Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2975

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
11896764 CV EXPL 25-2605
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding van overeenkomst voor levering en plaatsing pvc-vloer

Partijen sloten een gemengde koop- en aannemingsovereenkomst waarbij de gedaagde een pvc-vloer zou leveren en plaatsen, inclusief egaliseren en aansmeren, voor €7.000. Na levering en aanvang van werkzaamheden ontstond discussie over de planning en betaling via een bouwdepot.

De gedaagde stelde dat zij pas zou starten met leggen na ontvangst van betaling, wat leidde tot vertraging en onenigheid. Communicatie via WhatsApp toonde dat de gedaagde op 4 oktober 2024 aangaf pas na vier weken te kunnen starten en bood een gedeeltelijke terugbetaling aan, waarmee zij feitelijk de overeenkomst wilde beëindigen.

De eiser ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk op 3 april 2025 wegens niet-nakoming en verzuim van de gedaagde. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde niet tijdig heeft geleverd en in verzuim is geraakt op grond van artikel 6:83 lid 1 sub c BW Pro. De ontbinding is rechtsgeldig en de gedaagde moet €4.277,50 terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding van €668,83 voor buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is de gedaagde veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De overeenkomst is gedeeltelijk ontbonden en de gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11896764 \ CV EXPL 25-2605
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. A.S. Kik-Hartog,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.F.C. Hoogendoorn en mr. L.A. Boers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025
- het bericht van 13 februari 2026 met productie(s) van [de eiser]
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarbij door beide gemachtigden spreekaantekeningen zijn overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen verder is besproken op de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [de gedaagde] een pvc-vloer zou leveren en plaatsen in de woning van [de eiser] Daarbij hebben partijen ook afgesproken dat [de gedaagde] de dekvloer zou aansmeren en egaliseren. Partijen zijn hiervoor een bedrag van € 7.000,00 overeengekomen, in welk bedrag is begrepen een bedrag van € 2.722,50 voor het pvc.
2.2.
Partijen hebben via WhatsApp contact gehad over wanneer de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd. Zij hebben elkaar daarover op 23 september 2024, voor zover van belang, het volgende geschreven:
Maandag 23 september 2024
(…)
[de gedaagde] :
“En anders vrijdag egaliseren zou ook lukken toch aankomende week en dan dinsdag plakken”
[de eiser] :
“Mogen we er dan dinsdag op lopen?”
[de gedaagde] :
“Jaaa als wij vrijdag egaliseren kunt u er 4 uur later weer over lopen hoor”
[de eiser] :
“Ja dat zou kunnen! Laten we dit dan aanhouden en mocht er iets veranderen hou ik je op de hoogte
(…)
En na het plakken?
Zou dan bijvoorbeeld woensdag de keuken geplaatst kunnen worden?”
[de gedaagde] :
“Jaa precies en wij plakken dan dinsdag even aanhouden dan zou je er gelijk over heen kunnen lopen alleen meubels mogen pas dag later gezet worden.
Ja dat zou mogen ja.
Wel dan voorzichtig te werk gaan inverband krassen”
(…)
2.3.
Op vrijdag 27 september 2024 is de vloer geleverd en is [de gedaagde] begonnen met het egaliseren van de vloer in de woning van [de eiser] [de gedaagde] heeft [de eiser] die avond in een WhatsAppbericht het volgende geschreven: “
Sommige punten waar de vloer heel slecht was moet ik dinsdag even aansmeren”. [de eiser] heeft diezelfde avond de bank nog de opdracht gegeven het bedrag van € 7.000,00 uit het bouwdepot aan [de gedaagde] te betalen.
2.4.
Op maandag 30 september 2024 heeft [de gedaagde] [de eiser] laten weten dat de vloer pas wordt gelegd als de betaling uit het bouwdepot binnen is. Partijen hebben hierover via WhatsApp, voor zover van belang, het volgende aan elkaar geschreven:
(…)
[de gedaagde] :
“(…) maar ik wacht even tot betaald is en dan knallen wij de vloer er in (…)”
[de eiser] :
“Huh echt?
Raar…we hebben doordat jullie morgen starten woensdag installatie van de keuken gepland.
