Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2929

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
C/05/442960 / ES RK 24-487
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArtikel 3 lid 1 sub a EU-verordening 2019/1111Verordening (EU) 2019/1111Verordening (EG) nr. 4/2009Artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met internationale aspecten en verdeling van huwelijksgoederen inclusief eenmanszaak

Partijen, gehuwd in Turkije met dubbele nationaliteiten, verzoeken echtscheiding en nevenvoorzieningen. De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op echtscheiding en ouderschapsplan, terwijl het huwelijksvermogensrecht deels Turks en deels Nederlands recht betreft vanwege het wagonstelsel.

De rechtbank hecht het ouderschapsplan en spreekt de echtscheiding uit. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vindt plaats per peildatum 24 oktober 2024. De woning wordt aan de man toegewezen onder voorwaarden, met een verplichting tot bewijs binnen vier maanden. De eenmanszaak wordt aan de man toegewezen, waarbij de rechtbank de waarde op €54.046 stelt en de man verplicht de vrouw €27.023 te betalen.

De inboedel wordt gelijk verdeeld, de gezamenlijke bankrekening wordt bij helfte verdeeld en de auto’s behoren tot de onderneming en worden niet apart verdeeld. Verzoeken tot toedeling van goud, sieraden en onroerend goed in Turkije worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De man draagt vanaf 1 december 2025 alle lasten van de woning tot levering. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hechten ouderschapsplan en verdeling huwelijksgoederen volgens Turks en Nederlands recht met toedeling woning en eenmanszaak aan man onder voorwaarden.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/442960 / ES RK 24-487 (echtscheiding)
C/05/454307 / FA RK 25-2416 (huwelijksvermogensrecht)
Datum uitspraak: 3 april 2026
beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van
[naam vrouw](hierna: de vrouw),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Anik uit Arnhem,
tegen
[naam man](hierna: de man),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. D. Kotterman uit Arnhem.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 24 oktober 2024;
  • het exploot van betekening van 6 en 8 november 2024;
  • het verweerschrift van de man met zelfstandig verzoek, ingekomen op 15 januari 2025;
  • het F9-formulier van de vrouw met een door partijen ondertekend ouderschapsplan, ingekomen op 23 januari 2025;
  • het verweerschrift van de vrouw op zelfstandig verzoeken met aanvullende verzoeken, ingekomen op 11 maart 2025;
  • het F9-formulier van de man met uitlating IPR, ingekomen op 16 april 2025;
  • het F9-formulier van de vrouw met uitlating IPR, ingekomen op 17 april 2025;
  • het F9-formulier van de man met een concretisering van het petitum, ingekomen op 11 juli 2025;
  • het F9-formulier van de vrouw met aanvullende/gewijzigde verzoeken, ingekomen op 19 november 2025;
  • het verweerschrift van de man op aanvullende verzoeken met zelfstandige aanvullende verzoeken, ingekomen op 25 november 2025;
  • het F9-formulier van de vrouw met aanvullend verzoek en productie, ingekomen op 19 februari 2026;
  • het F9-formulier van de man met producties en toelichting, ingekomen op 25 februari 2026.
1.2.
De zaak is besproken op de zitting van 5 maart 2026 met gesloten deuren. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De man is ook ondersteund door een tolk.
1.3.
De minderjarige [kind 2] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft op 18 maart 2025 een e-mailbericht gestuurd.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] , Turkije, met elkaar gehuwd.
2.2.
De vrouw heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit en de man heeft de Turkse nationaliteit.
2.3.
Partijen zijn de ouders van:
  • [kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;
  • [kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
[kind 2] is nog minderjarig.
2.4.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 14 februari 2025 is bepaald dat [kind 2] aan de vrouw wordt toevertrouwd en dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat de zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst vaststellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te beslissen op de verschillende verzoeken en welk recht zij bij de beoordeling van de verzoeken moet toepassen. De rechtbank zal dat hieronder per onderwerp bespreken.
De echtscheiding
3.2.
De vrouw stelt dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en verzoekt om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man voert niet langer verweer tegen dit verzoek.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.3.
De Nederlandse rechter is bevoegd om het verzoek tot echtscheiding te beoordelen, omdat partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. [1]
3.4.
