Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2930

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
462563 + 462575
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e lid 1 sub a BWArt. 1:265e lid 1 sub b BWArt. 1:262b BWArt. 1:261 BWArt. 1:265d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gezagsuitoefening voor medische behandeling en schoolinschrijving van minderjarige

De rechtbank behandelt verzoeken van Stichting Jeugdbescherming Gelderland (GI) om gedeeltelijke gezagsuitoefening te verkrijgen over een 13-jarig kind met betrekking tot medische behandelingen (inschrijving bij orthodontist en tandarts) en aanmelding bij een onderwijsinstelling. Het kind is onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst bij een gezinshuis.

De vader voert verweer tegen de bevoegdheid van het LET om namens de GI op te treden en tegen de noodzaak van de gezagswijziging. Hij verzoekt tevens om beëindiging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, wat de rechtbank niet in behandeling neemt wegens gebrek aan connexiteit.

De rechtbank oordeelt dat het LET bevoegd is en dat gedeeltelijke gezagsuitoefening noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De inschrijving bij een orthodontist en tandarts valt onder medische behandeling en is essentieel voor goede zorg. Ook is het noodzakelijk dat de GI gezag krijgt over de aanmelding bij een onderwijsinstelling om de schoolgang van het kind te waarborgen.

De rechtbank wijst de verzoeken toe voor zover het gezag over de inschrijving en aanmelding wordt overgedragen aan de GI, terwijl het gezag over controles en behandelingen bij de tandarts en orthodontist bij het kind blijft. De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard en aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijke gezagsuitoefening toe aan Stichting Jeugdbescherming Gelderland voor medische inschrijving en schoolaanmelding van het kind tijdens uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Arnhem
Zaaknummers: C/05/462563 / JE RK 26-112
C/05/462575 / JE RK 26-113
Datum uitspraak: 13 april 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een gedeeltelijke gezagsuitoefening
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI),
gevestigd in Arnhem,
voor welke instelling het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (het LET JB, hierna
het LET) op dit moment is belast met de feitelijke uitvoering van de
beschermingsmaatregel,
over
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [het kind] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. van den Heuvel uit Arnhem,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
drs. [naam curator] , in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over [het kind] en haar broer [de broer],
hierna te noemen: de bijzondere curator,
wonende in Almere.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen inzake
  • het verzoekschrift met bijlagen inzake
  • de door de GI nagezonden bijlagen, ontvangen op 27 januari en 3 februari 2026;
  • het verweerschrift van de vader met bijlagen inzake
  • het verweerschrift van de vader met bijlagen inzake
1.2.
De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
- twee vertegenwoordigers van het LET.
1.3.
De rechtbank heeft [het kind] naar haar mening gevraagd. Zij heeft op 30 maart 2026 een gesprek gevoerd met de voorzitter en de griffier (via videobellen). Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [het kind] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De zaken zijn tijdens de zitting van 30 maart 2026 gelijktijdig behandeld met de zaak C/05/463292 / JE RK 26-184, die gaat over een verzoek gedeeltelijke gezagsuitoefening over [de broer] , de broer van [het kind] . Op die zaak heeft de rechtbank bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum beslist.
1.5.
De vader heeft op 30 maart 2026 direct na het sluiten van de mondelinge behandeling een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is door de wrakingskamer op
30 maart 2026 ter zitting behandeld. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van de vader bij beslissing van 3 april 2026 afgewezen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [het kind] .
2.2.
[het kind] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 11 januari 2024 is [het kind] (na een eerdere ondertoezichtstelling die op 2 mei 2022 is geëindigd) opnieuw onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 9 januari 2026, tot 11 januari 2027.
2.4.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 23 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [het kind] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder tot 11 januari 2026. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 11 juli 2026.

3.De verzoeken

In de zaak C/05/462563 / JE RK 26-112
3.1.
