Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2931

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
AWB-24_5305
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014Art. 2a Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestoseArt. 2.16 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025Art. 74 Boek 3 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag voorschot en tegemoetkoming asbestslachtoffer wegens niet voldoen aan voorwaarden

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS) en een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden, met name de vereiste diagnose asbestose volgens het Protocol diagnostiek asbestose 2014 en de juridische stelplicht omtrent langdurige en intensieve beroepsmatige blootstelling aan asbest.

De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 behandeld. Uit de arbeidsanamnese blijkt dat eiser mogelijk slechts bij één werkgever aan asbest is blootgesteld, maar dit niet met zekerheid kan verklaren. Medisch advies van de Sectie Asbest-gerelateerde Aandoeningen (SAGA) en het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) concludeert dat het beeld van eiser niet compatibel is met asbestose zoals gedefinieerd in het Protocol. Hoewel pleurale plaques zijn vastgesteld, wijzen deze niet op asbestose maar alleen op relevant asbestcontact.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft voldaan aan de juridische stelplicht en dat de medische diagnose asbestose niet is gesteld volgens het Protocol. De aanwezigheid van pleurale plaques is onvoldoende voor toekenning. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen voorschot of tegemoetkoming ontvangt en ook geen proceskostenvergoeding krijgt.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een voorschot of tegemoetkoming op grond van TAS en TNS.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5305

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS) en een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een voorschot op grond van de TAS en een tegemoetkoming op grond van de TNS. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 25 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] (de dochter van eiser) en de gemachtigde van de SVB
.Bij de zitting was ook aanwezig
[persoon B], voorzitter van [naam vereniging], en gepensioneerd longarts.

Beoordeling door de rechtbank

Nadere stukken ontvangen na sluiting onderzoek ter zitting
3. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft [persoon B] bij e-mail van 17 maart 2026 een schrijven naar de rechtbank gestuurd, waarin hij onder meer een toelichting geeft op de relatie tussen de aanwezigheid van pleura plaques en asbestexpositie. Dit stuk geeft de rechtbank geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Dit betekent dat het onderzoek niet wordt heropend en dat de e-mail van [persoon B] buiten beschouwing blijft. [1]
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Volgens eiser heeft zijn behandelaar, longarts [naam arts 1] van Ziekenhuis Sint Jansdal in Harderwijk, bij hem de diagnose asbestose gesteld. Daarom heeft hij op 20 juni 2023 bij de SVB een aanvraag ingediend voor een voorschot op grond van de TNS en een tegemoetkoming op grond van de TAS. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de SVB een advies gevraagd aan het Instituut Asbestslachtoffers (IAS).
4.1.
Op 19 juni 2023 heeft een medewerker van het IAS een gesprek gehad met eiser over zijn arbeidsverleden. Het IAS heeft hiervan het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest van 3 juli 2023 (arbeidsanamnese) opgesteld. Uit de arbeidsanamnese blijkt dat eiser als fulltime schilder heeft gewerkt bij de volgende werkgevers: Schildersbedrijf [naam bedrijf 1] (± 1973 tot en met ± 1978), Schildersbedrijf [naam bedrijf 2] (± 1978 tot en met ± 1983), [naam bedrijf 3] (± 1983 tot en met ± 1984), [naam bedrijf 4] (± 1984 tot en met ± 1986) en Schildersbedrijf [naam bedrijf 5] (± 1986 tot en met 1998). Vanaf ± 1998 is hij mede eigenaar van [naam bedrijf 6].
4.2.
Met betrekking tot de vraag of eiser tijdens zijn werk aan asbest blootgesteld is geweest is in de arbeidsanamnese het volgende vermeld.