Deze rechtbank is bevoegd, gelet op de door de partijen gekozen woonplaats in [woonplaats] .
3.5.
Op grond van artikel 10:56 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling3.6. In de wet staat dat ouders in beginsel pas een verzoek tot echtscheiding kunnen doen, als zij een ouderschapsplan hebben gemaakt waarin zij afspraken hebben gemaakt over hun kind(eren). In dat ouderschapsplan moeten in ieder geval afspraken zijn opgenomen over:
- de manier waarop zij de zorg over hun kind(eren) zullen verdelen;
- hoe zij elkaar over hun kind(eren) zullen informeren en elkaar raadplegen over belangrijke zaken over de kinderen, en;
- hoe zij de kosten van de kinderen zullen delen.
3.7.
Partijen hebben wel een ouderschapsplan gemaakt, maar daarin hebben zij geen afspraken opgenomen over hoe zij de kosten zullen delen van [kind 2] . Ter zitting heeft de vrouw echter aangegeven dat zij geen kinderalimentatie voor [kind 2] hoeft te ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat het ouderschapsplan aan de eisen die de wet daaraan stelt voldoet. De vrouw kan daarom het verzoek tot echtscheiding doen.
3.8.
De rechtbank zal op verzoek van de vrouw de echtscheiding uitspreken. In de wet staat dat je mag scheiden als je huwelijk duurzaam is ontwricht. Daarvan is sprake als het niet meer mogelijk is om met elkaar samen te leven en dat het er niet naar uitziet dat het beter wordt. De vrouw heeft gezegd dat dit zo is. De man accepteert de echtscheiding.
Het opnemen van het ouderschapsplan
3.9.
De vrouw verzoekt het door partijen op 23 januari 2025 ondertekende ouderschapsplan te hechten aan deze beschikking.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.10.
De Nederlandse rechter is bevoegd om over het verzoek over de minderjarige [kind 2] te beslissen op grond van artikel 7 Brussel Pro II-ter en artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening [2] , omdat [kind 2] in Nederland woont.
3.11.
Op het verzoek is Nederlands recht van toepassing, omdat de Nederlandse rechter bevoegd is en zij haar interne recht op de verzoeken dient toe te passen. [3]
De inhoudelijke beoordeling
3.12.
Tegen het verzoek van de vrouw is door de man geen verweer gevoerd. De rechtbank zal het ouderschapsplan van partijen aan deze beschikking hechten. [4]
De vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk
3.13.
Partijen hebben allebei verzoeken ingediend over de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.
De bevoegdheid van de rechtbank en het recht dat van toepassing is
3.14.
De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over het huwelijksvermogen van partijen, omdat zij ook bevoegd is om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek. [5]
3.15.
Over het toepasselijk recht overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank bepaalt het toepasselijk recht aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag), omdat het huwelijk van partijen is gesloten tussen 1 september 1992 en 30 januari 2019 en het verdrag volgens artikel 2 een Pro universeel formeel toepassingsgebied heeft.
3.16.
Partijen hebben geen rechtskeuze gemaakt voor of tijdens het huwelijk. Partijen hadden tijdens de huwelijkssluiting de Turkse nationaliteit als gemeenschappelijke nationaliteit. Zij hebben na de huwelijkssluiting dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, te weten in Nederland. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland.
3.17.
Nu het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking een verdragsland is, dat de verklaring van artikel 5 van Pro het Verdrag heeft afgelegd, werd op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder a. van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijkssluiting het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Turkije, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.
3.18.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 2 van Pro het Verdrag werd op 6 augustus 2009, na tien jaar huwelijk, Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. De wisseling heeft enkel gevolgen voor de goederen die partijen nadien hebben verkregen en de schulden die partijen nadien hebben gemaakt (artikel 8 van Pro het Verdrag). Deze verandering van het toepasselijke recht vanaf een bepaald moment heet het ‘wagonstelsel’.
De verdeling van de gemeenschap van goederen3.19. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden onder het Turkse huwelijksvermogensregime vallen (tot 6 augustus 2009):
de woning aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] ;
de hypothecaire geldlening gekoppeld aan de hiervoor genoemde woning.