Het LET verzoekt primair te bepalen dat het gezag over [het kind] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling (artikel 1:265e lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Ter zitting heeft het LET toegelicht dat zij met dit verzoek beoogt te bewerkstelligen dat [het kind] wordt ingeschreven bij een orthodontisten- en tandartsenpraktijk in de buurt van het gezinshuis, dat haar medische dossier aan deze praktijken wordt overgedragen en dat er vervolgens periodieke controles en - indien noodzakelijk - aanvullende behandelingen kunnen plaatsvinden bij deze praktijken. Het LET verzoekt om te bevelen dat de gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI aangetekend zal worden in het gezagsregister. Voor zover de rechtbank het primaire verzoek afwijst, verzoekt het LET om de geschillenregeling van artikel 1:262b BW toe te passen en vervangende toestemming voor de medische behandeling (zoals hierboven weergegeven) te verlenen. Ten slotte verzoekt het LET om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In de zaak C/05/462575 / JE RK 26-113
3.2.
Het LET verzoekt te bepalen dat het gezag over [het kind] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding van [het kind] bij een onderwijsinstelling (artikel 1:265e lid 1 onder a BW) en dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI aangetekend zal worden in het gezagsregister. Het LET verzoekt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
Het LET heeft de verzoeken tijdens de zitting gehandhaafd en nader toegelicht. Sinds september 2025 is [het kind] uithuisgeplaatst. Het LET acht het noodzakelijk dat [het kind] naar een school, een orthodontist en een tandarts gaat in de buurt van het gezinshuis waar zij woont. Voor wat betreft de aanmelding voor een onderwijsinstelling geldt volgens het LET dat [het kind] op dit moment al (met instemming van haar ouders) naar een school gaat in de omgeving van het gezinshuis, maar dat deze schoolgang in gevaar komt als de vader er geen toestemming voor geeft dat [het kind] ook daadwerkelijk op deze school wordt ingeschreven. Het LET heeft geprobeerd dit met de vader te bespreken, maar hij gaf aan dat hij het idee heeft dat hij instemt met de uithuisplaatsing als hij toestemming geeft dat [het kind] naar de school in haar nieuwe woonomgeving gaat. Het LET heeft geprobeerd met de vader mee te denken en contact gezocht met de oude school van [het kind] (welk contact heeft geleid tot de bevestiging dat [het kind] na beëindiging van de uithuisplaatsing te allen tijde terug kan keren op haar oude school). De vader is echter niet van mening veranderd. Ten aanzien van de toestemming voor een medische behandeling, heeft het LET naar voren gebracht dat [het kind] een slotjesbeugel heeft en dus regelmatig naar een orthodontist moet. Ze heeft altijd onder controle gestaan bij de orthodontist bij de vader in de buurt. Bij een slotjesbeugel is het belangrijk dat deze eens in de zoveel tijd wordt aangedraaid. Dit is lange tijd niet gebeurd. Het LET heeft [het kind] een aantal keer uitgelegd dat zij zelf de keuze kan maken om naar de orthodontist te gaan. Het LET ziet dat [het kind] dan dichtslaat en het ingewikkeld vindt om een keuze te maken die (mogelijk) indruist tegen de keuze die haar vader zou maken. Omdat [het kind] last had van haar beugel, heeft zij recent uiteindelijk toch ingestemd met een behandeling bij een orthodontist in de buurt van het gezinshuis en is zij daarheen gegaan. Om het mogelijk te maken dat [het kind] in het vervolg weer bij deze orthodontist terecht kan is het echter nodig dat zij daar ook staat ingeschreven, waarvoor toestemming nodig is van beide gezaghebbende ouders. Over controles en het aangaan van behandelingen kan [het kind] (gelet op haar leeftijd) in principe zelf beslissen, maar het LET acht dat niet in het belang van [het kind] , omdat het LET ziet dat [het kind] zich dan gedwongen voelt te kiezen tussen haar moeder en haar vader. Voor de inschrijving, het laten uitvoeren van controles en het aangaan van (eventuele) vervolgbehandelingen bij een tandarts in de buurt van het gezinshuis gelden vergelijkbare overwegingen. [het kind] is voor het laatst op controle bij de tandarts geweest toen zij nog bij de vader woonde. Dit is ruim een half jaar geleden. Op enig moment heeft [het kind] in het gezinshuis aangegeven last te hebben van een tand. Het gezinshuis heeft hiernaar gekeken en een plekje bij haar tand gezien. Later heeft [het kind] aangegeven hier geen last meer van te hebben, maar dit is niet beoordeeld door een tandarts.

4.De standpunten

De vader
4.1.
