Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2818

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/1158
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8.0a BklArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente ElburgArt. 3.2.1 bestemmingsplanArt. 2:12 Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor hekwerk milieustraat op bedrijventerrein

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg aan een derde-partij voor het plaatsen van een hekwerk als erfafscheiding en het wijzigen van een uitrit bij een milieustraat op een bedrijventerrein. Omwonende bedrijven hebben beroep ingesteld tegen deze vergunning, stellende dat het hekwerk niet vergund kan worden omdat het bouwperceel niet voldoet aan de maximale oppervlakte en minimale bebouwingspercentage volgens het bestemmingsplan.

De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning terecht heeft verleend. Het hekwerk valt onder een binnenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het bestemmingsplan erfafscheidingen tot twee meter hoog toestaat zonder koppeling aan de oppervlakte of bebouwingspercentage van het bouwperceel. De vergunning voor het hekwerk is daarmee niet in strijd met het omgevingsplan. De bezwaren van eisers dat het bouwperceel onrechtmatig is en dat een afwijkingsvergunning nodig zou zijn, worden verworpen omdat de erfafscheiding geen invloed heeft op de bouwperceelsgrenzen en het bestemmingsplan.

De rechtbank laat het deel van de vergunning dat ziet op de uitrit onbesproken omdat daartegen geen beroepsgronden zijn aangevoerd. Eisers waren niet aanwezig bij de zitting en hun beroep wordt ongegrond verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand, en eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier S.G. Hoijinck.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het hekwerk is ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1158

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] U.A.;

[eiser 1] B.V.;
[eiser 2] B.V.;
[eiser 3] B.V.;
[eiser 4] B.V.;
[eiser 5] B.V.;
[eiser 6] B.V.,
allen gevestigd in [plaats], eisers
(gemachtigde: mr. L. Bolier),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg

(gemachtigden: mr. A. van der Werf en P. Seitz).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Elburg

