Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2965

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12105470
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:225 BWArt. 6:233 BWArt. 556 lid 1 RvArt. 557 RvRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontruiming en huurachterstand, afwijzing contractuele boete wegens oneerlijk beding

In deze kortgedingprocedure vordert de eiser ontruiming van het gehuurde en betaling van een huurachterstand, een contractuele boete en subsidiair een schadevergoeding gelijk aan de huurprijs. De gedaagde verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter oordeelt dat de verhuurder naar voorlopig oordeel een handelaar is in de zin van Richtlijn 93/13 EG, waardoor ambtshalve toetsing van het boetebeding op oneerlijkheid plaatsvindt. Gezien de omstandigheden wordt verwacht dat de bodemrechter het boetebeding zal vernietigen omdat het de huurder onevenredig belast.

De gevorderde ontruiming en huurachterstand worden toegewezen, evenals de subsidiaire schadevergoeding op grond van artikel 7:225 BW Pro. De gevorderde contractuele boete wordt afgewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

De uitspraak benadrukt de bescherming van consumenten tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten met handelaren, ook als de verhuurder zich als particuliere belegger ziet. De kantonrechter wijst het verzoek om machtiging tot ontruiming met behulp van de sterke arm af als overbodig.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een gedetailleerde kostenveroordeling. De uitspraak is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en op 30 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De ontruiming en huurachterstand worden toegewezen, de contractuele boete afgewezen wegens oneerlijk beding, en subsidiaire schadevergoeding conform artikel 7:225 BW toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12105470 \ VV EXPL 26-21
Vonnis in kort geding van 30 maart 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna ook samen te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. A.M.W. van Dijk,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 maart 2026 en de daarbij behorende producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2026, waar [de eiser] en haar gemachtigde zijn verschenen. [de gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.Het geschil en de beoordeling

