2.21.Op 24 februari 2026 heeft [de eiseres] de volgende brief met als onderwerp ‘Reactie op, en bezwaar tegen, de inhoud van de brieven d.d. 28 januari 2026 en 12 februari 2026’ naar [bestuurder 1] gestuurd (productie 17 bij dagvaarding):
“(…) Onder verwijzing naar de recente gebeurtenissen, bericht ik je als volgt.
Wij hoeven het binnen Groeisaam niet altijd met elkaar eens te zijn. We zijn een stichting waar je een afwijkend standpunt mag inbrengen. Dat kan juist omdat onze (werk) relatie zo goed is. In dat licht onderstaande inhoud.
De actuele situatie, waarin je mij al op 23 januari 2026 hebt medegedeeld dat ik per 1 maart aanstaande niet meer mijn functie als directeur op locatie De Peppel mag uitoefenen, is nog zonder concreet uitzicht op het vervolg. Ook het door jou aangekondigde vervolggesprek op 2 maart aanstaande geeft mij helaas nog geen concreet perspectief. Verder heb je in de twee brieven van 28 januari 2026 en van 12 februari 2026 daarover nog niets opgenomen.
Onderstaand zal ik eerst reageren op deze twee brieven die je mij hebt toegezonden, en sluit ik af met het verzoek om mij uiterlijk 28 februari 2026 het voorstel tot plaatsing en aangepaste arbeidsovereenkomst per e-mail toe te sturen. Bij het uitblijven daarvan ben ik helaas genoodzaakt een wedertewerkstellingsprocedure bij de kantonrechter te beginnen. Zoals je zal begrijpen kan ik de datum van 1 maart 2026 niet zonder meer laten passeren. Vanuit goed werkgeverschap en goed bestuur zal je dit met mij eens zijn.
Onderstaand is overigens niet limitatief, hetgeen inhoudt dat ik daarmee dus niet de rest van de inhoud van je brieven per definitie zou kunnen steunen of bevestigen. Dat zit soms in kleine details zoals het gebruik van het woord ‘voorbeelden’ in je brief van 12 februari 2026. Je gebuikt daar per ongeluk een meervoudsvorm, terwijl je maar één voorbeeld hebt genoemd.
Reactie op de brief d.d. 28 januari 2026
Onderstaand een aantal passages uit je brief van 28 januari 2026, waar ik op dit moment wat specifieker op in zou willen gaan.
“Je hebt aangegeven datje het niet eens bent met het onderzoek en het rapport. Je herkent je niet in de uitkomsten van het rapport. We hebben dit al met elkaar besproken.”
Deze passage is niet juist. Wij hebben nog niet met elkaar besproken of ik mij wel of niet herken in de uitkomsten van het rapport, voor zover die over mij gaan. Ik heb vragen gesteld en een zienswijze geformuleerd over de onderzoeksvraag, de onderzoeksopzet, de uitvoering daarvan en het daarop gebaseerde rapport. Ook maandag 9 februari 2026 sprak je in ons gesprek over ‘feiten’ die over mij in het rapport staan. Het rapport zelf had je ook op tafel liggen, waarnaar je verwees. ‘Feiten’ veronderstelt een feitenonderzoek, en dat was het mijns inziens niet. Zoals je weet ben ik nog op dat punt, en dus nog niet toe aan de inhoud over mij. Daarbij gaf je maandag 9 februari 2026 in ons gesprek ook zelf aan dat je de inhoud van het rapport over mij verrassend vond, Ik denk daaruit te kunnen afleiden dat ook jij vragen hebt, net als ik. Ik had je eerder ook voorgesteld om samen met mij die vragen te onderzoeken, en daar expertise op te raadplegen. Op dat voorstel heb je nog niet gereageerd. Ik hoop dat we daar toch een vervolg aan kunnen geven, en kan dan ook uitkijken naar ons gesprek met een deskundige over de interpretatie van het onderzoek en het daarop gebaseerde rapport.
In het verlengde daarvan heb ik ook nog een vraag over je opmerking van maandag 9 februari 2026. Je vertelde dat de feiten in het rapport zijn opgetekend door minimaal 5 personen. Dit houdt ook in dat er 26 personen wat anders hebben aangegeven. Mijn vraag is dan ook wat die andere 26 teamleden dan ingebracht hebben? Waarom is ook die weergave niet opgenomen in het rapport? Een andere vraag zou zijn waarom de grens op 5 personen ligt, om iets over mij in het rapport op te nemen. Waarom geen 4 of 6? En ligt die grens ook op alle andere onderwerpen, of alleen op mij? Zijn het daarbij steeds ongeveer dezelfde personen, wiens inbreng ik teruglees in het rapport? En zo heb ik nog veel meer vragen en verwonderingen die om een antwoord vragen, voordat wij tot een goede interpretatie van de inhoud kunnen komen.
