Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2778

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/3616
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.19 Invoeringswet OmgevingswetArt. 6:1 Wet ruimtelijke ordeningArt. 6:2 Wet ruimtelijke ordeningArt. 3:9 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:57 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tegemoetkoming planschade na vaststelling bestemmingsplan

Eiser heeft een verzoek ingediend om tegemoetkoming in planschade naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’. Hij stelt dat de nieuwbouw het uitzicht vanaf zijn perceel verslechtert en dat dit leidt tot waardevermindering van zijn woning. Het college heeft het verzoek afgewezen op basis van een planschadeadvies van SAOZ, waarin is vastgesteld dat de waardedaling € 10.000 bedraagt, terwijl het normaal maatschappelijk risico € 12.600 is.

De rechtbank toetst het besluit aan het oude recht, omdat de schade is veroorzaakt vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het verzoek binnen vijf jaar is ingediend. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht heeft gebaseerd op het planschadeadvies en dat eiser de juistheid daarvan niet inhoudelijk heeft bestreden. Daarnaast zijn bezwaren van eiser over het bestemmingsplan en de uitvoering van het bouwplan niet relevant voor de beoordeling van het verzoek om tegemoetkoming in schade.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om tegemoetkoming in planschade wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3616

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in planschade vanwege de vaststelling van het bestemmingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’. Eiser woont aan de [locatie 1] in [plaats] is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel het college de afwijzing van het verzoek om tegemoetkoming in schade in stand heeft kunnen laten. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 mei 2024 een verzoek om tegemoetkoming in schade bij het college ingediend.
2.1.
Het college heeft dit verzoek met het besluit van 4 februari 2025 afgewezen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Toepasselijk recht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels voor overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet als voor de inwerkingtreding van de wet schade is veroorzaakt door een bestemmingsplan (een besluit bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet ruimtelijke ordening, Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit betekent dat in dit geval de Wro nog van toepassing is.
Toetsingskader
4. Volgens vaste rechtspraak wordt voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime, die door de aanvrager als oorzaak van de schade is gesteld, in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt voor de desbetreffende gronden een vergelijking gemaakt tussen deze wijziging en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat op grond van het oude en nieuwe planologische regime is toegestaan, ongeacht of deze planologische mogelijkheden zijn benut. [2]
4.1.
De bestuursrechter moet het antwoord op de vraag of een oorzakelijk verband bestaat tussen de planologische verandering en de gestelde schade zonder terughoudendheid toetsen. Voor het geven van een antwoord op deze vraag, is geen specialistische kennis of ervaring vereist, waarover slechts een deskundige beschikt. Afdeling 6.1 van de Wro biedt slechts grondslag voor een tegemoetkoming in schade in de vorm van inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak.
4.2.
De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit op het bezwaar van eiser aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Uitzicht
5. Eiser betoogt dat hij schade lijdt omdat de nieuwbouw de bestaande zichtlijnen vanaf zijn perceel op het silhouet van het dorp blokkeert, waardoor de kerktoren vanuit zijn woning niet meer zichtbaar is.
5.1.
Het college heeft zijn oordeel gebaseerd op het planschadeadvies van SAOZ van januari 2025. Daarin is onder andere ingegaan op de gevolgen van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan voor het uitzicht van eiser. SAOZ stelt hierover vast dat de gebouwen die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt deels anders gesitueerd zijn en met name de nieuwe hoofdgebouwen een grotere bouwhoogte kunnen krijgen dan de gebouwen die voorheen in het plangebied mogelijk waren. Uit het planschadeadvies blijkt dat onder het oude planologische regime bebouwing met een hoogte van acht meter op een afstand van 60 meter mogelijk was, met mogelijke erfafscheidingen van twee meter hoog op 53 meter afstand. Onder het nieuwe planologische regime is bebouwing van tien meter hoog op een afstand van ongeveer 70 meter mogelijk, met bijgebouwen van maximaal zes meter hoog op een afstand van 53 meter. Op grond van deze verandering in de bouwmogelijkheden wordt de conclusie getrokken dat de planologische wijziging leidt tot een geringe verslechtering voor eiser vanwege de verandering in het uitzicht. Vervolgens wordt de waardedaling van de woning van eiser berekend op € 10.000. De wet bepaalt dat binnen het normaal maatschappelijk risico vallende schade voor rekening van eiser blijft. [3] In dit geval blijft het minimumforfait van 2% voor rekening van eiser, zijnde 2% van de waarde van de woning onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. [4] Dat is in dit geval € 12.600 (2% van de oude waarde van de woning, zijnde € 630.000). [5] Dat betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in schade omdat de waardevermindering van de woning minder is dan het bedrag van het normaal maatschappelijk risico.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij de besluitvorming op het verzoek van eiser heeft mogen baseren op het planschadeadvies van SAOZ. Eiser heeft niet gesteld dat het planschadeadvies onzorgvuldig tot stand is gekomen en ook is niet gebleken dat het college zich er onvoldoende van heeft vergewist dat het planschadeadvies zorgvuldig tot stand is gekomen. [6] Eiser heeft de juistheid van deze conclusies van SAOZ ook niet inhoudelijk bestreden. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat het college het verzoek om planschade niet heeft mogen afwijzen onder verwijzing naar het advies van SAOZ. De beroepsgrond slaagt niet.
Beschermd dorpsgezicht
6. Eiser betoogt dat het uitgevoerde bestemmingsplan het dorp [plaats] ontsiert. Het dorp is een van rijkswege beschermd monument, namelijk een beschermd dorpsgezicht. De nieuwbouw wordt begrensd door de [locatie 2] en de [locatie 3], wegen waaraan meerdere karakteristieke panden zijn gesitueerd. De kern van het dorp wordt begrensd door de [locatie 2], [locatie 4] en [locatie 5]. De nieuwbouw ligt in een kwetsbaar gebied grenzend aan de kern van het dorp met als breuklijn de [locatie 2] en is niet getoetst aan de genoemde cultuurhistorie.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond van eiser niet of nauwelijks betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in schade, maar vooral gericht zijn op het bestemmingsplan en het inmiddels uitgevoerde bouwplan. Het bestemmingsplan en de bijbehorende omgevingsvergunning zijn al enige tijd onherroepelijk. Het dorp [plaats] is sinds 2013 een beschermd dorpsgezicht. Die beschermde status is opgenomen in het bestemmingsplan via de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ waardoor het gebied bestemd is voor het behoud, de bescherming en het herstel van het beschermde dorpsgezicht, wat tot uitdrukking komt in de structuur en de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is in de bouwregels opgenomen dat voor karakteristieke gebouwen de hoofdvorm gehandhaafd moet worden. Bij dit woningbouwplan zijn geen karakteristieke gebouwen betrokken. Het woningbouwplan ligt ook niet direct aan karakteristieke en/of historische straten. Van ontsiering van het (beschermde) dorpsgezicht is dan ook geen sprake, aldus het college.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat deze beroepsgrond van eiser is gericht tegen het bestemmingsplan en het inmiddels uitgevoerde bouwplan en niet tegen de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in schade. Het bestemmingsplan en de daaruit voortvloeiende omgevingsvergunning zijn al enige tijd onherroepelijk. Het bestemmingsplan is vanaf 20 april 2022 onherroepelijk en de omgevingsvergunning vanaf 17 november 2022. De bedenkingen van eiser had hij kunnen indienen tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning toen die nog niet onherroepelijk waren. De rechtbank kan de bezwaren van eiser tegen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning niet betrekken bij de beoordeling van het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt. Dat gaat namelijk alleen om de beslissing op het planschadeverzoek van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Wijze van uitvoering
7. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft niet gezegd dat de uitvoering van het bouwplan totaal niet overeen komt met de planomschrijving en het beeldkwaliteitsplan. Eiser noemt dat een ‘zwijgleugen (dat wat je niet zegt of noemt!)’. Na raadpleging van de ruimtelijke plannen is eiser op het verkeerde been gezet. Hij had goot- en bouwhoogtes verwacht die vergelijkbaar zijn met die van de gebouwen aan de [locatie 2] en [locatie 3]. Eiser ervaart een veelvoud aan omissies.
7.1.
Het college stelt zich voor deze grond ook op het standpunt dat deze geen betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in schade. Wel heeft het college geconstateerd dat in de plantoelichting helaas een omissie staat. In de plantoelichting wordt nog geschreven over een respectievelijke goot- en bouwhoogte van drie en negen meter. In de planregels (het juridisch geldende deel) is dit respectievelijk zes en tien meter geworden. In de plantoelichting is dus niet de juiste tekst opgenomen ten aanzien van de rechtsgeldige regels.
7.2.
Ook voor deze beroepsgrond geldt naar het oordeel van de rechtbank dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat deze ingediend had moeten worden in de procedures over het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zoals uitgelegd onder 5.2.. Deze beroepsgrond is daarom niet van belang bij de beoordeling van het bestreden besluit. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de planregels juridisch bindend zijn en in dit geval duidelijk, zodat geen betekenis toekomt aan hetgeen in de niet bindende plantoelichting staat. [7] De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college in stand blijft en dat eiser geen tegemoetkoming in schade krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage:
De relevante wetsartikelen in de volgorde waarin er naar is verwezen.
Artikel 4.19. Invoeringswet Omgevingswet(nadeelcompensatie artikel 6.1, tweede lid, onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening)
1. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door het van kracht worden van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend, of
b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd,
en het besluit van kracht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit van kracht is geworden.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening

Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:
o
a.een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid;
o […]

Artikel 8:57 Algemene Pro wet bestuursrecht

1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

Artikel 6.2 Wet ruimtelijke ordening

1. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager.
2. In ieder geval blijft voor rekening van de aanvrager:
a. van schade in de vorm van een inkomensderving: een gedeelte gelijk aan twee procent van het inkomen onmiddellijk voor het ontstaan van de schade;
b. van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:
1°.van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of
2°.van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.

Artikel 3.9 Algemene wet bestuursrecht

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Zie de bijlage voor de wetsartikelen waarnaar wordt verwezen.
2.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, onder 4 voor de wijze van toetsen door het college, en onder 43 voor de wijze van toetsen door de rechtbank.
3.Dit blijkt uit artikel 6.2 eerste lid van de Wro.
4.Dit blijkt uit artikel 6.2 tweede lid aanhef en onder b van de Wro.
5.SAOZ heeft de woning in de oude situatie gewaardeerd op € 630.000,- en in de nieuwe situatie op € 620.000,-.
6.Zie artikel 3:9 van Pro de Awb, en de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1970 onder 4.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3201, onder 5.1.