Ten aanzien van zijn werkzaamheden voor Schildersbedrijf [naam bedrijf 1], Schildersbedrijf [naam bedrijf 2], [naam bedrijf 3], [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 6], heeft eiser aangegeven dat het hem niet bekend is dat hij daarbij aan asbest is blootgesteld. Hij heeft geen asbesthoudend materiaal geschuurd of geschilderd. Ook is het eiser niet bekend dat er door anderen in de werkomgeving met asbesthoudend materiaal is gewerkt. Voor wat betreft zijn werkzaamheden voor Schildersbedrijf [naam bedrijf 5] heeft eiser aangegeven dat hij het mogelijk acht dat hij tijdens deze werkzaamheden aan asbest is blootgesteld. Tijdens schilderwerkzaamheden in een gebouw van de NS werd er op een verdieping boven hem asbest gesaneerd. Deze sanering vond plaats op een andere, afgesloten, verdieping en werd door een gespecialiseerd bedrijf uitgevoerd. Voor zover eiser zich kan herinneren was deze afdeling afgesloten en kwamen er geen stofwolken of iets dergelijks vrij van deze afdeling. Maar het is ook niet uit te sluiten dat hierbij wel asbestvezels zijn vrijgekomen in het pand. Dat kan eiser niet met zekerheid verklaren. Eiser heeft verder tijdens dit gesprek aangegeven dat hij in zijn privésituatie mogelijk aan asbest is blootgesteld. In zijn jeugd heeft hij een paar keer geholpen de hokken van de dieren te openen bij een stalbrand. Hij heeft niet geholpen bij het blussen van de brand. Mogelijk is hij hierbij wel aan asbest blootgesteld, omdat de dakbedekking van de stallen asbesthoudend was. Eiser heeft geen getuigen van blootstelling aan asbest.
4.3.
Het IAS heeft advies gevraagd aan de Sectie Asbest-gerelateerde Aandoeningen (SAGA) van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT). Op 31 juli 2023 heeft [persoon C], voorzitter van de SAGA, advies uitgebracht.
4.4.
Op 7 augustus heeft het IAS een advies uitgebracht aan de SVB. Daarin is vermeld dat de NVALT concludeert dat het beeld van eiser niet compatibel is met dat van asbestose zoals gedefinieerd in het Protocol diagnostiek asbestose 2014 (het Protocol). Het IAS is van mening dat eiser niet in aanmerking komt voor een voorschot op basis van de TAS, omdat de diagnose asbestose of de diagnose asbestose met een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 of 4 niet is gesteld. Ook dient eiser volgens het IAS niet in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de TNS. Vervolgens heeft de SVB de aanvraag van eiser, met het besluit van 25 augustus 2023, afgewezen.
4.5.
In de bezwaarprocedure heeft [persoon C] op 2 november 2023 advies uitgebracht aan [persoon D], medisch adviseur bij het IAS. [persoon D] heeft een memo gedateerd 4 december 2023 opgesteld. Nadat eiser in de gelegenheid is gesteld om op deze stukken te reageren is de SVB overgegaan tot afgifte van het bestreden besluit van 26 juli 2024.
4.6.
De SVB heeft aan het bestreden besluit – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Er wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een voorschot of tegemoetkoming op grond van de TAS-regeling of TNS-regeling in aanmerking te komen. De medische diagnose door de eigen specialisten staat in principe los van de diagnose asbestose zoals gedefinieerd in het Protocol. Het kan daarom zijn dat de eigen specialisten van eiser de medische diagnose hebben vastgesteld, maar dat deze diagnose vervolgens niet kan worden vastgesteld op grond van het protocol als niet (volledig) aan de voorwaarden wordt voldaan. Eén van de voorwaarden om voor een voorschot TAS vanwege de ziekte asbestose in aanmerking te komen, is namelijk dat aan de zogenoemde juridische stelplicht wordt voldaan. Dit houdt in dat de aanvrager aannemelijk moet hebben gemaakt dat de asbestose is veroorzaakt door een langdurige en intensieve blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer. Tijdens het persoonlijk onderhoud, waarbij het werkverleden van eiser is besproken heeft hij weliswaar aangegeven, dat hij mogelijk bij firma [naam bedrijf 5] aan asbest is blootgesteld, maar eiser kon dit destijds niet met zekerheid verklaren. In bezwaar heeft eiser evenmin met enige zekerheid kunnen verklaren bij welke firma hij in het verleden aan asbest is blootgesteld. Dat [persoon C] heeft verklaard dat het medisch ziektebeeld van eiser mogelijk relevant asbestcontact aantoont of dat zijn werkzaamheden allemaal tenminste vijftien jaar geleden zijn begonnen, maakt deze conclusie niet anders.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Volgens eiser voldoet hij wel aan de twee voorwaarden om in aanmerking te komen voor toekenning van het voorschot en de tegemoetkoming, zoals geformuleerd het advies van de Gezondheidsraad van 29 maart 1999 (met de titel Protocollen asbestziekten: asbestose) (het Advies). Hij heeft namelijk gewerkt in een beroep of bedrijf waar asbestblootstelling kon plaatsvinden. Eiser verwijst daarbij naar het advies van [persoon C] van 2 november 2023, waarin wordt aangegeven dat eiser werkzaam is geweest in een beroep of bedrijf waar asbestblootstelling kon plaatsvinden. [persoon C] stelt verder dat indien eiser zou beweren dat hij niet beroepsmatig aan asbest is blootgesteld, deze overwegingen irrelevant zouden zijn. Eiser heeft echter nimmer gesteld dat hij geen beroepsmatig asbestcontact heeft gehad. Dit wordt ondersteund door de arbeidsanamnese. Ook aan de voorwaarde dat deze werkzaamheden meer dan vijftien jaar geleden begonnen zijn, is voldaan. Het werk bij de huidige werkgever van eiser is immers in 1998 aangevangen, wat nu 26 jaar geleden is. De aanvang van de werkzaamheden bij de andere werkgevers ligt dus nog verder in het verleden.
