ECLI:NL:RBGEL:2026:2920

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12122230 \ VV EXPL 26-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • A.J. Weerkamp - Beens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:228 lid 2 BWArt. 7A:1777 BWArt. 6:215 BWArt. 556 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming gehuurde grond en schuren na rechtsgeldige opzegging huurovereenkomst

In deze kortgedingprocedure vordert de eiser ontruiming van een stuk grond en twee schuren die de gedaagde sinds 1 november 2021 huurt en gebruikt voor het verblijf van paarden en opslag. De huurovereenkomst is per 1 januari 2026 rechtsgeldig opgezegd vanwege overdracht van het perceel aan een nieuwe eigenaar.

De gedaagde betwist de opzegging en beroept zich op een mondelinge afspraak dat zij mocht blijven tot de feitelijke sloop, maar deze afspraak is niet onderbouwd en niet vastgesteld. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst als een gemengde overeenkomst: een huurovereenkomst voor de grond en een bruikleenovereenkomst voor de schuren.

De opzegging is conform artikel 7:228 lid 2 BW Pro gedaan met inachtneming van de opzegtermijn. De maatschappelijke waarde van de paardenwei weegt niet zwaarder dan het belang van de eiser bij ontruiming. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van vier weken om de gedaagde gelegenheid te geven een alternatieve verblijfplaats te vinden.

