De wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland heeft op 13 maart 2026 een wrakingsverzoek behandeld van een verzoeker die de wraking van drie rechters had gevraagd in een civiele procedure. Het verzoek betrof de weigering van de rechters om direct mondeling uitspraak te doen over een eerder wrakingsverzoek tegen een andere rechter.
De wrakingskamer oordeelde dat het niet direct doen van een mondelinge uitspraak geen aanwijzing is voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. De rechters handelden conform het Wrakingsprotocol, dat een termijn van twee weken voorschrijft voor de beslissing op een wrakingsverzoek. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Daarnaast constateerde de rechtbank dat de verzoeker meerdere wrakingsverzoeken had ingediend zonder feitelijke onderbouwing, wat leidde tot onredelijke vertraging van de procedure. Dit werd aangemerkt als misbruik van het wrakingsrecht. Daarom werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet meer in behandeling worden genomen.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel tegen open.