Als de SVB al het standpunt inneemt dat hij niet in aanmerking komt voor een voorschot op grond van de TAS, omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarde dat hij werkzaam is geweest in een beroep of bedrijf waar asbestblootstelling kon plaatsvinden, dan is het voor eiser onbegrijpelijk dat hij niet in aanmerking komt voor tegemoetkoming op grond van TNS. Bij eiser zijn op een CT-scan van 9 juni 2023 namelijk verkalkte pleura plaques op beide diafragmata waargenomen, wat vanuit medisch perspectief wijst op relevant asbestcontact in het verleden.
Het verweer van de SVB
6. De SVB stelt zich in het verweerschrift van 7 augustus 2024 – kort samengevat – op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een voorschot op grond van de TAS en een tegemoetkoming op grond van de TNS. De beoordeling of sprake is van de ziekte asbestose heeft met toepassing van het Protocol plaatsgevonden. De SAGA heeft in de situatie van eiser geconcludeerd dat het beeld niet compatibel is met dat van een asbestose, zoals gedefinieerd in het Protocol.
Wat vindt de rechtbank?
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser longfibrose heeft.
Vastellen asbestose aan de hand van de arbeidsanamnese
7.1.
Bijlage 1 bij de TAS is het Protocol. Uit artikel 10 van Pro de TAS en artikel 2a van de TNS volgt dat met toepassing van het Protocol de ziekte asbestose moet zijn vastgesteld. Uit paragraaf 2.4 van het Protocol volgt dat op basis van een arbeidsanamnese wordt vastgesteld of sprake is van een intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig.
7.1.1.
Naar aanleiding van de bevindingen van de arbeidsanamnese concludeert het IAS, in een bijlage bij haar verzoek van 19 juli 2023 aan de SAGA:
“Het IAS heeft in onvoldoende mate kunnen vaststellen dat betrokkene beroepsmatig langdurig en intensief aan asbest is blootgesteld. Betrokkene heeft de juridische stelplicht niet ingevuld. De mogelijke aanwezigheid van een functie dan wel werkzaamheden in een omgeving waarvan algemeen bekend is dat daar asbestblootstelling voorkwam, is niet voldoende om te kunnen spreken van een langdurige en intensieve asbestblootstelling. Hiervoor moet betrokkene op zijn minst zelf aangeven of aannemelijk maken met asbest in aanraking te zijn gekomen. Dat is niet het geval.”
7.1.2.
De rechtbank kan deze redenering volgen. Uit de arbeidsanamnese blijkt immers dat eiser alleen bij werkgever Schildersbedrijf [naam bedrijf 5] mogelijk in aanraking is gekomen met asbest tijdens schilderwerkzaamheden in een gebouw van de NS. Daarbij is bovendien vermeld dat de asbestsanering plaatsvond op een andere, afgesloten verdieping, dat die werd uitgevoerd door een gespecialiseerd bedrijf, en dat eiser zich niet kan herinneren dat er stofwolken of iets dergelijks vrijkwamen van die afdeling.
7.1.3.
Eiser heeft aangevoerd dat hij schilder was en dat dit een beroep is waarin blootstelling aan asbest kon plaatsvinden. De rechtbank begrijpt dat eiser doelt op Bijlage C Beroepenlijst bij het Advies. Voor de vaststelling van asbestblootstelling op grond van een arbeidsanamnese is echter vereist dat daadwerkelijk sprake is geweest van een intensieve en langdurige asbestblootstelling en is niet voldoende dat de betrokkene werkzaam is geweest in een beroep waarin blootstelling aan asbest kon plaatsvinden. Van dergelijke intensieve en langdurige asbestblootstelling is, zo concludeert de rechtbank uit de arbeidsanamnese, niet gebleken.