(gemachtigde: mr. A. Weelink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan de derde-partij verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een hekwerk als erfscheiding en het wijzigen van een uitrit voor de milieustraat [naam milieustraat] in [plaats]. Eisers zijn het niet met die vergunning eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Het beroep is ongegrond en eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 2 juli 2024 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een erfafscheiding en het realiseren van een uitweg. Met het bestreden besluit van 29 januari 2025 op de bezwaren van eisers is het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. [1] Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij. Namens eisers was niemand op de zitting aanwezig. De gemachtigde van eisers heeft de rechtbank kort voorafgaand aan de zitting bericht dat hij niet zou verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij heeft op het industrieterrein, aan de [locatie] in [plaats], [2] de milieustraat [naam milieustraat] (hierna: de milieustraat) gerealiseerd. Deze is met ingang van 1 januari 2025 operationeel. In dat kader heeft het college, op aanvraag van de derde-partij, op 2 juli 2024 een omgevingsvergunning [3] aan de derde-partij verleend voor de activiteiten ‘het plaatsen van hekwerken als erfafscheiding’ [4] van het terrein van de milieustraat en ‘het maken of veranderen van een uitweg’ [5] .
3.1.
Eisers, die allemaal gevestigd zijn in de directe omgeving van de locatie van de milieustraat, zijn het niet eens met deze vergunning, omdat in hun ogen een dergelijk hoog hekwerk niet kan worden vergund om een perceel dat niet aan de maximale afmetingen en het minimale bebouwingspercentage voldoet. In de beslissing op bezwaar van 29 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. Eisers zijn hiertegen in beroep gekomen.
3.2.
De derde-partij laat in haar reactie weten verbaasd te zijn over het beroep van eisers tegen de vergunning voor het plaatsen van een hekwerk om het terrein van de milieustraat. Een hekwerk voorkomt namelijk het betreden van de milieustraat door onbevoegden, wat uit het oogpunt van veiligheid, vernielingen en diefstal onwenselijk is. Daarmee wordt bijvoorbeeld bijgedragen aan het doel van de [eiseres] U.A. [6] om ten behoeve van haar leden een schoon, heel en veilig bedrijventerrein tot stand te laten komen en in stand te houden.
3.3.
Omdat eisers geen beroepsgronden hebben aangevoerd tegen het maken of veranderen van de uitweg zal de rechtbank dat deel van de verleende vergunning onbesproken laten.
Wettelijk kader
3.4.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente vanaf dat moment direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [7] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
3.5.
Voor het perceel [locatie] in [plaats] was voor 1 januari 2024 het uitwerkingsplan ‘[naam bestemmingsplan]’ (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Dit plan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Elburg (hierna: het omgevingsplan). Volgens de verbeelding van het bestemmingsplan heeft het voornoemde perceel de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’.
3.6.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. [8] Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (hierna: Ow) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent.
3.7.
In artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan van de gemeente Elburg staan de beoordelingsregels voor een aanvraag om een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
3.8.
Artikel 3.2.1 van het bestemmingsplan luidt voor zover relevant als volgt:
“Voor bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
[…]
c.
de grondoppervlakte van een bouwperceel mag niet minder bedragen dan 1.000 m2 en niet meer bedragen dan 5.000 m2;
d.
de bebouwde oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag per bouwperceel niet minder bedragen dan 250 m2 en niet minder dan 25% van de oppervlakte van het bouwperceel;
[…]
j.
de hoogte van andere bouwwerken bedraagt maximaal:
1.
erfafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van de gebouwen: 1 meter;
2.
overige erfafscheidingen: 2 meter;
3.
overige andere bouwwerken binnen het bouwvlak: 10 meter.
[…]”
Het bouwperceel als zodanig is niet toegestaan
4. Eisers betogen dat geen vergunning kan worden verleend voor hekwerken die bedoeld zijn voor de afsluiting van een onrechtmatig bouwperceel. Daartoe voeren eisers aan dat het bouwperceel waarop de milieustraat is gevestigd in strijd is met bestaande regelgeving, omdat het de maximaal toegestane grondoppervlakte van een bouwperceel van 5.000 m2 overschrijdt en het niet voldoet aan het minimale bebouwingsvereiste van 25%. [9] Volgens eisers heeft het college dit niet onderkend.
4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het ter discussie stellen van het bestaan van de milieustraat, door te wijzen op de omvang van het perceel, een gepasseerd station is. De omgevingsvergunning voor het op die plek realiseren van een milieustraat is verleend en inmiddels onherroepelijk. Verder brengt het college naar voren dat de door eisers aangevoerde maatvoeringsvereisten van toepassing zijn op gebouwen en niet op inrichtingselementen, zoals in dit geval de hekwerken.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.3.
De rechtbank begrijpt het betoog van eisers zo dat ze stellen dat met de vergunning voor de erfafscheiding het bouwperceel te groot wordt en in die zin een omgevingsvergunning verleend moeten worden om te mogen afwijken van het omgevingsplan.
4.4.
Het college heeft met toepassing van artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan en artikel 3.2.1, aanhef en sub j, onder 2, van de planregels van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning verleend voor de plaatsing van een hekwerk van twee meter hoog om het terrein van de milieustraat.
4.5.
Dit is een binnenplanse omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, in combinatie met de definitie in de bijlage.
In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat in artikel 3.2.1 van de planregels van het bestemmingsplan de bouwregels zijn opgenomen voor de als 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden. Op grond van artikel 3.2.1, aanhef en sub j, van de planregels zijn erfafscheidingen rond het terrein toegestaan. Deze bepaling bevat namelijk enkel voorschriften met betrekking tot de hoogte van de erfafscheiding. Voor het mogen plaatsen van een erfafscheiding wordt in deze bepaling geen link gelegd met de oppervlakte van het bouwperceel of een minimaal bebouwingspercentage. De rechtbank begrijpt artikel 3.2.1, aanhef en sub j, onder l en 2, van de planregels van het bestemmingsplan, gelezen in samenhang met elkaar, zo dat als er geen (bedrijfs)gebouw aanwezig is op het bouwperceel (enkel) het bestemmingsplanvoorschrift van artikel 3.2.1, aanhef en sub j, onder 2 geldt. Dat betekent dat ook in die situatie er een erfafscheiding mag worden geplaatst op het bouwperceel en dat deze maximaal twee meter hoog mag zijn. Nu in dit geval geen gebouw maar wel een erfafscheiding van twee meter hoog is voorzien, oordeelt de rechtbank dat deze situatie zich in deze zaak voordoet. Het college heeft de beoogde erfafscheiding daarom terecht als een binnenplanse omgevingsplanactiviteit vergund.
4.7.
Voor zover eisers betogen dat ook voor afwijking van het bouwperceel een vergunning had moeten worden verleend voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, overweegt de rechtbank dat de vergunde erfafscheiding geen invloed heeft op het bouwperceel dat het bestemmingsplan voorschrijft; namelijk een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge de regels een zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. [10] En voor zover eisers menen dat de milieustraat feitelijk niet voldoet aan of in strijd is met het tijdelijk deel van het omgevingsplan, valt dat buiten de omvang van het geding want dat is een kwestie van handhaving.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op de zitting is ook het beroep van eisers tegen een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee weegbruggen in de milieustraat (zaaknummer ARN 25/1661) behandeld. Hierin doet de rechtbank apart uitspraak.
2.Kadastraal bekend als gemeente Elburg, sectie [sectie] nummer [nummer].
3.Als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
4.Omgevingsplanactiviteit ‘bouwen en gebruiken van een bouwwerk’ in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Elburg.
5.Omgevingsplanactiviteit ‘uitweg maken of veranderen’ in de zin van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg en artikel 22.8 van de Omgevingswet.
6.Waar de derde-partij als eigenaar van de milieustraat ook zelf lid van is.
7.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
8.Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
9.Zie artikel 3.2.1.c en artikel 3.2.1.d van de planregels van het bestemmingsplan.
10.Artikel 1.22 van de planregels van het bestemmingsplan.