3.20.
Sinds 6 augustus 2009 wordt het huwelijksvermogensregime van partijen beheerst door Nederlands recht. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat op 6 augustus 2009 naar Nederlands recht een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan.
3.21.
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op
24 oktober 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). De man heeft verzocht te bepalen dat de peildatum voor de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap 24 oktober 2024 is. De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank zo zal beslissen.
3.22.
Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de wettelijke gemeenschap van goederen behoren:
de activa en passiva van de eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijfsnaam] ;
de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
het saldo op de bankrekening bij de ABN AMRO Bank op naam van beide partijen met nummer [bankrekeningnummer] en het saldo op de privérekeningen van partijen;
de auto van het merk Audi met kenteken [kenteken 1] ;
de auto van het merk Volvo met kenteken [kenteken 2] .
3.23.
Tussen partijen is in geschil of de volgende goederen tot enige gemeenschap (naar Turks of Nederlands recht) behoren:
het goud en de sieraden;
het onroerend goed in Turkije.
3.24.
Nu de rechtbank in kaart heeft gebracht over welke goederen en schulden zij een beslissing dient te nemen, zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt naar Nederlands recht als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.
Ingetrokken verzoek3.25. De vrouw heeft haar verzoek met betrekking tot een woning in Turkije ingetrokken. Op dat verzoek hoeft daarom niet meer te worden beslist. De rechtbank merkt op dat het ingetrokken verzoek van de vrouw niet ziet op het onroerend goed in Turkije, zoals hierboven vermeld onder post i. Over het onroerend goed dient de rechtbank nog wel een beslissing te nemen.
De woning en de hypothecaire geldlening (posten a en b)
3.26.
Partijen hebben de woning in 2002 gekocht, zodat de verdeling daarvan wordt beheerst door Turks recht. Het Turkse recht kent sinds 1 januari 2002 als wettelijk huwelijksvermogensregime een zogenoemd deelgenootschap in vermogensopbouw. Partijen zijn het erover eens dat de woning een gemeenschappelijk goed is dat bij helfte verdeeld moet worden.
3.27.
De man wenst de woning over te nemen. De vrouw stemt hiermee in. Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de man kan worden toegedeeld tegen de getaxeerde waarde van € 425.000. Ter zitting hebben partijen aanvullend afgesproken dat de man binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aan moet tonen dat hij de woning kan overnemen, waarna de woning binnen één maand aan de man geleverd moet worden via de notaris.
3.28.
De rechtbank neemt hierna onder beslissing een zogenoemd ‘spoorboekje’ op, waarin bovenstaande afspraken worden opgenomen. Beide partijen hebben hierom verzocht, waarbij de man een concreet spoorboekje heeft geformuleerd. Tegen dit spoorboekje is geen bezwaar gemaakt door de vrouw, zodat de rechtbank hierbij aansluit. In het spoorboekje is ook opgenomen wat er moet gebeuren als de man de woning niet kan overnemen.
De eenmanszaak [bedrijfsnaam] (post c)
3.29.
De man exploiteert een kleine supermarkt, gespecialiseerd in levensmiddelen uit de Balkan. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming aan de man toegedeeld kan worden. Partijen zijn het echter niet eens over de waarde van de onderneming. De man verzoekt de activa en passiva van de eenmanszaak aan de man toe te delen zonder vergoeding aan de vrouw. De vrouw voert verweer en verzoekt bij aanvullend verzoek om de onderneming aan de man toe te delen voor een bedrag van € 61.468 onder de verplichting dat de man de helft van de waarde aan de vrouw voldoet.
3.30.
Volgens de man dient bij de waardering van de onderneming uit te worden gegaan van de waarde in het economisch verkeer. De man stelt dat de economische waarde van de eenmanszaak nihil is, omdat de onderneming zonder hem niet kan voortbestaan. De onderneming bevat volgens de man met name persoonlijke goodwill. Bovendien beschikt de man niet of nauwelijks over financieringsmogelijkheden om de vrouw uit te kopen, wat ook tot gevolg heeft dat voortzetting van de onderneming bij uitkoop van de vrouw niet haalbaar is.
3.31.