Vaststellen asbestblootstelling op basis van asbest in de longen
7.2.
In de brieven van [persoon C] van 31 juli 2023 en 2 november 2023 en het memo van [persoon D] van 4 december 2023, is aan de orde gekomen dat het vaststellen van asbestblootstelling ook op medische wijze kan plaatsvinden, namelijk doordat uit een longbiopt blijkt dat (voldoende) asbestlichaampjes of asbestvezels in de longen aanwezig zijn.
7.2.1.
De rechtbank stelt vast dat deze mogelijkheid is besproken in paragraaf 6.2 en paragraaf 6.5, onder 3, van het Advies. Tijdens de zitting heeft de SVB meegedeeld dat deze wijze van vaststelling van asbestblootstelling valt binnen de kaders van paragraaf 2 ‘Vaststellen van asbestose’ van het Protocol.
7.2.2.
Voor de vaststelling van asbestblootstelling volgens paragraaf 6.2 en paragraaf 6.5, onder 3, van het Advies gelden de volgende voorwaarden:
  • door middel van een longbiopt zijn (voldoende) asbestlichaampjes of asbestvezels aangetoond;
  • de betrokkene is werkzaam geweest in een beroep waarin asbestblootstelling kon plaatsvinden (paragraaf 6.2 van het Advies in samenhang met bijlage C bij dat advies);
  • tussen het begin van de blootstelling en het moment waarop de diagnose longfibrose door de behandelend arts is gesteld, verstrijkt in de praktijk tenminste vijftien jaar (paragraaf 2.4 van het Protocol).
7.2.3.
Tijdens de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser werkzaam was in een beroep waarin asbestblootstelling kon plaatsvinden, namelijk schilder, en dat hij langer dan vijftien jaar voor de diagnose al werkzaam was als schilder, namelijk vanaf 1973.
7.2.4.
In het dossier bevindt zich de medische informatie die het IAS heeft opgevraagd, waaronder een brief van 13 juni 2023 van longarts [naam arts 1] van Ziekenhuis Sint Jansdal in Harderwijk. Uit deze brief blijkt niet dat (in het verleden) bij eiser een longbiopt is genomen. In beroep heeft eiser een brief van longarts [naam arts 2] van het Amsterdam Universitair Medisch Centrum van 3 mei 2024 overgelegd. Zoals toegelicht in het memo van [persoon D] van 21 december 2024 blijkt ook uit deze brief niet dat bij eiser een longbiopt is genomen.
7.2.5.
Eiser heeft gesteld dat in 2002 een bronchoscopie heeft plaatsgevonden en dat hij daarna van de longarts te horen heeft gekregen dat er asbest was gevonden in zijn longen. Tijdens de zitting heeft de dochter van eiser toegelicht dat zij heeft geprobeerd om de medische informatie uit die tijd bij Ziekenhuis Sint Jansdal op te vragen, maar dat dit niet is gelukt. Het ziekenhuis is overgestapt van papier naar een digitaal systeem en de medische informatie uit die tijd is waarschijnlijk vernietigd. Bovendien vertelde het ziekenhuis dat medische informatie 20 jaar bewaard wordt en op het moment dat de dochter informeerde waren al meer dan 20 jaar verstreken sinds 2002. De rechtbank is van oordeel dat ook uit deze informatie van eiser niet kan worden geconcludeerd dat door middel van een biopt is gebleken van asbestlichaampjes of asbestvezels in de longen van eiser.
Verkalkte pleurale plaques
7.3.
Uit de brieven van [persoon C] van 2 november 2023, van [naam arts 1] van 13 juni 2023 en van [naam arts 2] van 3 mei 2024 blijkt dat bij eiser verkalkte pleurale plaques zijn aangetroffen. Tijdens de zitting heeft [persoon B] toegelicht dat pleurale plaques zich niet in de longen bevinden, maar in het borstvlies (pleura). [persoon B] heeft meegedeeld dat iedere longarts desgevraagd zal bevestigen dat pleurale plaques eigenlijk alleen maar het gevolg kunnen zijn van asbest en hij is van mening dat pleurale plaques daarom voldoende bewijs zijn voor asbestblootstelling. Verder heeft [persoon B] meegedeeld dat de aanwezigheid van pleurale plaques niet betekent dat de diagnose asbestose kan worden gesteld, omdat asbestose een ziekte van het longweefsel is en pleurale plaques zich niet in het longweefsel bevinden.