Wat hieruit ook zou kunnen blijken is dat mogelijk niet is voldaan aan je volgende passage:
“Daarbij is het niet aan mij en aan jou om de uitkomsten van het onderzoek ter discussie te stellen. Het is de rol van de onderzoeker om het onderzoek zorgvuldig uit te voeren en de uitkomsten van het onderzoek weer te geven zoals deze ook door de geïnterviewden aan haar zijn verwoord.”
Ik ben het voor een deel helemaal met deze passage eens, namelijk het zorgvuldig uitvoeren van het onderzoek en het met onderzoekende distantie weergeven van de uitkomsten zoals deze door de (alle) geïnterviewden zijn verwoord. Ik denk goed onderbouwd te hebben dat ik hier vragen over heb. Het is daarbij juist wel aan jou, als opdrachtgever en bestuurder, om daarop toe te zien. Temeer je daar door mij uitgebreid en indringend op bent geattendeerd. Ik mag daar als medewerker van Groeisaam goed werkgeverschap in verwachten.
“Ik heb je daarom op vrijdag 23 januari 2026 gebeld en gevraagd deze week niet op school te verschijnen. Jij gaf aan toch te willen komen.”
Deze passage is niet volledig. Je had vrijdag 23 januari 2026 het besluit genomen dat ik geen directeur van De Peppel meer mocht zijn, en dat ik ook niet meer op school aanwezig mocht zijn. Jouw voorstel aan mij was dat je mij op dat moment wilde “vrijstellen van werk”. Ik heb daar verbaasd op gereageerd, want ik kan gewoon werken. Daarop bracht ik de optie in om thuis te werken. De optie van thuis werken heb je vervolgens overgenomen en in besloten. Vervolgens heb je jouw besluit met het team van De Peppel gecommuniceerd.
“Wij hebben met elkaar besproken dat er onvoldoende draagvlak is binnen het team voor jou om als directeur op De Peppel te blijven werken.”
Ook hier kijk ik anders naar. Het team van De Peppel is niet betrokken geweest bij het verkennen van enig draagvlak jegens mij, en is daar ook niet op bevraagd. Er heeft op woensdag 21 januari 2026 een terugkoppeling van het rapport plaatsgevonden aan alleen drie bouwcoördinatoren. In aanwezigheid van jou, de onderzoeker en mijzelf. Het gehele verslag werd door de onderzoeker voorgedragen, overigens tegen mijn uitdrukkelijke wens en toestemming in voor zover de passages over mijn persoon zouden gaan. De drie bouwcoördinatoren hebben vervolgens individueel een gesprek met jou gevoerd en bedenktijd gekregen tot en met vrijdag 23 januari 2026. Die bedenktijd ging over het commitment dat je aan de drie bouwcoördinatoren gevraagd hebt om met elkaar de schouders eronder te zetten. Vooraf had je aan mij dat commitment al gevraagd, en uiteraard volmondig gekregen. Een niet onbelangrijk detail daarbij is dat twee van deze drie bouwcoördinatoren directe betrokkenheid hadden bij de aanleiding voor het onderzoek waar je de opdracht toe gegeven hebt, namelijk mijn interventie op 1 december n.a.v. de toelichting op Deep Democracy. De twee meldingen, die aan de basis staan van de achteraf aangepaste opdracht tot dit onderzoek, zien direct toe op mijn interventie op het gedrag van deze twee bouwcoördinatoren. Een interventie ter bescherming van een ander teamlid die meerdere keren had aangegeven zich bij dat gedrag onveilig te voelen.