De vrouw gaat uit van een ondernemingswaarde van € 61.468 op basis van de activa genoemd in de jaarrekening van 2023. Naar aanleiding van deze waardebepaling door de vrouw heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de onderneming diverse schulden heeft. De man verwijst naar een naheffing van accijnzen van € 10.226 en een achterstand in de betaling van de energieleverancier van € 35.868,92. De naheffing en de betalingsachterstand zijn nog niet opgenomen in de jaarrekening van 2024. Ook verwijst de man naar een onbetaald gelaten factuur van een leverancier van € 28.684,73.
3.32.
De rechtbank stelt voorop dat binnen een onderneming hoofdzakelijk twee soorten goodwill zijn te onderscheiden, namelijk persoonlijke goodwill en zakelijke goodwill. Bij persoonlijke goodwill gaat het om de unieke kwaliteiten en reputatie van de eigenaar. Omdat deze waarde onlosmakelijk verbonden is met de persoon, vervalt de waarde bij verkoop (voor zover de eigenaar niet aan de onderneming verbonden blijft) of bij vertrek van de eigenaar. Persoonlijke goodwill is om die reden niet voor verdeling vatbaar. Zakelijke goodwill zit in de onderneming zelf. Het gaat bijvoorbeeld om de merknaam, het klantenbestand of de algemene reputatie. Zakelijke goodwill vertegenwoordigt in de regel een bepaalde waarde en is overdraagbaar, zodat zakelijke goodwill wel voor verdeling vatbaar is.
3.33.
De rechtbank begrijpt dat sprake is van persoonlijke goodwill. Dat is door de vrouw ook niet betwist. Over de zakelijke goodwill zijn geen stellingen ingenomen. Daarnaast kan een onderneming echter een bepaalde waarde vertegenwoordigen in de vorm van aanwezige activa en passiva. Dit komt voor verdeling in aanmerking.
3.34.
De vrouw heeft op basis van de aanwezige activa op de jaarrekening van 2023 een inschatting gemaakt van de waarde van de onderneming. De man heeft geen relevante stukken in de procedure gebracht die zijn stelling onderbouwen dat de onderneming geen waarde vertegenwoordigt. Ook heeft de man niet nader onderbouwd dat hij niet of nauwelijks over financieringsmogelijkheden beschikt om de vrouw uit te kopen, wat tot gevolg zou hebben dat voortzetting van de onderneming bij uitkoop van de vrouw niet haalbaar is. Omdat de vrouw als enige een waardebepaling heeft verricht op basis van concrete en objectieve cijfers, zal de rechtbank de waardering van de vrouw als uitgangspunt nemen.
3.35.
De enige objectieve cijfers waar de rechtbank over beschikt zijn de jaarstukken van 2023 en 2024. De vrouw heeft voor de waardering aangehaakt bij de jaarstukken uit 2023. Hiertegen is door de man geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank hier ook bij aansluit. De vrouw heeft bij de waardering enkel gerekend met de activa op de balans. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet redelijk. Er moet ook worden gekeken naar de schulden van de onderneming op de balans. De rechtbank houdt bij de waardering rekening met de schulden op de balans van 2023.
3.36.
De rechtbank houdt geen rekening met de door de man opgevoerde extra schulden en kosten. De man heeft hierover hoofdzakelijk algemene stellingen ingenomen, waarbij hij niet duidelijk heeft gemaakt wat de oorsprong is van deze schulden. Ook heeft de man niet duidelijk gemaakt op welke periode de schulden en kosten zien en in hoeverre deze van invloed zouden zijn op de jaarrekening van 2023. Op deze manier kan de rechtbank niet vaststellen hoe zij deze kosten in de waardering van de onderneming dient te betrekken. Daarbij speelt mee dat de man enkel een aantal schulden en kosten als losse posten heeft gepresenteerd. Eventuele meevallers die daartegenover staan zijn niet genoemd. Het is dan ook erg willekeurig. Het had op de weg gelegen van de man om volledig inzicht te geven in het ondernemingsvermogen en hieraan een deugdelijke waardering te koppelen. De man had bijvoorbeeld een toelichting van de boekhouder op de beschikbare jaarstukken, een concept-jaarrekening 2025, een recent kasstroomoverzicht en/of een prognose kunnen overleggen. Dat heeft de man niet gedaan.