Dus ik vind het wel bijzonder dat je hier dan nu mee komt, dit brengt voor ons ook weer extra kosten met zich mee als we vertraging oplopen doordat de bank later uitbetaalt
Morgen staat het nog niet op je rekening want hij is bij de bank nog in behandeling, dus hoe gaan we dit oplossen dan?”
[de gedaagde] :
“Ja dit lossen we zeker op hoor. De keuken kan gewoon geplaatst worden voordat de vloer er ligt hoor dat is geen enkel probleem wij leggen hem toch zo ver mogelijk onder de keuken door er is nog niks aan de hand hoor.
(…)
[de eiser] :
“(…) Door jullie annulering moeten wij de keukenbouwers afzeggen en kost dat ook extra geld. We willen namelijk de vloer graag onder de keuken door laten lopen.
Daarnaast denk ik dat jullie nog een aantal dingen bij moeten werken qua egaliseren want niet de hele vloer is vlak, dus door dat werk kan het leggen van de vloer wellicht ook vertragen.”
[de gedaagde] :
“Ja we moeten zeker nog de vloer aansmeren en waar de keuken komt ook klopt dat was ook afgesproken maar dat is nog het minste werk. We hebben ons best gedaan met de vloer zo vlak mogelijk te maken en in een x vlak krijgen lukt niet vandaar dat we het moeten aansmeren. Maar het kan ook zo zijn dat het morgen op de rekening staat dan kunnen we gewoon aan de slag hoor (…)”
2.5.
Partijen hebben vervolgens via WhatsApp met elkaar gecommuniceerd over wanneer [de gedaagde] de werkzaamheden dan zou komen uitvoeren. Partijen hebben elkaar het volgende geschreven:
Woensdag 2 oktober 2024
[de gedaagde] :
“Super Uhm Waneer wilt u het liefst dan dat we komen dit zal denk morgen of vrijdag komen”
[de eiser] :
“Vrijdag is prima”
Donderdag 3 oktober 2024
[de eiser] :
“Hoi, wij zijn helaas ziek dus we moeten morgen verplaatsen. Maandag goed?
[de gedaagde] :
“Is goed”
2.6.
Op vrijdag 4 oktober 2024 heeft [de eiser] [de gedaagde] via WhatsApp laten weten dat de afspraak voor maandag 7 oktober 2024 moet worden verplaatst naar dinsdag
8 oktober 2024 omdat die maandag de keuken zou worden afgemonteerd. Vervolgens hebben partijen elkaar via WhatsApp het volgende geschreven:
Vrijdag 4 oktober 2024
[de gedaagde] : “
Hee geld is binnen, ik zou pas over 4 week kunnen starten met de vloer. ik had deze week echt tijd maar door miscommunicatie ging het wat moeizaam. Ik kan zekerheid het leg geld en het aansmeer geld terug overmaken dan heb jij alles betaald en als je een ander kan vinden mag dat ook hoor aangezien wij de eerste 4 week niet meer kunnen…Heel erg balen dit
[de eiser] :
“Dan begin je vandaag maar en maak je het maandag af.
Dit kan echt niet.
Of ik wil het geld terug van aansmeren, leggen en egaliseren want het is simpelweg nog niet geëgaliseerd
(…)
Vanuit jullie is nooit aangegeven dat jullie pas zouden beginnen met leggen als de betaling binnen was, daarnaast waren jullie ervan op de hoogte dat wij werken met een bouwdepot en dat daar nou eenmaal een aantal werkdagen betalingstermijn aan zitten. Dat was vanuit jullie fout nummer 1, vervolgens is nooit aangegeven dat jullie alleen deze week nog tijd hadden om te leggen, anders hadden we ervoor gezorgd dat jullie gister of vandaag hadden kunnen beginnen
(…)
Er zitten allemaal kieren nog in de vloer, er is hoogteverschil tussen de aanbouw en de rest
En de hal is maar half gedaan.
Iemand die gaat egaliseren moet weer opnieuw beginnen, dus ik verwacht op zijn minst de helft van het egaliseergeld, al het leggeld en al het aansmeergeld terug omdat jullie überhaupt niet hebben aangesmeerd zoals je zelf in je apps aangaf dus zoals zwart op wit staat.