De vader heeft tijdens de zitting verweer gevoerd. De vader stelt zich allereerst op het standpunt dat het LET niet bevoegd is om in deze procedure namens de GI op te treden. Hij voert hiertoe aan dat op grond van de Jeugdwet de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel bij de GI is belegd en niet bij het LET. Het LET heeft niet kenbaar gemaakt op basis van welke wettelijke grondslag zij optreedt en of zij beschikt over een rechtsgeldig mandaat. Het mandaat dat door het LET is overgelegd is volgens de vader (te) algemeen van aard en volstaat daarom niet. Daarnaast heeft de vader opgeworpen dat als de GI formeel de verzoeker is, alle processtukken door de GI moeten worden ondertekend (hetgeen niet het geval is). De vader voert verder aan dat er geen wettelijke noodzaak is voor de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Er is geen sprake van een aantoonbare ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [het kind] . Eventuele zorgen rechtvaardigen geen kinderbeschermingsmaatregel. De maatregelen zorgen er juist voor dat er aantoonbare schade is ontstaan, waaronder verstoring van de ouder-kindrelatie. Hij verzoekt de rechtbank dan ook de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing per direct te beëindigen. De vader heeft ten slotte aangevoerd dat er geen noodzaak is voor een gedeeltelijke gezagsoverheveling. [het kind] kan naar haar eigen orthodontist en tandarts en kan daarover als 13-jarige zelf beslissen. [het kind] gaat op dit moment naar school dus is er ook geen noodzaak voor aanmelding bij een onderwijsinstelling.
De moeder
4.2.
De moeder stemt in met de verzoeken van het LET. Zij vindt een toewijzing van de verzoeken in het belang van [het kind] .
4.3.
De moeder heeft verder aangevoerd dat over de bevoegdheid van het LET al door de rechtbank is geoordeeld. Voor wat betreft het verzoek van de vader dat ziet op de beëindiging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, wil de moeder in de gelegenheid worden gesteld hier adequaat verweer tegen te voeren mocht dit verzoek worden toegelaten.
De bijzondere curator
4.4.
De bijzondere curator heeft pas recent kennis gemaakt met de ouders en met [het kind] . [het kind] is zich ervan bewust dat zij een beugel heeft en dat onderhoud van haar gebit en beugel nodig is. De bijzondere curator heeft [het kind] meegemaakt als een slim meisje dat zich realiseert wat de consequenties zijn van wat ze zegt.
5.
De beoordeling
Ontvankelijkheid/bevoegdheid LET
5.1.
Door de vader wordt het standpunt ingenomen dat het LET niet bevoegd is om namens de GI op te treden, omdat een wettelijke grondslag en/of een rechtsgeldig mandaat ontbreekt. In de zaak omtrent de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing (die heeft geleid tot de beschikking van 9 januari 2026, C/05/459741 / JE RK 25-1188) heeft de vader dit verweer eveneens gevoerd. In de betreffende beschikking heeft de rechtbank (kort samengevat) overwogen dat er geen expliciete wettelijke grondslag vereist is voor de inschakeling van het LET voor de feitelijke uitvoering van de ondertoezichtstelling en dat het LET een rechtsgeldig door de GI verleende volmacht (en mandaat) had overgelegd. Gelet daarop is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het LET bevoegd was om de GI in rechte te vertegenwoordigen en er geen aanleiding bestond om het LET niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken. De rechtbank ziet in de onderhavige procedure, waarin door het LET een geactualiseerd(e) volmacht en mandaat is overgelegd, geen aanleiding om hier anders over te oordelen en neemt deze overweging en beslissing dus over. De vader heeft ook niet uitgelegd op grond waarvan daarover in de onderhavige zaken anders geoordeeld zou moeten worden. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het LET, ook met betrekking tot de verzoeken tot gedeeltelijke gezagsuitoefening, bevoegd is om namens de GI in deze procedure op te treden en dat zij ontvankelijk is in haar verzoeken. De rechtbank gaat daarmee ook voorbij aan het standpunt van de vader dat de GI de verzoeken had moeten ondertekenen. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.
Zelfstandig tegenverzoek beëindiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en directe terugplaatsing
5.2.