Het team van De Peppel heeft, naar aanleiding van het rapport, geen betrokkenheid gehad bij het verkennen van draagvlak voor mij als directeur van De Peppel. Je had het team al medegedeeld dat ik de week van 26 januari 2026 thuis zou werken, terwijl het team op dat moment nog nergens enige kennis van had. Daarbij heb je mij niet toegestaan om bij de terugkoppeling van het rapport aan het team aanwezig te zijn op woensdag 28 januari 2026, ondanks mijn indringende wens daartoe. Je hebt aan het team kenbaar gemaakt dat ik per 1
maart 2026 geen directeur van De Peppel meer zal zijn, en een nieuwe invulling van mijn werkzaamheden binnen Groeisaam zou gaan krijgen. Zelfs de onderzoeker had daar in haar metafoor, die ze aan het team zou gaan voorgedragen, al in voorzien: ‘de dirigent is van de bok gestapt’. Het onderzoek en het rapport is daarna als objectief, betrouwbaar en valide aan de aanwezige teamleden gepresenteerd, zonder melding te maken van mijn ingebrachte bedenkingen daarover.
“In de tussenliggende tijd ga ik samen met jou en met HR op zoek naar een andere passende functie van directeur binnen Groeisaam. Mocht dit niet lukken dan gaan we in gesprek over andere mogelijkheden.”
“Ik benadruk nogmaals dat het mijn intentie is om voor jou binnen Groeisaam een andere plek te vinden waarbij je je verbeterpunten kunt oppakken en verder kunt ontwikkelen. Jouw mail d.d. 27 januari 2026 is hierbij niet helpend en door jouw stellingname lijkt bovenstaande onder druk te komen staan”
Ik kijk hier wat anders naar. Vanuit jouw perspectief als bestuurder, en tegen mijn commitment in, heb je besloten dat ik per 1 maart 2026 moet stoppen als directeur op De Peppel. De afspraak was en is daarbij dat ik per 1 maart 2026 een andere functie binnen Groeisaam op mijn functieniveau zou krijgen. Dat is ook op deze wijze meerdere keren gecommuniceerd. Er is op geen enkele wijze sprake geweest dat we in gesprek zouden gaan over “andere mogelijkheden, als dat niet zou lukken”. Concreet is door jou aan mij de vraag gesteld of ik per 1 maart 2026 als interim-directeur binnen Groeisaam verder zou willen, een nieuwe functie binnen Groeisaam. Een uitdaging die ik graag aanvaard. Overigens liggen er anders nog zeker wel 4 of 5 andere mogelijkheden op tafel. Maandag 9 februari 2026 hebben we over mijn toekomst gesproken. Vanaf 1 maart 2026 had je geen werk en functie beschikbaar, zo gaf je aan. Desgevraagd gaf je aan dat zelfs het eenzijdig opzeggen van mijn arbeidscontract van de zijde van de werkgever tot de mogelijkheden kan behoren. Dat bleek op maandag 9 februari 2026 allemaal onder de noemer “andere mogelijkheden” te vallen.
Maandag 9 februari 2026 heb je ook aangegeven dat je voorwaarden stelt aan een andere functie binnen Groeisaam. Je wil eerst op basis van het rapport mijn verbeterpunten benoemen voordat er, en eventueel, een andere werkplek in beeld zou kunnen komen. Je wil daarbij eerst bekijken of er wel een passende functie is om aan die verbeterpunten te kunnen werken. Je hebt mij daarbij maandag 9 februari 2026 bevraagd op wat mijn verbeterpunten zijn op basis van het rapport. Ik heb toen wederom aangegeven dat ik nog niet aan de inhoud van het rapport toe ben, en de redenen daarvoor op hoofdlijnen herhaald. In elk geval sta ik open voor een verbetertraject. Ik heb daarbij weer gezegd dat ik altijd zeer kritisch ben op mijn eigen functioneren en dat mijn persoonlijke ontwikkeling altijd mijn drijfveer is. Verder heb ik herhaald dat ik hiermee continu aan de slag ben.
Waar ik nog een vraag over heb is dat je in deze passage stelt dat mijn email van 27 januari 2026 niet helpend is, en bij jou je intentie voor een andere plek voor mij binnen Groeisaam onder druk zet. Ik heb hier een vraag over, want staat hier dat ik binnen Groeisaam niet open en vrij mag en kan spreken? In het geval ik een kritische inbreng heb, komt er dan druk te staan op een plaatsing op een andere functie binnen Groeisaam? Ik heb veel moeite om een juiste interpretatie aan deze zin te geven, en heb daar dus een vraag over. Juist vanwege de prettige (werk) relatie die wij hebben, begrijp ik niet goed wat daar staat. Een relatie die het wat mij betreft juist mogelijk maakt om open en eerlijk naar elkaar te zijn, zonder enig gevaar voor consequenties vanuit jou als mijn leidinggevende.