De machtiging tot zelf ontruimen en de dwangsom worden afgewezen. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €955,02. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en de schuren binnen één maand na betekening van het vonnis.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12122230 \ VV EXPL 26-25
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: R.M. Terrahe h.o.d.n. Terrahe Jurist,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 13 maart 2026 met producties en de aanvullende producties die door [de eiser] op 19 maart 2026 zijn gestuurd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. [de eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Daarnaast is [de gedaagde] in persoon verschenen tezamen met mevrouw [betrokkene] . Door [de gedaagde] zijn direct voorafgaand aan de mondelinge behandeling (bij de bode) nog een aantal producties ingediend. Van hetgeen ter zitting is besproken is door de griffier aantekening gemaakt.
1.3.
Tot slot is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[de eiser] vordert, in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de gedaagde] te veroordelen om het gehuurde en de in gebruik zijnde schuren te ontruimen binnen drie dagen na betekening van het vonnis, dan wel een door de kantonrechter te bepalen termijn;
II. [de eiser] te machtigen om, indien [de gedaagde] niet binnen de hiervoor genoemde termijn gehoor geeft aan het vonnis, datgene te bewerkstelligen, althans door een deurwaarder te doen bewerkstelligen waartoe [de gedaagde] uit hoofde van het vonnis gehouden is, voor rekening van [de gedaagde] ;
III. [de gedaagde] te veroordelen tot voldoening van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [de gedaagde] nalaat gevolg te geven aan het vonnis, dan wel een door de kantonrechter te bepalen dwangsom;
IV. [de gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de gedaagde] huurt sinds 1 november 2021 van [de eiser] een stuk grond gelegen aan het adres [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) tegen een overeengekomen huurprijs van € 25,- per maand. [de gedaagde] gebruikt het gehuurde voor het verblijf van één dan wel enkele paarden/pony’s. Daarnaast heeft [de gedaagde] ook twee aan het gehuurde grenzende schuren in gebruik voor de opslag van verzorgingsmateriaal/voeding/hooi. Het gehuurde maakt onderdeel uit van het door [de eiser] van Stichting SLAK Ateliers gehuurde. Op haar beurt huurt Stichting SLAK Ateliers het door [de eiser] gehuurde van Bouwbedrijf Kreeft B.V.
2.3.
Bij deurwaardersexploot van 28 november 2025 heeft [de eiser] de huurovereenkomst met [de gedaagde] per 1 januari 2026 opgezegd. Daarbij is gemeld dat het perceel op korte termijn door Bouwbedrijf Kreeft B.V. wordt overgedragen aan de nieuwe eigenaar Vereniging De Hemelbestormers, waarna het perceel en de opstallen worden ontwikkeld/verbouwd. [de gedaagde] is bij het deurwaardersexploot verzocht het gehuurde en de in gebruik zijnde schuren in verband met het voorgaande vóór 1 januari 2026 leeg en bezemschoon op te leveren, maar zij heeft daar geen gehoor aan gegeven.
2.4.
[de eiser] stelt zich op het standpunt dat de huurovereenkomst tussen partijen betrekking heeft op een onbebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 7:228 lid 2 BW Pro. Dat [de gedaagde] ook twee schuren in gebruik heeft doet daar volgens [de eiser] niet aan af, nu het gebruik daarvan geheel subsidiair is aan het gebruik van de paardenwei. De huurovereenkomst is door [de eiser] rechtsgeldig opgezegd. Een grond voor opzegging is uit hoofde van artikel 7:228 lid 2 BW Pro namelijk niet vereist en de geldende opzegtermijn is daarnaast in acht genomen. [de gedaagde] heeft het gehuurde en de schuren per 1 januari 2026 echter niet leeg en bezemschoon opgeleverd en gebruikt deze sindsdien zonder recht of titel. Het voorgaande is dan ook reden voor [de eiser] om in deze procedure de ontruiming van het gehuurde en de schuren te vorderen.
2.5.
Het spoedeisend belang is er volgens [de eiser] in de eerste plaats in gelegen dat [de gedaagde] het gehuurde sinds 1 januari 2026 zonder recht of titel gebruikt en er daarnaast door buren (weer) melding is gemaakt van de aanwezigheid van ratten. In de tweede plaats geldt dat [de gedaagde] , door niet tot ontruiming over te gaan, de overdracht van het perceel aan Vereniging De Hemelbestormers blokkeert/frustreert.
2.6.
[de gedaagde] voert verweer, waarbij zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] . In dit verband brengt [de gedaagde] naar voren dat zij met [de eiser] in 2022 mondeling is overeengekomen dat zij tot aan de feitelijke sloop zou mogen blijven zitten en dat zij tot deze maand ook gewoon de huur heeft betaald. Een concrete datum voor de sloop is er volgens [de gedaagde] (nog) niet, zodat zij op basis van de gemaakte afspraak gerechtigd is gebruik te blijven maken van het gehuurde. [de gedaagde] wijst daarnaast op het grote maatschappelijke belang van de paardenwei voor de buurt.
2.7.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Vooropgesteld wordt, dat hoewel [de eiser] ter zitting bezwaar heeft gemaakt tegen de late indiening van producties door [de gedaagde] , dit niet leidt tot het geheel buiten beschouwing laten daarvan. In dit kader wordt overwogen dat deze producties weliswaar niet overeenkomstig de in het procesreglement kort geding genoemde termijn van uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling zijn ingediend, maar dat, mede gelet ook op de inhoud van deze producties, niet is gebleken dat [de eiser] hierdoor onredelijk in zijn belangen is geschaad.
Kernvraag en uitkomst
3.2.
Kern van het geschil betreft de vraag of [de gedaagde] sinds 1 januari 2026 zonder recht of titel gebruik maakt van het stuk grond gelegen aan het adres [adres] te [plaatsnaam] en de daaraan grenzende schuren, en of zij gehouden is tot de ontruiming daarvan over te gaan. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dit voorlopig oordeel hierna verder toe.
Beoordelingskader kort geding
3.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Kwalificatie overeenkomst
3.4.