(…)
Vandaag ben je vrij dus je kan alsnog vandaag langskomen om te starten en maandag om het af te maken. (…).”
[de gedaagde] :
“(…) ik begrijp je punt en dit is heel vervelend laten we tot een oplossing komen want als we bij elkaar moeten komen komt dat niet goed, ik heb de volgende berekening gemaakt
Leggen €18 x 90
Aansmeren €300
Totaal = 1920
Jij vind dat er de helft van egaliseren terug moet worden overgemaakt maar wij hebben 6 mm gegalsieerd wat normaal gesproken 3 hoort te zijn daar mag je al echt geluk mee hebben dat wij daar niet voor gerekend hebben. Toen wij bij Jullie aankwamen heb ik met je alles mondeling besproken en was alles akkoord ik wil tot een akkoord gaan van 2250 dan ben ik schappelijk naar jou kant toe. Dat bedrag maag ik je gelijk terug over want dat is niet van mij. Voor de rest wil ik nooit meer zaken met jullie doen want hoe Julie met deze situatie omgaan is niet netjes (…).
2.7.
In een brief van 17 februari 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] laten weten dat de werkzaamheden niet conform de afspraak zijn uitgevoerd en zij verzoekt [de gedaagde] om binnen een week met een passend voorstel voor de geleden schade te komen.
2.8.
Bij brief van 3 april 2025 is namens [de eiser] de overeenkomst ontbonden en is [de gedaagde] verzocht en zo nodig gesommeerd het bedrag van € 7.000,00 binnen
15 dagen terug te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk is ontbonden op 3 april 2025 en dat [de gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 4.277,50, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten.
3.2.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een gemengde overeenkomst van koop (het leveren van het pvc) en aanneming van werk (het egaliseren, aansmeren en leggen van de vloer). Beoordeeld moet worden of [de eiser] deze overeenkomst terecht gedeeltelijk buitengerechtelijk heeft ontbonden.
4.2.
De bevoegdheid tot ontbinding ontstaat kort gezegd pas wanneer er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van één van de verbintenissen uit de overeenkomst én sprake is van verzuim, van in dit geval [de gedaagde] .
4.3.
Niet in geschil is dat [de gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verbintenissen uit de overeenkomst van aanneming van werk. Zij heeft immers niet gedaan wat zij op grond van die overeenkomst had moeten doen. Zo staat vast dat [de gedaagde] de egalisatiewerkzaamheden niet heeft afgerond en ook heeft zij de vloer niet gelegd.
4.4.
Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of [de gedaagde] in verzuim is geraakt op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en sub a dan wel sub c BW. Daarover wordt als volgt overwogen.
4.5.
Partijen zijn met elkaar in gesprek gegaan over de planning voor wat betreft
het uitvoeren van de werkzaamheden aan de vloer. Dit blijkt onder meer uit het WhatsAppbericht van maandag 23 september 2024. Vaststaat dat partijen daarin hebben afgesproken dat [de gedaagde] de dekvloer op vrijdag 27 september 2024 zou gaan egaliseren, waarna zij op dinsdag 1 oktober 2024 de vloer zou leggen. Anders dan [de eiser] betoogt, levert de genoemde datum van 1 oktober 2024 echter geen fatale termijn op in de zin van artikel 6:83 aanhef Pro en sub a BW.
4.6.
Daartoe is van belang dat [de eiser] op 23 september 2024 heeft geschreven: ‘
Laten we dit dan aanhouden en mocht er iets veranderen hou ik je op de hoogte’, waarna [de gedaagde] heeft geantwoord: ‘
plakken dan dinsdag even aanhouden’. Dit duidt op een streefdatum voor wat betreft de start van deze werkzaamheden en niet op een tussen partijen afgesproken fatale termijn. [de eiser] wijst er in dit kader nog op dat [de gedaagde] wist dat het werk op 1 oktober 2024 afgerond moest zijn omdat de keuken een dag later geplaatst zou worden, maar de juistheid hiervan is niet komen vast te staan. [de eiser] heeft alleen aan [de gedaagde] gevraagd: ‘
Zou dan bijvoorbeeld woensdag de keuken geplaatst kunnen worden?’, zonder daar verder gevolg aan te geven. Niet gesteld of gebleken is dat [de eiser] [de gedaagde] (daarna) heeft laten weten dat de keuken daadwerkelijk op 2 oktober 2024 zou worden geplaatst en dat de vloer daarom uiterlijk op
1 oktober 2024 moest worden opgeleverd. Dit alles maakt dat [de gedaagde] niet op
1 oktober 2024 in verzuim is geraakt door het verstrijken van een fatale termijn.
