Art. 1:431 lid 1 sub a BWArt. 1:432 lid 2 BWArt. 1:446a BWArtikel 21 Wet Zorg en DwangArtikel 3 lid 2 sub a Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid schoondochter en instelling beschermingsbewind wegens geestelijke toestand rechthebbende
De rechtbank Gelderland behandelde op 16 maart 2026 een verzoek tot onderbewindstelling van de goederen van een dementerende en slechthorende meerderjarige, hierna de rechthebbende. Het eerste verzoek was ingediend door de rechthebbende en haar schoondochter, die benoeming van de schoondochter als bewindvoerder wensten. Het tweede verzoek kwam van zoon [zoon 1], die een professionele bewindvoerder voorstelde.
De kantonrechter oordeelde dat de schoondochter niet ontvankelijk was omdat zij niet tot de in artikel 1:432 lid 2 BWPro genoemde personen behoorde. Ook de rechthebbende werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege twijfel over haar wilsbekwaamheid, mede gelet op een recente artikel 21 WZDPro-machtiging die een instabiele situatie en dementie bevestigde.
Het tweede verzoek van zoon [zoon 1] werd wel ontvankelijk verklaard en toegewezen. De kantonrechter stelde vast dat de rechthebbende door haar geestelijke en lichamelijke toestand niet in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, wat onder bewindstelling rechtvaardigt. De voorgestelde professionele bewindvoerder werd benoemd, waarbij de jaarbeloning en aanvangsvergoeding werden vastgesteld.
De bewindvoerder moet binnen vijf jaar een evaluatie indienen over de voortzetting van het bewind. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden, uitsluitend via een advocaat.
Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek tot onderbewindstelling toe en benoemt een professionele bewindvoerder, terwijl de schoondochter en rechthebbende niet-ontvankelijk worden verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team bewind
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer: 11965179 BM VERZ 25-6739
beschikking onderbewindstelling van 16 maart 2026
op verzoek van
[zoon 1] ,
wonende te [postcode en plaats] , [straat en huisnummer] ,
hierna te noemen: verzoeker,
betreffende
[rechthebbende] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [postcode en plaats] , [straat en huisnummer] ,
hierna te noemen: rechthebbende.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift met bijlage(n), ontvangen op 11 november 2025, strekkende tot instelling van bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, ingediend door rechthebbende en [schoondochter] als verzoekers (hierna het eerste verzoekschrift);
- de aanvullende stukken ten behoeve van het eerste verzoekschrift, ontvangen op 26 november 2025, 5 december 2025 en 8 december 2025;
- het bezwaarschrift van zoon [zoon 2] , ontvangen op 17 december 2025;
- het e-mailbericht van zoon [zoon 1] , ontvangen op 14 januari 2026;
- het e-mailbericht van dochter [dochter] , ontvangen op 21 januari 2026;
- het verzoekschrift van zoon [zoon 1] , ontvangen op 17 februari 2026, strekkende tot instelling van bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende (hierna het tweede verzoekschrift);
- de bereidverklaring(en) van de voorgestelde bewindvoerder(s).
De belanghebbenden hebben de gelegenheid gehad hun mening over het (eerste) verzoek kenbaar te maken.
Het (eerste) verzoek is ter zitting op 2 februari 2026 behandeld. Ter zitting is verzoekster in het eerste verzoek [schoondochter] , levensgezel van [zoon 1] verschenen (hierna de schoondochter). [dochter] , dochter, en [zoon 1] , zoon van rechthebbende, hebben vooraf kenbaar gemaakt niet te zullen verschijnen ter zitting. Rechthebbende en haar zoon [zoon 2] zijn zonder afmelding niet verschenen.
De verzoeken
Beide verzoeken betreffen een verzoek tot instelling van een bewind voor rechthebbende. Het eerste verzoek is gedaan door rechthebbende en haar schoondochter. Zij verzoeken om benoeming van de schoondochter als bewindvoerder. Het tweede verzoek is gedaan door zoon [zoon 1] . Hij heeft verzocht om benoeming van [bewindvoerder] van het bewindvoerderskantoor [bewindvoerderskantoor] als bewindvoerder.
Het eerste verzoek heeft de instemming van [dochter] en [zoon 1] . [zoon 2] heeft bezwaar gemaakt tegen instelling van een bewind.
Het eerste verzoek is door de schoondochter ter zitting nader toegelicht.
De beoordeling
Verzoeksters eerste verzoek niet ontvankelijk
In artikel 1:432 lid 2 BurgerlijkPro Wetboek (hierna: BW) is bepaald wie een verzoek tot onderbewindstelling kunnen indienen. De schoondochter is niet ontvankelijk in haar verzoek omdat zij geen persoon is zoals genoemd in dat artikel.