3.37.
Alles overwegende stelt de rechtbank de waarde van de onderneming van de man vast op € 54.046. De waardering is gebaseerd op de jaarstukken van 2023, met op de balans een activa van € 61.468 en een passiva van € 7.422. De rechtbank zal de activa en passiva van de eenmanszaak aan de man toedelen, onder de verplichting de helft van de waarde van de onderneming, te weten een bedrag van € 27.023, aan de vrouw te betalen.
De inboedel (post d)
3.38.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de inboedel bij helfte zal worden verdeeld. De man verzoekt de rechtbank partijen te veroordelen om met elkaar de inboedelgoederen te verdelen. Gelet op de verzoeken beslist de rechtbank dat partijen de inboedel bij helfte moeten verdelen.
De banksaldi (post e)
3.39.
De man verzoekt aan hem toe te delen de helft van het saldo op 24 oktober 2024 van de gezamenlijke bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [bankrekeningnummer] . De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man zo, dat aan de vrouw de andere helft van het saldo per peildatum wordt toegedeeld. De rechtbank zal daarom beslissen dat het saldo van de gezamenlijke bankrekening per peildatum bij helfte zal worden gedeeld. Ter zitting is besproken dat de gezamenlijke bankrekening aan de man zal worden toegedeeld. De rechtbank zal zo beslissen.
3.40.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat ieder de op eigen naam gestelde bankrekening behoudt zonder nadere verrekening. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal zo beslissen.
De auto’s (posten f en g)
3.41.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de auto’s aan de man worden toegedeeld voor een totaalbedrag van € 47.500 onder de verplichting een bedrag van € 23.750 aan de vrouw te voldoen. De man heeft aangevoerd dat de auto’s bedrijfsmatig zijn aangekocht en om die reden ook op de balans van de onderneming staan vermeld. De vrouw heeft niet betwist dat de auto’s tot de onderneming behoren, maar stelt zich op het standpunt dat zij de auto’s bij de waardering van de onderneming niet heeft betrokken, zodat de auto’s afzonderlijk van de onderneming verdeeld moeten worden. De rechtbank volgt de vrouw niet in deze stelling. Uit de waardering van de vrouw volgt dat de vrouw wel heeft gerekend met een bepaalde waarde van de auto’s. In het door haar opgestelde overzicht is namelijk de post ‘
overige materiële vaste activa (inventaris en auto’s)’ opgenomen. De vrouw heeft ter zitting nog aangevoerd dat de auto’s voor een te lage waarde op de balans staan, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. De rechtbank beschikt over te weinig informatie om vast te stellen of de auto’s te laag zijn gewaardeerd op de balans en ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de balanswaarde. Omdat de waarde van de auto’s al is betrokken bij de waardering van de onderneming, wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.
Het goud en de sieraden (post h)
3.42.
De man stelt dat partijen beschikken over goud en sieraden. De man verzoekt om toedeling van de helft van dit goud.
3.43.
De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling (enkel) een zwartwit foto overgelegd waarop een paar munten en armbanden te zien zijn. De vrouw heeft ter zitting aangegeven niet bekend te zijn met het goud en sieraden op de foto. De rechtbank kan op basis hiervan niet vaststellen welk goud dit betreft en in hoeverre dit goud tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort. De rechtbank wijst het verzoek van de man af.
Het onroerend goed in Turkije (post i)
3.44.
De man stelt dat partijen beschikten over onroerend goed in Turkije, in de plaats [plaatsnaam] . Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man een schermafbeelding van een kaart overgelegd, met daarop een adres in Turkije. Daarnaast heeft de man twee Turkse tekstfragmenten overgelegd, welke volgens de man zouden zien op een overzicht uit het Turkse kadaster. De vrouw heeft ter zitting toegelicht dat het onroerend goed in Turkije op naam van haar moeder staat en hierdoor niet tot het gezamenlijke vermogen van partijen behoort. De man heeft hierop gereageerd dat hij niet precies weet hoe het zit en dat hij niet precies weet of het op naam van de vrouw staat. Gelet op de betwisting van de vrouw, lag het op de weg van de man om aan te tonen dat het onroerend goed in Turkije tot enige huwelijksgemeenschap is gaan behoren (naar Turks of Nederlands recht). Dat heeft de man niet gedaan, zodat de rechtbank het verzoek van de man afwijst.
