijdens werkbezoeken en directieberaden.
- Een onveilige overlegcultuur, waarin directeuren terughoudend worden uit angst voor repercussies.
- Een bestuurdersstijl die als autoritair wordt ervaren, met weinig ruimte voor autonomie, dialoog en wederzijds vertrouwen.
- Terugkerende signalen van overbelasting en verloop, waaronder meerdere collega’s die zijn vertrokken of actief solliciteren.
- Is dit het type brief waar u als voorzitter mee verder kunt?
- Heeft u of de Raad als geheel aanbevelingen of adviezen over hoe wij als directeuren hiermee kunnen omgaan of verdere stappen kunnen zetten?
- Er zijn meerdere meldingen ontvangen over intimiderend en vrouwonvriendelijk gedrag.
- Voorbeelden betreffen denigrerende opmerkingen, kleinerende reacties en het vasthouden aan vrouwonvriendelijke uitlatingen ondanks eerdere feedback.
- Medewerkers ervaren angst en terughoudendheid om zich uit te spreken, uit vrees voor negatieve repercussies.
- De cultuur wordt omschreven als onveilig, waarbij mensen niet optimaal kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de organisatie.
- De RvT benadrukt dat een bestuurder in dit fusieproces juist verbindend leiderschap moet tonen in plaats van een conflictmodel.
- [de verweerder] geeft aan dat dit voor hem voelt als een “mokerslag” en dat hij zich “naar de slachtbank geleid voelt”.
- Hij erkent een directieve stijl te hanteren, maar verwerpt de kwalificatie dat hij dwingend of structureel intimideren is. Volgens hem gaat het om incidenten waarbij hij zijn geduld verloor en zijn stem verhief, wat door anderen als bedreigend kan zijn ervaren.
- Hij geeft aan dat zijn intentie altijd was om afspraken na te komen en kaders te bewaken, niet om te intimideren.
- Hij benoemt dat weerstand en spanningen mogelijk ook voortkomen uit de fusiecontext en eerdere dynamiek binnen Condor.
- Tegelijk erkent hij dat signalen hem al bereikt hebben voor de fusieplannen en daarmee doelend op de angstcultuur binnen Condor na doorvragen van de RvT.
- Dat hij van deze situatie wil leren.
De vraag is gesteld waar hij precies van wil leren, want juist opvallend is, is dat [de verweerder] lijkt te luisteren naar feedback, maar vervolgens niets doet met hetgeen gezegd is. Zijn houding en gedrag veranderen niet.
- De RvT stelt vast dat de kloof tussen intenties van de bestuurder en de ervaringen van medewerkers en directeuren te groot is.
- Er is sprake van een structureel patroon dat niet past bij de waarden en veiligheid die nodig zijn binnen de stichting.
- Dat er ook meerdere conflicten met externen/externe partijen zijn ontstaan die niet helpend en zelfs kwalijk zijn voor (het voortbestaan van) de organisatie.
- De Raad concludeert dat de heer [de verweerder] niet kan terugkeren in zijn functie als bestuurder.(…)”
3.Het verzoek van LeF en het verweer van [de verweerder]
4.De verzoeken van [de verweerder] en het verweer van LeF
5.De beoordeling van de verzoeken van LeF en [de verweerder]
NJ2005/484 inzake Unidek en HR 15 april 2005,
NJ2005/483 inzake Bartelink/Ciris) vloeit voort dat het rechtspersoonsrechtelijk ontslag tevens een beëindiging van de arbeidsovereenkomst meebrengt, tenzij een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of partijen anders zijn overeengekomen.
Kamerstukken II, 2015/16, 34 491, nr. 3 p. 18) wordt met betrekking tot artikel 2:298a BW het volgende vermeld:
stemverheffing, escalerende taalgebruik, dreigende lichaamshouding en toenemende zichtbare woede”en dat is zonder nadere concrete duiding, die ontbreekt, veel te vaag om te kunnen beoordelen of sprake is va n (ernstig) verwijtbaar gedrag. Bovendien heeft [de verweerder] toegelicht dat hij tijdens dit remuneratiegesprek, wat voorafging aan het incident op 18 juni 2025, door de toenmalige voorzitter van de RvT is overvallen door de wijze waarop het gesprek was ingestoken, waarbij hem vrij snel de vraag werd voorgelegd of hij nog wel gelukkig was in zijn functie en of hij niet beter bij een ministerie zou passen. Door de toenemende druk werd [de verweerder] emotioneel en heeft hij boos en verdrietig gereageerd. In het licht van de door [de verweerder] gegeven toelichting, is het voorstelbaar dat het gesprek een andere wending kreeg dan vooraf was ingesteld en dat dit mogelijk tot een boze reactie heeft geleid. Maar of deze reactie van [de verweerder] als (ernstig) verwijtbaar gedrag moet worden aangemerkt, kan niet worden vastgesteld.