Door de vader is verzocht de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beëindigen en [het kind] direct terug te plaatsen. Op grond van artikel 282 lid 4 Rv Pro mag een verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechtbank is van oordeel dat tussen de verzoeken van het LET en het verzoek van de vader onvoldoende connexiteit bestaat. De verzoeken van het LET hebben namelijk betrekking op de gedeeltelijke gezagsuitoefening voor een medische behandeling en aanmelding bij een onderwijsinstelling (artikel 1:265e BW), terwijl het verzoek van de vader betrekking heeft op de beëindiging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing (artikel 1:261 BW Pro en artikel 1:265d BW). De rechtbank zal het verzoek van de vader om de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beëindigen en [het kind] direct terug te plaatsen om die reden niet in behandeling nemen en daarop niet beslissen.
Gedeeltelijke gezagsuitoefening: tandarts en orthodontist ( C/05/462563 / JE RK 26-112)
5.3.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:265e lid 1 onder b BW op verzoek van de GI bepalen dat de GI gedeeltelijk het gezag van een ouder uitoefent over het geven van toestemming voor een medische behandeling als dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De rechtbank kan dit onder meer doen voor het geven van toestemming voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of een minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Een dergelijke maatregel grijpt diep in in het familie- en gezinsleven van de ouders en kinderen. Mede in het licht van artikel 8 EVRM Pro, waarin onder meer is bepaald dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé- en familieleven, dient er daarom terughoudend met toepassing van artikel 1:265e BW worden omgegaan en zal er gekeken moeten worden of kan worden volstaan met minder ingrijpende alternatieven.
5.4.
De door het LET verzochte gezagsoverheveling heeft niet alleen betrekking op medische behandelingen (in de zin van controles en eventuele vervolgbehandelingen bij de tandarts en orthodontist), maar ook op de inschrijving van [het kind] bij een tandarts en orthodontist in de buurt van het gezinshuis. Gelet daarop moet eerst worden vastgesteld of de verzochte toestemming voor inschrijving bij een orthodontist of tandarts valt onder de reikwijdte van artikel 1:265e BW. In taalkundige zin is een inschrijving bij een orthodontist of tandarts geen medische behandeling, zoals bedoeld in artikel 1:265e BW. Bij een inschrijving kan echter wel gesteld worden dat een arts zich verbindt aan het geven van een medische behandeling in de toekomst aan de patiënt. Een inschrijving is daarmee een noodzakelijke voorwaarde om (in geval van reguliere medische zorg) tot een goede langdurige behandelrelatie te komen en medische behandelingen te kunnen geven en ontvangen. De inschrijving bij de orthodontist en tandarts valt daarom onder de reikwijdte van artikel 1:265e BW. De rechtbank overweegt verder dat een orthodontist en tandarts doorgaans sneller kunnen handelen en betere medische (basis)zorg kunnen leveren als zij beschikken over het medische dossier van de patiënt. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de overdracht van het medische dossier onder de reikwijdte van 1:265e BW valt.
5.5.
De vervolgvraag is of er is voldaan aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 1:265e BW. Kinderen moeten over het algemeen geregeld naar de tandarts en, nu [het kind] een beugel draagt, moet zij ook geregeld voor controle naar de orthodontist. De e-mail van 18 december 2025 van de orthodontist van [het kind] in de buurt van de woonplaats van de vader dat het niet regelmatig op controle komen kan worden gezien als ‘verwaarlozing’, bevestigt dit. Gebleken is dat de vader geen toestemming wil geven voor inschrijving bij een orthodontisten- en tandartsenpraktijk in de buurt van het gezinshuis, waardoor [het kind] geen reguliere medische (tand)zorg kan ontvangen op de plek waar zij nu woont. Recent heeft [het kind] nog last gehad van een tand en van haar beugel. De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat [het kind] hiervoor behandeld kan worden in de buurt van haar woonplek. De vader heeft hiertegenover gesteld dat behandeling door de ‘eigen’ orthodontist van [het kind] ook mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang is van [het kind] dat zij naar [plaatsnaam] moet afreizen. Dit vergt niet alleen een behoorlijke reis voor [het kind] , maar ook voor degene die haar moet brengen en ophalen. Daarbij komt dat de vader vermoedelijk betrokken zal willen zijn bij eventuele controles en behandelingen bij de tandarts en de orthodontist bij hem in de buurt en die momenten waarschijnlijk zal aangrijpen om contact te zoeken met [het kind] . Die betrokkenheid acht de rechtbank onwenselijk voor [het kind] . De vader is zeer stellig in zijn overtuiging dat [het kind] thuis moet wonen en de vader doet in dat verband zeer zorgelijke en dreigende uitspraken tegenover iedereen die bij de uithuisplaatsing betrokken is. Als [het kind] naar de tandarts of de orthodontist gaat, moet zij dit in alle rust kunnen doen en niet het risico lopen dat zij wordt belast met ouderproblematiek.