Voor de beoordeling van de vraag of [de gedaagde] al dan niet zonder recht of titel gebruik maakt van het stuk grond en de schuren, dient te worden vastgesteld of de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is opgezegd. Onder welke omstandigheden en op welke wijze de overeenkomst kan worden opgezegd, hangt weer af van hoe de overeenkomst dient te worden gekwalificeerd.
3.5.
[de eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat partijen een (mondelinge) huurovereenkomst hebben gesloten ten aanzien van het stuk grond en dat hij het [de gedaagde] daarnaast, zo begrijpt de kantonrechter ‘om niet’, heeft toegestaan gebruik te maken van twee aangrenzende schuren. Daarbij heeft [de eiser] erop gewezen dat het gebruik van deze schuren geheel subsidiair is aan het stuk grond dat wordt gebruikt als paardenwei.
3.6.
[de gedaagde] heeft het voorgaande als zodanig niet weersproken, zodat de kantonrechter in deze procedure uitgaat van de juistheid daarvan. Dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat sprake is van een gemengde overeenkomst, bestaande uit een huurovereenkomst met betrekking tot een onbebouwde onroerende zaak, te weten de grond, en een bruikleenovereenkomst (artikel 7A:1777 BW) met betrekking tot de schuren. Artikel 6:215 BW Pro bepaalt dat indien een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere overeenkomsten, de voor elk van die soort gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing zijn op de overeenkomst, behoudens voor zover deze bepalingen niet verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.
3.7.
Nu daarnaast vast staat dat de overeenkomst tussen partijen, na aanvankelijk te zijn aangegaan voor één jaar, nadien (voor onbepaalde tijd) is verlengd, kan voorts gesproken worden van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Opzegging overeenkomst
3.8.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:228 lid 2 BW Pro is het uitgangspunt dat een huurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. In principe is geen grond voor opzegging vereist. In verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, kan echter gelden dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Deze bepaling is van regelend recht.
3.9.
Volgens [de gedaagde] bestond er tussen partijen een mondelinge afspraak ten aanzien van de beëindiging van de huur, inhoudende dat zij mocht blijven zitten tot aan de feitelijke sloop. De kantonrechter begrijpt dit verweer als zodanig dat zij zich dus beroept op een door partijen gemaakte afspraak die afwijkt van de wet. [de eiser] heeft de door [de gedaagde] genoemde afspraak echter betwist en deze stelling is door [de gedaagde] ook niet onderbouwd. [de gedaagde] heeft weliswaar aangeboden in dit kader nog getuigen te laten horen, maar een kort geding procedure leent zich niet voor verdere bewijslevering. Dit, nog daargelaten dat [de gedaagde] zelf heeft verklaard dat er buiten haar en [de eiser] geen andere personen bij de mondeling gemaakte afspraak aanwezig waren. Het bestaan van de door [de gedaagde] gestelde afspraak is in deze procedure dus ook niet komen vast te staan.
3.10.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de kantonrechter er vanuit gaat dat [de eiser] de huur mocht opzeggen overeenkomstig de wet. Dit heeft [de eiser] ook gedaan door bij exploot de huurovereenkomst met inachtneming van de termijn van tenminste een maand op te zeggen. De aard en inhoud van de overeenkomst alsook de omstandigheden van het geval maken daarnaast niet dat voor opzegging van een zwaarwegende grond sprake moet zijn. Voor zover juist is dat de paardenwei van groot maatschappelijk belang is voor de buurt, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter bovendien nog niet dat dit belang prevaleert ten opzichte van het belang van [de eiser] bij ontruiming.
3.11.
Tot slot geldt ten aanzien van het gebruik van de schuren dat een bruikleenovereenkomst een tijdelijk karakter heeft en zonder opgaaf van redenen kan worden opgezegd. Nu daarnaast niet is betwist dat het gebruik van de schuren geheel subsidiair is aan het stuk grond (en ten behoeve daarvan is verleend), mocht naar het oordeel van de kantonrechter met de opzegging van de huur van de grond ook het gebruik van de schuren worden beëindigd. De bij de opzegging in acht genomen opzegtermijn wordt ten aanzien van de schuren ook als redelijk aangemerkt.
3.12.
De vordering tot ontruiming van het gehuurde en de in gebruik zijnde schuren wordt gelet op het voorgaande toegewezen.
Ontruimingstermijn
3.13.
In de door [de gedaagde] aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de ontruimingstermijn, anders dan door [de eiser] primair is gevorderd, te stellen op vier weken na betekening van dit vonnis. Dit, ten einde [de gedaagde] voldoende gelegenheid te geven om een alternatieve verblijfslocatie voor haar paarden te vinden en om het gehuurde en de schuren leeg en bezemschoon op te leveren. Hierbij is voorts in aanmerking genomen dat, zo is ter mondelinge behandeling gebleken, Vereniging De Hemelbestormers het perceel pas per 1 augustus 2026 zal afnemen.
Machtiging
3.14.
De door [de eiser] gevorderde machtiging wordt afgewezen. Uit artikel 556 lid 1 Rv Pro volgt dat [de eiser] de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen. Slechts de deurwaarder is bevoegd een gedwongen ontruiming uit te voeren. [de eiser] heeft daarnaast voldoende aan een ontruimingsvonnis om de deurwaarder in te schakelen indien [de gedaagde] niet vrijwillig tot ontruiming overgaat.
Dwangsom
3.15.
De gevorderde dwangsom op de ontruiming van het gehuurde en de in gebruik zijnde schuren wordt afgewezen. Met het onderhavige vonnis beschikt [de eiser] immers over een titel om het gehuurde en de schuren zelf, via de weg van reële executie, gedwongen te laten ontruimen. Hij heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd waarom hij daarnaast nog belang heeft bij een financiële prikkel voor [de gedaagde] om tot ontruiming over te gaan.
Proceskosten
3.16.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
132,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
955,02

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [plaatsnaam] en de in gebruik zijnde schuren te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [de eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [de eiser] ,
4.2.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 955,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
2108