4.7.
[de gedaagde] is echter wel op 4 oktober 2024 in verzuim geraakt, namelijk op grond van artikel 6:83 aanhef Pro en sub c BW. Dit wordt hierna toegelicht.
4.8.
In de ochtend van 4 oktober 2024 heeft [de gedaagde] [de eiser] geschreven: ‘
ik zou pas over 4 week kunnen starten met de vloer. Ik had deze week echt tijd maar door miscommunicatie ging het wat moeizaam. ik kan zekerheid het leg geld en het aansmeer geld terug overmaken dan heb jij alles betaald en als je een ander kan vinden mag dat ook hoor aangezien wij de eerste 4 week niet meer kunnen’. [de gedaagde] stuurde hiermee in feite al aan op een gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. Dit bericht van [de gedaagde] kwam voor [de eiser] uit de lucht vallen, aangezien [de gedaagde] nooit eerder in het vooruitzicht heeft gesteld dat zij binnenkort niet meer beschikbaar zou zijn om het werk uit te voeren. [de eiser] heeft dan ook meerdere WhatsAppberichten gewijd aan het uiten van haar ongenoegen over deze situatie. Daarin is [de eiser] niet alleen ingegaan op het voorstel van [de gedaagde] tot terugbetaling van een bepaald bedrag, maar hij heeft ook tot twee maal toe aangegeven dat [de gedaagde] alsnog dezelfde dag en/of de maandag daarop kon komen om het werk uit te voeren, zoals eerder tussen partijen was afgesproken.
4.9.
Hoewel [de eiser] niet kan verwachten dat [de gedaagde] haar agenda op
elk gewenst moment vrijmaakt voor [de eiser] , is [de gedaagde] in het geheel niet meer ingegaan op het verzoek van [de eiser] om de werkzaamheden alsnog (op de eerder voorgestelde dagen) af te ronden. Integendeel, zij heeft in haar laatste WhatsAppbericht van
4 oktober 2024 een definitief einde willen maken aan de overeenkomst door te schrijven: ‘
ik wil tot een akkoord gaan van 2250 (…). Dat bedrag maak ik je gelijk terug over want dat is niet van mij. Voor de rest wil ik nooit meer zaken met jullie doen (…)’. Hieruit volgt dat
[de gedaagde] weigerde de overeengekomen werkzaamheden alsnog uit te voeren en dat zij van de overeenkomst af wilde door een bedrag van € 2.250,00 terug te betalen. Ook staat als onweersproken gesteld vast dat [de gedaagde] het telefoonnummer van [de eiser] vervolgens heeft geblokkeerd. Uit deze mededelingen en gedragingen van [de gedaagde] mocht [de eiser] dan ook afleiden dat [de gedaagde] de werkzaamheden niet zou afronden.
4.10.
Dit betekent dat [de eiser] de overeenkomst op 3 april 2025 rechtsgeldig heeft ontbonden voor wat betreft het verrichten van de werkzaamheden. De gevorderde verklaring voor recht op dit onderdeel wordt daarom toegewezen. Door de ontbinding ontstaat er een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties. Dit betekent dat [de gedaagde] het bedrag van € 4.277,50 aan [de eiser] moet terugbetalen. De daartoe strekkende vordering wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt eveneens toegewezen zoals gevorderd.
4.11.
[de eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [de eiser] heeft voldoende gesteld
en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [de eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden.
[de eiser] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [de eiser] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 668,83 worden toegewezen.
4.12.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.125,04

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de overeenkomst van aanneming van werk tussen partijen is ontbonden op 3 april 2025,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 4.277,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 22 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 668,83 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.125,04, te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op
1 april 2026.
(ldj)