5.6.
Aangezien [het kind] dertien jaar is, zal gelet op het criterium zoals opgenomen in artikel 1:265e lid 1 onder b BW, beoordeeld moeten worden of [het kind] in relatie tot de verzochte gezagsoverheveling op het gebied van medische behandelingen (bij de tandarts en orthodontist)
nietin staat is tot een redelijke waardering van haar belangen. Slechts in dat geval kan het gezag immers gedeeltelijk worden overgeheveld naar de GI.
5.7.
De rechtbank stelt vast dat uit de door het LET overgelegde correspondentie volgt dat de vader er op zichzelf geen bezwaren tegen heeft dat [het kind] op controle gaat en (zo nodig) behandeld wordt door een orthodontist en/of tandarts. Zijn weigering om toestemming te verlenen voor inschrijving bij een praktijk in de buurt van het gezinshuis houdt verband met zijn opvatting dat [het kind] bij een orthodontist en tandarts in de buurt van zijn eigen woonplaats staat ingeschreven en dat zo moet blijven. De rechtbank overweegt dat de vader de inschrijving bij een tandarts en een orthodontist in de buurt van het gezinshuis aldus op één lijn zet met de in de ogen van de vader onterechte en schadelijke uithuisplaatsing van [het kind] . Door zich in te schrijven bij een tandarts en orthodontist in de buurt van het gezinshuis, iets waarmee de moeder het eens is, zal [het kind] van de vader het - naar het oordeel van de rechtbank: onterechte - verwijt krijgen dat zij meewerkt aan de uithuisplaatsing en deze legitimeert. Het loyaliteitsconflict dat dit bij [het kind] tot gevolg heeft en de voortdurende druk die de vader door zijn opstelling op haar legt, zijn voor haar schadelijk. Gelet op de stelligheid van de vader op het punt van de inschrijving en de waarneming van het LET dat [het kind] dichtslaat zodra aan haar wordt gevraagd (juist) hier iets over te vinden (wat mogelijk indruist tegen het standpunt van haar vader), is de rechtbank van oordeel dat [het kind] specifiek op het punt van de inschrijving bij een tandarts en orthodontist in de buurt van het gezinshuis en de daarmee verband houdende overdracht van haar medische dossier niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen.
Daar komt bij dat de wet de minderjarige met een leeftijd van twaalf tot zestien jaren alleen de mogelijkheid toekent om (mee) te beslissen over het aangaan van concrete medische behandelingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst, terwijl minderjarigen op grond van artikel 1:234 in Pro verbinding met artikel 7:447 lid 1 BW Pro in beginsel onbekwaam zijn tot het verrichten van rechtshandelingen (zoals het aangaan van een behandelingsovereenkomst met een nieuwe praktijk). Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van [het kind] dat de drempel die de inschrijving voor haar vormt, wordt weggenomen en dat het gezag op dit punt (en op het punt van de overdracht van het medische dossier) wordt overgeheveld naar de GI.
5.8.
[het kind] heeft tijdens het kindgesprek aangegeven dat zij op controle wil bij de tandarts en orthodontist en ook inziet dat dit nodig is. De bijzondere curator heeft gesteld dat [het kind] een slim meisje is dat zich ervan bewust is dat zij een beugel heeft en dat onderhoud van haar gebit en beugel nodig zijn. Dat zij de daad bij het woord kan voegen, blijkt uit het feit dat zij in maart 2026 heeft meegewerkt aan een behandeling door een orthodontist in de buurt van het gezinshuis waar zij woont. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat [het kind] niet in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen met betrekking tot controles bij de orthodontist en tandarts en eventuele vervolgbehandelingen. De rechtbank acht haar voldoende in staat om na het plaatsvinden van de inschrijvingen zelf te beslissen over controles en eventuele vervolgbehandelingen bij tandarts en orthodontist. Het verzoek van het LET zal dus worden afgewezen voor zover dat betrekking heeft op controles en (eventuele) behandelingen.
5.9.