Reactie op de brief d.d. 12 februari 2026
Ook op deze brief heb ik een aantal vragen en opmerkingen. Je geeft aan dat vanuit mijn kant een constructieve opstelling ontbreekt, terwijl ik toch echt bij je heb aangegeven dat ik juist bereid ben mee te denken richting een oplossing. Zelfs het aanvaarden van een andere passende functie binnen Groeisaam, ben ik bereid te onderzoeken. Ook voor een verbetertraject, dat mij overigens tot op heden niet is aangeboden, sta ik open.
Ik ben dan ook verbaasd dat je op meerdere plekken in je brief aangeeft dat ik (a) niet constructief zou zijn en (b) te willen vertrekken bij Groeisaam. Daar is geen sprake van. Dus nogmaals: Ik wil helemaal niet vertrekken; ik sta (en stond) open voor de dialoog over de onderzoeksresultaten, en ik sta (als gezegd) op jouw verzoek ook open voor de door jou voorgestelde functie als interim-directeur binnen Groeisaam.
Concreet nam ik met verbazing kennis van onder andere je volgende opmerkingen in je brief:
“Vanuit jouw kant ontbrak het voor mij aan een constructieve opstelling én de wil om hier samen uit te komen.”
“Ik kan vanwege het bovenstaande bijna geen andere conclusie trekken dan dat jij niet in dienst wilt blijven bij Groeisaam.”
“Je blijft alles in twijfel trekken”
Gelet hierop constateer ik dat je (vergaande) conclusies trekt over mijn bedoelingen. Dat gaat zelfs zover dat je meent dat ik zou willen vertrekken. Nogmaals, daar is geen enkele sprake van, Ik trek ook niet alles in twijfel. Ik heb wel een onderbouwde kritische inbreng, vragen en opmerkingen over het onderzoek en het op dat onderzoek gebaseerde rapport.
Ook in je afrondende passage stel je zaken die ik anders zie. Zo schrijf je:
“Wellicht ten overvloede wijs ikje erop dat de afspraak dat jij niet meer terug zult keren bij De Peppel door jou en mij samen is genomen en niet alleen door mij. Er is hier dus geen sprake van een besluit maar van een gezamenlijke afspraak.”
Op mijn beurt merk ik op dat het niet gaat om een gezamenlijk besluit. Het bestuur van Groeisaam heeft besloten dat ik vanaf 1 maart 2026 moet stoppen als directeur van locatie De Peppel, terwijl ik mijn commitment had uitgesproken, en nog steeds heb, om aan te blijven.
Nogmaals merk ik dan ook op dat ik graag aan wil blijven in mijn eigenlijke functie als directeur van locatie De Peppel. Als oplossing, en op jouw verzoek, ben en blijf ik bereid te onderzoeken of ik niet elders binnen Groeisaam aan de slag kan gaan, bijvoorbeeld op de door jou voorgestelde functie van interim-directeur. Uiteraard zal ook dan, zoals je mij kent, mijn persoonlijke ontwikkeling een van mijn drijfveren zijn en blijven. Op mijn studie veranderkunde bij de Academische Opleidingsschool Groningen had je al je instemming gegeven. Verder heb ik, ook tijdens ons gesprek van 9 februari 2026, al meerdere keren de 360 graden feedback benoemd en is dit via de AVS door mij in gang gezet. Ik begrijp dan ook niet dat je in je brief van 9 februari 2026 hebt opgenomen dat ik niet bereid zou zijn om te leren en mij verder te willen verbeteren.
Verzoek
Gelet op het hiervoor overwogene verzoek ik je om mij uiterlijk 28 februari 2026 een voorstel toe te sturen om per 1 maart 2026 elders binnen Groeisaam aan de slag te gaan. Als ik niet, of niet tijdig, hierop een reactie ontvang, zal ik helaas genoodzaakt zijn om mij te wenden tot de kantonrechter, alwaar ik wedertewerkstelling zal verzoeken. Volledigheidshalve meld ik uitdrukkelijk dat ik beschikbaar ben voor werk.
Zoals gezegd kan ik 1 maart 2026 aanstaande niet zonder meer laten passeren, je zal dat begrijpen. We hebben altijd fijn samengewerkt en ik heb alle vertrouwen in een verdere toekomst bij Groeisaam. De nu ontstane onduidelijkheid is volgens mij eenvoudig op te lossen, en hoeft niet onnodig langer voort te duren.
(…)”