Rechthebbende verblijft in een crisisopvang, nadat zij in erbarmelijke omstandigheden door de politie is gevonden in haar woning. De schoondochter heeft ter zitting aangegeven dat rechthebbende op de bezwaren van haar zoon [zoon 2] heeft gezegd, “ik heb toch niet voor niets jou gevraagd”, waaruit de kantonrechter begrijpt dat de schoondochter rechthebbende, in elk geval ten tijde van het instellen van het verzoek, wilsbekwaam acht(te). Zij heeft echter ook verklaard dat rechthebbende, die dementerend is en een delier heeft gehad, snel achteruit gaat en bovendien erg doof is. Uit de bijlage bij het tweede verzoek blijkt dat op 27 januari 2026 een zogenaamde artikel 21 WetPro Zorg en Dwang (hierna: WZD) machtiging voor haar is afgegeven door het CIZ voor opname en verblijf in een WZD instelling, waarin onder meer staat dat sprake is van een instabiele situatie die beïnvloed kan zijn door een delier of ontregelde medicatie. Gelet op die informatie is de kantonrechter van oordeel dat er te veel twijfel is of rechthebbende in staat is te overzien wat de gevolgen zijn van het verzoek en dat het niet mogelijk is dat (thans nog) afdoende te beoordelen zodat de kantonrechter haar niet zelf zal horen.
De kantonrechter zal rechthebbende eveneens niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Tweede verzoekschrift
De kantonrechter zal beslissen op het tweede verzoek. Nu dat dezelfde strekking heeft als het eerste verzoek zijn de belanghebbenden daarover niet opnieuw gehoord.
Instelling van een beschermingsbewind
In artikel 1:431 lid 1 sub a BWPro is bepaald dat de kantonrechter één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, onder bewind kan stellen indien die meerderjarige als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
Gelet op de stukken en de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk dat [rechthebbende] als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Rechthebbende is dementerend en slechthorend en niet meer in staat zelfstandig te wonen. Ze heeft een VV05 CIZ indicatie voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg en een (tijdelijke) artikel 21 WZDPro indicatie. De kantonrechter zal derhalve het verzoek toewijzen, ondanks dat zoon [zoon 2] anders denkt over de noodzaak van een bewind.
Te benoemen bewindvoerder
Ter zitting is uitleg gegeven over de taken van een bewindvoerder. De schoondochter heeft vervolgens aangegeven zich op haar bereidverklaring te willen beraden, waarna zij het tweede verzoek, van haar partner, aan de kantonrechter heeft toegestuurd waarbij zij heeft aangegeven dat zij een externe bewindvoerder bereid heeft gevonden. De kantonrechter begrijpt daaruit dat zij haar bereidverklaring intrekt.
Tegen benoeming van de voorgestelde professionele bewindvoerder bestaat geen bezwaar zodat de kantonrechter haar zal benoemen.
Overige beslissingen
De kantonrechter zal de jaarbeloning van de te benoemen bewindvoerder, inclusief onkostenvergoeding, vaststellen overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a vanPro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en de beloning van de te benoemen bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden op een bedrag van € 767,00.
De kantonrechter bepaalt dat de bewindvoerder de vijfjaarlijkse evaluatie als bedoeld in artikel 1:446a BW moet indienen op 13 maart 2031 middels het standaardformulier dat op rechtspraak.nl beschikbaar is. Daarbij moet zij zich ook uitlaten over de vraag of de maatregel moet voortduren of dat een minder ver of juist verder strekkende voorziening is aangewezen. Over feiten die voor de maatregel of het voortduren ervan van betekenis zijn moet de bewindvoerder de kantonrechter terstond informeren.
De beslissing
De kantonrechter:
- verklaart [schoondochter] en [rechthebbende] niet-ontvankelijk in hun verzoek;
- stelt de goederen, die (zullen) toebehoren aan:
[rechthebbende] onder bewind wegens haar geestelijke of lichamelijke toestand;
- benoemt tot bewindvoerder: [bewindvoerder] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , correspondentieadres: [postbus] , [postcode en plaats] ;
- stelt de jaarbeloning van de bewindvoerder vast overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub a vanPro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
- stelt de beloning van de bewindvoerder voor de aanvangswerkzaamheden vast op een bedrag van € 767,00;
- bepaalt dat de bewindvoerder op 13 maart 2031 middels het daarvoor bestemde formulier de vijfjaarlijkse evaluatie moet indienen.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.
Tegen deze beslissing kan -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
a. door de verzoeker en degenen aan wie de griffier een afschrift van deze beschikking heeft verstrekt of verzonden:
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat deze beschikking hun op