De inbreuk die de verzochte maatregel maakt op het gezag van de vader is naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. Niet kan worden volstaan met een minder ingrijpende maatregel, zoals de toepassing van artikel 1:265h BW. In dit geval gaat het immers over inschrijving bij de orthodontist en tandarts voor reguliere medische (tand)zorg en is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van een concrete medische behandeling die noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van [het kind] af te wenden (zoals vereist voor toepassing van artikel 1:265h BW).
Gedeeltelijke gezagsuitoefening onderwijsinstelling (C/05/462575 / JE RK 26-113)
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [het kind] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e BW). De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Wettelijk kader
5.11.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:265e lid 1 onder a BW op verzoek van de GI bepalen dat de GI gedeeltelijk het gezag van een ouder uitoefent over het geven van toestemming voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling.
Inhoudelijke beoordeling
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI wordt belast met het gezag over [het kind] , voor zover dit betrekking heeft op de aanmelding voor een onderwijsinstelling. [het kind] heeft recht op onderwijs en is bovendien leerplichtig. Uit de stukken en de zitting is de rechtbank gebleken dat - ondanks meedenken vanuit het LET - het niet lukt om overeenstemming tussen de vader en het LET te bereiken over de officiële inschrijving van [het kind] op de school waar ze nu naartoe gaat. Zo blijkt uit de stukken dat het LET naar aanleiding van vragen van de vader van de vorige middelbare school van [het kind] de toezegging heeft gekregen dat zij daar altijd naartoe kan terugkeren mocht haar woonsituatie veranderen. De vader is desondanks bij zijn standpunt gebleven dat hij geen toestemming geeft. Het is de rechtbank gebleken dat de schoolgang van [het kind] zonder officiële inschrijving in gevaar komt. Het is bovendien niet meer dan logisch en noodzakelijk dat een kind wordt ingeschreven op de school, waar het ook daadwerkelijk naar toe gaat. Als [het kind] niet meer naar school zou kunnen gaan, is dat evident schadelijk voor haar ontwikkeling. Het is daarom noodzakelijk dat de GI het gezag krijgt over de aanmelding zodat [het kind] kan worden ingeschreven en daarmee niet wordt belemmerd in haar ontwikkeling.
Conclusie
5.13.
De rechtbank is - gelet op het voorgaande - van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI gedeeltelijk wordt belast met het gezag over [het kind] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling en de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing (artikel 1:265e BW). De toestemming voor een medische behandeling heeft slechts betrekking op de inschrijving van [het kind] bij een orthodontist in de buurt van het gezinshuis en inschrijving bij een tandarts in de buurt van het gezinshuis en de overdracht van het medische dossier van [het kind] aan deze orthodontist en deze tandarts.
5.14.
Aangezien overheidsingrijpen als gezagsoverheveling niet verder dan strikt noodzakelijk is kan worden toegewezen en de moeder volledig instemt met de koers van de GI, zal de kinderrechter alleen ten aanzien van de gezagsuitoefening door de vader het verzoek toewijzen.
5.15.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1] Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de rechtbank het verzoek van het LET op dit punt af.
5.16.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
In de zaak C/05/462563 / JE RK 26-112
6.1.
belast Stichting Jeugdbescherming Gelderland met het gezag over [het kind] (voor zover dat wordt uitgeoefend door de vader) met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling voor de duur van de uithuisplaatsing, te weten voor:
- de inschrijving bij een orthodontist in de buurt van het gezinshuis en de overdracht
van het medische dossier van [het kind] aan deze orthodontist;
- de inschrijving bij een tandarts in de buurt van het gezinshuis en de overdracht van
het medische dossier van [het kind] aan deze tandarts;
6.2.
verstaat dat [het kind] zonder toestemming van de vader voor controle en verdere behandelingen naar de orthodontist en de tandarts kan gaan;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
In de zaak C/05/462575 / JE RK 26-113
6.4.
belast Stichting Jeugdbescherming Gelderland met het gezag over [het kind] (voor zover dat wordt uitgeoefend door de vader) met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling voor de duur van de uithuisplaatsing;
6.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
In de zaak C/05/462563 / JE RK 26-112 en in de zaak C/05/462575 / JE RK 26-113
6.6.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Raat (voorzitter), A.E.H. Bovy en C.H. Kan, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.