2.1.
Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [de gedaagde] verstek verleend.
2.2.
[de eiser] vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, de ontruiming van het gehuurde aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) en betaling door [de gedaagde] aan hem van:
( a) de huurachterstand van € 5.021,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
7 februari 2026 over dit bedrag,
( b) primair de contractuele boete van € 2.500,00, te vermeerderen met € 150,00 per kalenderdag dat [de gedaagde] in gebreke blijft om aan zijn ontruimingsverplichting te voldoen, te rekenen vanaf 16 december 2025 totdat hij aan zijn ontruimingsverplichting heeft voldaan en subsidiair een vergoeding gelijk aan de huurprijs voor elke maand dat [de gedaagde] het gehuurde onrechtmatig onder zich houdt, te rekenen vanaf 16 december 2026 totdat hij aan zijn ontruimingsverplichting heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de diverse vervaldata totdat alles is betaald,
met veroordeling van [de gedaagde] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
2.3.
De vorderingen komen niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden daarom toegewezen, met inachtneming van en met uitzondering van het navolgende.
2.4.
De gevorderde ontruiming van het gehuurde wordt toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis.
2.5.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
2.6.
De primair gevorderde contractuele boete is opgenomen in artikel 3 van Pro de op
9 december 2025 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst en bepaalt dat de boete € 2.500,00 ineens en vervolgens € 150,00 per kalenderdag bedraagt. Hieromtrent overweegt de kantonrechter als volgt.
2.7.
In geval van overeenkomsten tussen een handelaar, die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf, en een consument dient de rechter ambtshalve – dat wil zeggen ook zonder dat een partij er een beroep op heeft gedaan – te beoordelen of de voorwaarden van de handelaar waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, oneerlijke bedingen bevatten zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG (hierna: ‘de Richtlijn’). Naar voorlopig oordeel is in dit geval van een dergelijke overeenkomst tussen een handelaar en een consument sprake.
In de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2018 (ECLI:EU:C:2018:808, “Kamenova”, in het bijzonder de overwegingen 30-41) is in dit verband, voor zover van belang, overwogen dat de Uniewetgever een bijzonder ruime opvatting van het begrip handelaar huldigt, namelijk elke natuurlijke persoon of rechtspersoon zodra deze een activiteit tegen betaling uitoefent en daarbij handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit. Het begrip handelaar moet daarbij worden bepaald in verhouding tot het tegengestelde begrip consument, dat verwijst naar elke niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende particulier, die zich ten opzichte van een handelaar in een zwakkere positie bevindt, in die zin dat hij als de economisch zwakkere en juridisch minder ervaren contractpartij moet worden beschouwd. Of sprake is van een handelaar moet van geval tot geval worden beoordeeld. Hierbij kan – zonder dat deze criteria uitputtend of uitsluitend zijn – onder meer van belang zijn of sprake is van een winstoogmerk, van informatie waarover de consument niet noodzakelijk beschikt, en of de activiteit met een zekere regelmaat plaatsvindt.
2.8.
Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is besproken, kan niet anders worden afgeleid dan dat sprake is van verhuur op commerciële voorwaarden, gericht op het vergaren van inkomen. Ter zitting is door [eiser 1] desgevraagd verklaard dat hij beschikt over meer onroerend goed voor de verhuur. Hoewel [eiser 2] heeft verklaard dat hij enkel mede eigenaar is van het gehuurde en daarnaast niet beschikt over meer onroerend goed voor de verhuur, valt te verwachten dat de bodemrechter [de eiser] als handelaar in de zin van de Richtlijn zal aanmerken.
2.9.
Daarom moet vervolgens beoordeeld worden of sprake is van oneerlijke bedingen. Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de Richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Daarbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegenomen.
De Richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde, maar de kantonrechter moet vanwege de Richtlijn wel op grond van artikel 6:233 BW Pro ambtshalve nagaan of een beding voor de wederpartij onredelijk bezwarend en daarmee oneerlijk is. Als dat zo is – of kan zijn – moet de kantonrechter dat beding vernietigen en mag de handelaar dat beding niet gebruiken en ook niet in plaats daarvan een beroep doen op aanvullend wettelijk recht (aldus het Hof in de uitspraak van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68). De Richtlijn heeft immers tot doel te voorkomen dat oneerlijke bedingen worden opgelegd aan consumenten en het zou in strijd zijn met dit doel als wordt toegestaan dat een handelaar zich beroept op aanvullend nationaal recht terwijl de algemene voorwaarden op dit punt een oneerlijk beding bevatten. De richtlijn zou dan niet voldoende afschrikwekkend werken.
2.10.
Tegen deze achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat te verwachten valt dat de bodemrechter het boetebeding in artikel 3 van Pro de vaststellingsovereenkomst zal aanmerken als oneerlijk en zal vernietigen, omdat de huurder ingevolge dat beding tot de ontruiming van het gehuurde maandelijks een hoger bedrag verschuldigd is dan op grond van het bepaalde in artikel 7:225 BW Pro. [de eiser] heeft niet gesteld dat zijn schade bij een latere ontruiming hoger is dan een vergoeding gelijk aan de huurprijs. Dit betekent dat de door [de eiser] primair gevorderde contractuele boete wordt afgewezen.
2.11.
De kantonrechter overweegt voorts dat hij zich alleszins kan voorstellen dat hoewel een huurder als [de gedaagde] de huur zal ervaren als niet te onderscheiden van elke andere bedrijfsmatige verhuur, tegelijkertijd een particuliere verhuurder als [de eiser] zich in het geheel geen bedrijfsmatig opererende handelaar voelt, maar een belegger. Beide perspectieven behoeven elkaar echter niet uit te sluiten en ook een dergelijke particuliere verhuurder zal kunnen inzien dat het niet met de door de Richtlijn beoogde en geregelde consumentenbescherming – hoe hij daar verder mogelijk ook over denkt – valt te rijmen als hij in zijn woningverhuurpraktijk bedingen zou mogen overeenkomen die tussen een handelaar en een consument als oneerlijk moeten worden aangemerkt en vernietigd moeten worden.
2.12.
De subsidiair gevorderde betaling van de gebruiksvergoeding op grond van artikel 7:225 BW Pro wordt wel toegewezen vanaf 16 december 2025 tot de dag van ontruiming van het gehuurde.
2.13.
De gevorderde wettelijke rente wordt slechts toegewezen over de bestaande huurachterstand ten bedrage van € 5.021,30 vanaf 7 februari 2026 totdat alles is betaald en over de niet betaalde gebruiksvergoeding over de periode 16 december 2025 tot en met maart 2026 vanaf de diverse vervaldata totdat alles is betaald. De gevorderde rente over de vanaf 1 april 2026 te betalen gebruiksvergoeding kan niet worden toegewezen, aangezien niet gebleken is dat [de gedaagde] ten aanzien van deze bedragen in verzuim is en deze bedragen (nog) niet opeisbaar zijn.
2.14.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.137,94
2.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
rechtdoende als voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt [de gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan [adres] te [plaatsnaam] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [de eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [de eiser] ,
3.2.
veroordeelt [de gedaagde] om te betalen aan [de eiser] :
a. a) € 5.021,30 aan achterstallige huur, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2026 totdat alles is betaald,
b) € 1.070,00 per maand vanaf 16 december 2025 tot en met maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de diverse vervaldata totdat alles is betaald,
c) € 1.070,00 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
3.3.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.137,94, te vermeerderen met de kosten van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de eerste betekening van het vonnis,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.
44356 \ 53331