Eigenaars- en gebruikerslasten echtelijke woning
3.45.
De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man alle eigenaars- en gebruikerslasten zal voldoen tot levering van de woning bij de notaris aan de man of een derde. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat partijen hebben afgesproken dat de man alle eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voldoet vanaf het moment dat de vrouw haar eigen huurwoning heeft betrokken, vanaf eind november 2025. De man bevestigt deze afspraak en bevestigt dat hij sinds 1 december 2025 alle lasten van de woning betaalt. De man voert verder geen verweer tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal daarom vastleggen dat de man met ingang van 1 december 2025 alle eigenaars- en gebruikslasten voor zijn rekening neemt, tot het moment van de levering van de woning bij de notaris aan de man of een derde.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.46.
De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op
[huwelijksdatum] in [huwelijksplaats] , Turkije;
4.2.
bepaalt dat de inhoud van aangehecht ouderschapsplan, gedateerd en ondertekend op
21 en 23 januari 2025, deel uitmaakt van deze beschikking;
4.3.
bepaalt dat de peildatum voor de samenstelling van de
huwelijksgoederengemeenschap 24 oktober 2024 is;
4.4.
gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] in ( [postcode] ) [plaatsnaam] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening als volgt:
  • de man dient binnen vier maanden na de datum van deze beschikking aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning voor een bedrag van € 425.000 kan overnemen, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening;
  • indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde voorwaarde dient de levering van de woning aan de vrouw plaats te vinden binnen één maand, nadat de man binnen de hiervoor genoemde termijn van vier maanden aan de vrouw heeft aangetoond dat hij de woning kan overnemen;
  • de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen;
  • de kosten van de taxatie van de woning worden bij helfte gedeeld en de kosten van de notariële overdracht worden bij helfte gedeeld;
  • partijen verlenen elkaar over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
  • indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
o partijen dienen binnen één week nadat de hiervoor genoemde termijn van vier maanden is verstreken of nadat de man aan de vrouw kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen, aan de makelaar-taxateur die de woning heeft getaxeerd een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
o de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedagen;
o partijen verlenen elkaar over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
4.5.
stelt voor het overige de (wijze van) verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen als volgt vast:
deelt aan de man toe:
  • de activa en passiva van de eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijfsnaam] ;
  • de helft van de inboedelgoederen van partijen;
  • de bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [bankrekeningnummer] ;
  • de helft van het saldo op 24 oktober 2024 van de bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [bankrekeningnummer] ;
  • het saldo op de op naam van de man gestelde bankrekening.
deelt aan de vrouw toe:
  • de helft van de inboedelgoederen van partijen;
  • de helft van het saldo op 24 oktober 2024 van de bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [bankrekeningnummer] ;
  • het saldo op de op naam van de vrouw gestelde bankrekening.
4.6.
bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 27.023 moet betalen wegens overbedeling in het kader van de toedeling van de activa en passiva van de eenmanszaak met de handelsnaam [bedrijfsnaam] ;
4.7.
bepaalt dat de man met ingang van 1 december 2025 alle eigenaars- en gebruikerslasten van de voormalige echtelijke woning voor zijn rekening dient te nemen, tot het moment van levering van de woning bij de notaris aan de man of een derde;
4.8.
bepaalt dat de onder 4.2 tot en met 4.7 genoemde beslissingen uitvoerbaar zijn bij
voorraad;
4.9.
wijst af wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
[ Ouderschapsplan verwijderd ter anonimisatie.]

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 3 lid 1 sub a van Pro de EU-verordening 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter)
2.Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II-ter) en Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.
3.Zie artikel 15 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Den Haag, 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, “Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996”) en op grond van artikel 15 van Pro de Alimentatieverordening in samenhang met artikel 4 van Pro het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007.
4.Bijlage 1: ouderschapsplan.
5.Artikel 5 lid 1 van Pro de Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 betreffende de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels.