Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2786

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 25_2408
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 19 Wet MRB 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting ongegrond verklaard

Belanghebbende was houder van een motorrijtuig waarvan het kentekenbewijs van 19 juli 2024 tot en met 24 november 2024 was geschorst. Op 24 augustus 2024 is vastgesteld dat met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. De inspecteur legde een naheffingsaanslag MRB en een verzuimboete op, welke belanghebbende betwistte.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is, ondanks dat het beroepschrift digitaal één minuut te laat was ingediend, omdat de verwijtbaarheid gering was en er onzekerheid bestond over de datum van terpostbezorging van het papieren beroepschrift. De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoud van het beroep.

Belanghebbende stelde dat het motorrijtuig gedurende de schorsingsperiode in een afgesloten loods stond en dat de controlefoto niet overtuigend was. De rechtbank vond de inspecteur aannemelijk hebben gemaakt dat het motorrijtuig op de openbare weg is gebruikt en verwierp het verweer van belanghebbende. De naheffingsaanslag en verzuimboete zijn volgens de rechtbank terecht en naar het juiste bedrag vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de aanslag en boete in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag MRB en verzuimboete wordt ongegrond verklaard en de aanslag en boete blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2408

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 april 2026

in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst/Centrale Administratieve Processen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 april 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) over het tijdvak 19 juli 2024 tot en met 19 november 2024 van € 562 en een verzuimboete van € 281 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben [persoon A] en [persoon B] namens de inspecteur deelgenomen.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving vooraf aan de rechtbank, niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft belanghebbende op 23 februari 2026 via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 18 maart 2026. De rechtbank heeft op 23 februari 2026 om 15:42 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 23 februari 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende is vanaf 6 juli 2024 tot en met 24 november 2024 houder van een grijs motorrijtuig van het merk Seat, type Leon ST, met het kenteken [kentekennummer] (het motorrijtuig).
2. Van 19 juli 2024 tot en met 24 november 2024 was de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst.
3. Op 24 augustus 2024 om 07:47 uur is geconstateerd dat met een voertuig met hetzelfde kenteken en dezelfde kleur en van hetzelfde merk en type als het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, namelijk op de A50 ter hoogte van knooppunt Grijsoord.
4. Met dagtekening 13 januari 2025 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag MRB over het tijdvak 19 juli 2024 tot en met 19 november 2024 van € 562 en een boetebeschikking van € 281 opgelegd.
5. Bij brief van 21 maart 2025 heeft de inspecteur de controlegegevens, inclusief foto, verstuurd aan belanghebbende. In die brief is het volgende vermeld:
“(…)
Foto
De foto is gemaakt door een politiecamera. Het medegebruik van de camera's is vastgelegd in een convenant tussen de Belastingdienst en de Politie. Op belastingdienst.nl vindt u informatie hierover. Op grond van artikel 77a Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 is het toegestaan om met behulp van een technisch hulpmiddel kentekengegevens te verwerken ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van deze wet.

Controlegegevens uit de vooraankondiging

Controledatum: 24 augustus 2024
Controletijdstip: 07:47 uur
Controleplaats: A50 Li 164.3 Grijsoord
(…)”
6. De inspecteur heeft in zijn uitspraak van 18 april 2025 het bezwaar ongegrond verklaard.
7. Tot de stukken van het geding behoort een brief van belanghebbende met als dagtekening 29 mei 2025, inhoudende een beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar. Deze brief is op 2 juni 2025 door de inspecteur ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking terecht en naar het juiste bedrag zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Voordat zij hieraan toekomt beoordeelt de rechtbank eerst of het beroep ontvankelijk is.

Ontvankelijkheid van het beroep

9. De ontvankelijkheid van het beroep is van openbare orde. Dat betekent dat de rechtbank uit zichzelf moet beoordelen of het beroep op tijd is ingesteld. Ook wanneer partijen, zoals in dit geval, ervan uit zijn gegaan dat het beroep tijdig is.
10. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 18 april 2025. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is daarom op 30 mei 2025 afgelopen. [1] De rechtbank heeft het digitaal ingediende beroepschrift van belanghebbende ontvangen op 31 mei 2025 om 00:01 uur. Dit betekent dat belanghebbende het beroepschrift te laat heeft ingediend en het beroepschrift in beginsel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
11. De rechtbank is in dit geval echter van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. [2] Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Vaststaat dat belanghebbende (ook) een beroepschrift met als dagtekening 29 mei 2025 bij de inspecteur heeft ingediend, wat op 2 juni 2025 door de inspecteur is ontvangen. Als dit beroepschrift uiterlijk 30 mei 2025 terpostbezorging is aangeboden, dan is het beroepschrift ontvankelijk omdat het binnen één week na afloop van de beroepstermijn is ontvangen. [3] Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting geen duidelijkheid kunnen geven over de datum van terpostbezorging van dat beroepschrift. Nu bovendien de envelop van dat beroepschrift ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen of de indiening daarvan tijdig was. Verder geldt dat belanghebbende het digitale beroepschrift slechts één minuut te laat heeft ingediend. Deze omstandigheden en het verstrekkende gevolg van een niet-ontvankelijkverklaring bij elkaar genomen, acht de rechtbank de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering. [4] De rechtbank zal daarom de termijnoverschrijding van één minuut niet aan belanghebbende toerekenen. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk.
Naheffingsaanslag MRB en boetebeschikking
12. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
13. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete onterecht zijn opgelegd. Hij heeft niet met het motorrijtuig gereden. Het motorrijtuig heeft gedurende de gehele schorsingsperiode in een afgesloten loods gestaan en de autosleutels waren tijdens die periode in bezit van belanghebbende. De controlefoto toont niet aan dat het voertuig op de foto het motorrijtuig is, dat dat voertuig in beweging was of dat belanghebbende de bestuurder van dat voertuig was.
14. De inspecteur is van mening dat hij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Uit de controlefoto blijkt dat tijdens de schorsingsperiode met het motorrijtuig van de openbare weg gebruik is gemaakt. Belanghebbende heeft geen aangifte bij de politie gedaan en daarom is volgens de inspecteur niet aannemelijk dat het gefotografeerde voertuig niet het motorrijtuig is. Wie de bestuurder van het motorrijtuig was op het moment van de constatering van het weggebruik is niet van belang, omdat de naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de houder van het motorrijtuig.
15. Degene op wiens naam een motorrijtuig in het kentekenregister is gesteld, is belastingplichtig voor de MRB. [5] MRB wordt niet geheven over de periode waarin de tenaamstelling in het kentekenregister is geschorst. [6] MRB kan wel worden nageheven indien de schorsing eindigt omdat gebruik is gemaakt van de weg. [7] In dat geval wordt de MRB nageheven over een periode van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin gebruik is gemaakt van de weg voor zover het motorrijtuig in die periode op naam heeft gestaan van de belastingplichtige. [8] Voor zover MRB over een deel van die periode is voldaan, komt dat in mindering op de na te heffen MRB. [9] Tegelijk met de naheffingsaanslag kan de inspecteur de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van 50% van de (gedeeltelijk) niet betaalde MRB tot een maximum van € 6.709. [10]
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de controlegegevens en de foto (zie punt 5), met daarop duidelijk zichtbaar de kleur, het kentekenen, merk en type personenauto, aannemelijk gemaakt dat op 24 augustus 2024 met het motorrijtuig gebruik is gemaakt van de openbare weg, terwijl de tenaamstelling van het kenteken was geschorst. Het scenario wat belanghebbende daartegenover heeft gesteld, acht de rechtbank onaannemelijk, omdat dit op geen enkele wijze met stukken, bijvoorbeeld een aangifte bij de politie, wordt ondersteund. Wie feitelijk bestuurder van het motorrijtuig was ten tijde van de constatering doet niet ter zake, omdat belanghebbende op die datum de houder van het motorrijtuig was. De inspecteur heeft dus terecht MRB nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld over de juiste tijdvakken, waarbij de inspecteur geen MRB heeft nageheven over de periode waarin het motorrijtuig nog niet op naam van belanghebbende stond (vóór 6 juli 2024) en de periode waarin het motorrijtuig wel op naam van belanghebbende stond, maar nog geen sprake was van gebruik van de schorsingsregeling (de periode gelegen tussen 6 en 19 juli 2024). De naheffingsaanslag is dus niet te hoog vastgesteld.
17. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur ook terecht een verzuimboete opgelegd. De hoogte is overeenkomstig de wet- en regelgeving vastgesteld. Belanghebbende heeft geen strafverminderende omstandigheden aangevoerd. De rechtbank dient wel te beoordelen of de verzuimboete passend en geboden is. Dat is het geval, omdat sprake is van een begunstigende regeling waar belanghebbende de voorwaarde van heeft geschonden en het boetebedrag in overeenstemming is met het verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt. De verzuimboete is dus niet te hoog.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 10 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang gelezen met artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
4.Vergelijk Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.
5.Artikel 6 in Pro samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet MRB 1994.
6.Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB 1994 in samenhang met artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
7.Artikel 35, eerste lid, van de Wet MRB 1994 in samenhang met artikel 68, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de WVW 1994.
8.Artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet MRB 1994.
9.Artikel 35, vijfde lid, van de Wet MRB 1994.
10.Artikel 37 van Pro de Wet MRB in samenhang met artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting en paragraaf 34, tweede onderdeel, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.