7.3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het Protocol is vereist dat de diagnose asbestose als gevolg van asbestblootstelling als werknemer of anderszins beroepsmatig is gesteld. Uit de toelichting van [persoon B] tijdens de zitting volgt dat de aanwezigheid van pleurale plaques niet betekent dat de diagnose asbestose kan worden gesteld. Uit de brief van [persoon C] van 2 november 2023 volgt eveneens dat pleurale plaques weliswaar wijzen op relevant asbestcontact in het verleden, maar dat voor de diagnose asbestose volgens het Protocol vereist is dat bovendien asbestlichaampjes of asbestvezels worden gevonden, of dat uit een arbeidsanamnese blijkt van intensieve, langdurige asbestblootstelling als werknemer.
De rechtbank is van oordeel dat ook uit de brieven van [naam arts 1] en [naam arts 2] niet kan worden geconcludeerd dat bij eiser sprake is van asbestose. Tijdens de zitting heeft de rechtbank deze brieven al besproken. Samengevat komt het erop neer dat uit de brieven blijkt dat sprake is van een differentiaal diagnose of werkdiagnose asbestose, hetgeen betekent dat de diagnose asbestose (nog) niet gesteld kan worden. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de aanwezigheid van pleurale plaques onvoldoende is om te voldoen aan het vereiste in het Protocol dat asbestose is vastgesteld.
Voldoet eiser aan de voorwaarden voor toekenning van een voorschot of tegemoetkoming?
7.4.
Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een voorschot op grond van de TAS of een tegemoetkoming op grond van de TNS. De SVB heeft de aanvraag van eiser daarvoor dan ook terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. J.M. Hollebrandse en
mr. L. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014
Artikel 10
De werknemer die op het moment van de aanvraag in leven is en bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek asbestose de ziekte asbestose is vastgesteld en waarbij sprake is van een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 en 4 van het protocol diagnostiek asbestose heeft recht op een voorschot, indien:
a. hij aannemelijk heeft gemaakt dat de asbestose is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van arbeid als werknemer;
b. hij geen betaling in verband met de blootstelling aan asbest tijdens het verrichten van die arbeid en het daardoor veroorzaakte asbestose van de werkgever of de productaansprakelijke heeft ontvangen, dan wel in verband daarmee een bedrag heeft ontvangen dat lager is dan € 19.201,– ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet;
c. hij zich verplicht tot medewerking aan bemiddeling door het Instituut Asbestslachtoffers tussen hem en de werkgever om de schade vergoed te krijgen en, met inachtneming van onder d, tot medewerking om de schade zo nodig langs gerechtelijke weg vergoed te krijgen;
d. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om zo nodig de immateriële schade langs gerechtelijke weg te verhalen tot een bedrag zoals is overeengekomen in het convenant tot oprichting van het Instituut Asbestslachtoffers;
e. hij de SVB een onherroepelijke volmacht als bedoeld in artikel 74 van Pro Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek heeft verleend om de immateriële schadevergoeding namens hem van de werkgever te innen, teneinde dit te verrekenen met het verleende voorschot;
f. hij, na ontvangst van de schadevergoeding van de werkgever of de productaansprakelijke, het voorschot voor het geheel of, wanneer de schadevergoeding lager is dan het verleende voorschot, het voorschot voor dat deel aan de SVB terugbetaalt, indien geen gebruik wordt gemaakt van de volmacht, bedoeld in onder d, en
g. hij aan de SVB onverwijld mededeling doet van ontvangst van de schadevergoeding, bedoeld in onder f.
Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose
Artikel 2a, eerste lid
Recht op een tegemoetkoming, onverminderd artikel 2, heeft een persoon:
a. die op het moment van indiening van de aanvraag in leven is,
b. bij wie met toepassing van het protocol diagnostiek asbestose de ziekte asbestose is vastgesteld, en
c. waarbij sprake is van een longfunctiebeperking als bedoeld in klasse 2, 3 of 4 van het protocol diagnostiek asbestose.

Voetnoten

1.Artikel 2.16, derde lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025.