Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2747

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/05/463437/KG RK 26-145, C/05/464954/KG RK 26-256 t/m C/05/464977/KG RK 26-276 en C/05/464979/ KG RK 26-278 t/m C/05/464992/KG RK 26-291
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter in belastingzaken wegens ontbreken onpartijdigheid

De meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Gelderland heeft op 27 maart 2026 het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen. Het verzoek betrof de wraking van mr. P.J. Tikken, rechter in belastingzaken, vanwege vermeende schendingen van het beginsel van hoor en wederhoor, procesbeslissingen, personele verwevenheid en het ontbreken van formulieren voor proceskostenvergoeding.

Verzoeker stelde dat de rechter partijdig zou zijn door het plannen van een zitting met 36 zaken in drie uur, onbegrijpelijke procesbeslissingen, onvolledige dossiers, en vermeende belangenverstrengeling door voormalige medewerkers van de Belastingdienst. De wrakingskamer oordeelde dat procesbeslissingen op zichzelf geen grond voor wraking vormen en dat de motivering daarvan niet wijst op vooringenomenheid.

De vermeende personele verwevenheid werd niet aannemelijk geacht omdat de betrokken personen de rechtbank al jaren geleden hadden verlaten en er geen recente contacten waren. Het ontbreken van formulieren voor proceskostenvergoeding werd niet als een onpartijdigheidskwestie gezien. De wrakingskamer concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden zijn die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen en wees het verzoek af. Er werd geen misbruik van het wrakingsmiddel vastgesteld.

Uitkomst: Wrakingsverzoek tegen rechter in belastingzaken wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
Wrakingskamer
zaaknummers: C/05/463437/KG RK 26-145, C/05/464954/KG RK 26-256 t/m C/05/464977/KG RK 26-276 en C/05/464979/ KG RK 26-278 t/m C/05/464992/KG RK 26-291
Beslissing van 27 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] , namens belanghebbenden in voornoemde zaken,
wonende te [woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. P.J. Tikken,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 17 februari 2026
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 27 februari 2026
  • de pleitnota van verzoeker van 16 maart 2026
  • de mondelinge behandeling van 16 maart 2026.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • verzoeker
  • de rechter

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in belastingzaken betreffende de door de ontvanger in rekening gebrachte aanmaningskosten en kosten van een dwangbevel op de aanslagen vennootschapsbelasting dan wel inkomstenbelasting met de volgende zaaknummers:
ARN 22/0098, ARN 24/6284, ARN 22/0101, ARN 25/4918, ARN 25/4920, ARN 25/4923, ARN 24/6984, ARN 23/1113, ARN 23/1116, ARN 23/1123, ARN 23/2752, ARN 23/4255, ARN 23/1109, ARN 23/1098, ARN 24/5273, ARN 24/5284, ARN 24/5285, ARN 24/5287, ARN 25/0652, ARN 25/0653, ARN 25/0654, ARN 21/5039, ARN 23/1883, ARN 23/1884, ARN 24/4830, ARN 24/5172, ARN 24/5283, ARN 24/5289, ARN 24/5977, ARN 25/2170, ARN 25/2171, ARN 25/2172, ARN 25/2174, ARN 25/2175, ARN 23/6814 en
ARN 23/4844.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Volgens verzoeker is sprake van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de rechter, en de schijn van belangenverstrengeling ingevolge artikel 6 van Pro het EVRM, gelet op de volgende feiten en omstandigheden:
Schending van het beginsel van hoor en wederhoor: door het plannen van een zitting met 36 zaken in een tijdsbestek van drie uur, is een eerlijk proces onmogelijk;
Onbegrijpelijk procesbeslissing, te weten het niet ingrijpen door de rechter om deze wijze van behandeling te voorkomen, ondanks daartegen gericht verzoek. Daarmee is ook een schijn van vooringenomenheid door tijdsdruk gewekt;
Schending van de goede procesorde door het plannen van een zitting terwijl de dossiers nog niet compleet zijn, onder meer doordat (volledige) beroepsgronden en verweerschriften ontbreken;
Personele verwevenheid tussen de rechter en (voormalige) medewerkers van de Belastingdienst;
Het ontbreken van formulieren voor proceskostenvergoeding voorafgaand aan de zitting.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
De onder 2.2 genoemde gronden 1, 2 en 3 hebben betrekking op procesbeslissingen. In dit geval gaat het om procesbeslissingen die zijn genomen vóórdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Voor zover deze door de rechter, of onder haar verantwoordelijkheid zijn genomen, is het vaste rechtspraak dat procesbeslissingen op zichzelf geen grond kunnen vormen voor wraking. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of een motivering ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat nu de zitting en verdere volledige behandeling nog moet plaatsvinden het te vroeg is om te concluderen of veronderstellen dat het beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende in acht zal worden genomen.
3.3.
Ten aanzien van de gestelde personele verwevenheid gaat de wrakingskamer uit van de, niet betwiste, toelichting van de rechter dat de betreffende personen reeds zes respectievelijk tien jaar geleden de rechtbank hebben verlaten en dat nadien geen sprake is geweest van persoonlijke contacten. Onder deze omstandigheden is niet gebleken van feiten of omstandigheden die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren. Het enkele feit dat deze personen thans werkzaam zijn bij een procespartij is daartoe onvoldoende.
3.4.
Met betrekking tot het gestelde ontbreken van formulieren voor proceskosten-vergoeding overweegt de wrakingskamer dat dit geen omstandigheid is die betrekking heeft op de (on)partijdigheid van de rechter. Reeds daarom kan deze grond niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.
3.6.
De wrakingskamer ziet geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van misbruik van het wrakingsmiddel.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. T.P.E.E. van Groeningen, voorzitter, mr. S.H. Keijzer en mr. W. Loof, leden in tegenwoordigheid van de griffier [...] en in openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.