Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2991

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11961034 \ CV EXPL 25-9034
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 210 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing oproeping in vrijwaring in geschil over cessie en betaling werkzaamheden

In deze civiele bodemzaak vordert FreelanceFactoring betaling van openstaande facturen en incassokosten van Vita, gebaseerd op een door Cozorg aan FreelanceFactoring gecedeerde vordering. Vita betwist de rechtsgeldigheid van de cessie en heeft de betalingen rechtstreeks aan de werknemer gedaan, waardoor zij deze betalingen wil terugvorderen indien de cessie rechtsgeldig blijkt.

Vita heeft in een incident verzocht om de werknemer in vrijwaring op te roepen, omdat zij meent dat deze aansprakelijk is voor de gevolgen van een eventuele veroordeling. De kantonrechter oordeelt dat Vita voldoende heeft gesteld dat er een rechtsverhouding bestaat tussen haar en de werknemer die verhaal mogelijk maakt.

FreelanceFactoring heeft geen bezwaar gemaakt tegen de oproeping in vrijwaring. De kantonrechter wijst daarom de incidentele vordering toe en bepaalt dat de beslissing over de kosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is afgerond. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de oproeping in vrijwaring toe en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11961034 \ CV EXPL 25-9034
Vonnis in incident van 18 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
FREELANCEFACTORING.COM B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: FreelanceFactoring,
gemachtigde: mr. M.M. van Steenpaal,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VITA ZORGGROEP B.V.,
gevestigd te Arnhem,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Vita,
gemachtigde: Stichting Univé Rechtshulp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 oktober 2025 met producties 1 tot en met 15,
  • de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,
  • de akte tot referte aan de zijde van FreelanceFactoring.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
FreelanceFactoring vordert in de hoofdzaak (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
Vita veroordeelt tot betaling van € 8.619,07, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag volgend op de vervaldatum van de voor de betreffende vordering opgemaakte factuur tot de dag van volledige betaling,
Vita veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 805,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
Vita veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.
2.2.
FreelanceFactoring let aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Bemiddelingsbureau Cozorg B.V. (hierna: Cozorg) heeft een opdracht aangenomen om, via haar bemiddeling, de heer [betrokkene] h.o.d.n. [coachingbedrijf] (hierna: [betrokkene] ) werkzaamheden voor Vita te laten uitvoeren. Uit hoofde hiervan heeft Cozorg vorderingen op Vita ter zake van bemiddeling en de door [betrokkene] uitgevoerde werkzaamheden. FreelanceFactoring stelt dat Cozorg haar vorderingen op Vita aan FreelanceFactoring heeft gecedeerd. Volgens FreelanceFactoring was Vita op de hoogte van deze cessie. De betalingen die Vita heeft gedaan aan [betrokkene] , zijn dan ook geen bevrijdende betalingen.
2.3.
Vita heeft in de hoofdzaak nog niet geantwoord.

3.Het geschil en de beoordeling in incident

3.1.
Vita vordert dat haar wordt toegestaan [betrokkene] in vrijwaring op te roepen. Vita betwist, bij gebrek aan wetenschap van de vermeende cessie voorafgaand aan haar betalingen, dat de vorderingen rechtsgeldig aan FreelanceFactoring zijn geleverd. Nu Vita de gestelde cessie ontkent, heeft zij, in overleg met Cozorg, de vergoeding voor de werkzaamheden van [betrokkene] rechtstreeks aan hem betaald. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat de vorderingsrechten van Cozorg op Vita rechtsgeldig aan FreelanceFactoring zijn gecedeerd, ontbreekt iedere rechtsgrond voor de betalingen die Vita aan [betrokkene] heeft gedaan en kan Vita dit bedrag terugvorderen.
3.2.
FreelanceFactoring refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter en geeft daarmee te kennen dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van de incidentele vordering.
3.3.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is door Vita tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolgde artikel 210 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indient hij meent hiervoor gronden te hebben. De gedaagde in de hoofdzaak moet genoegzaam stellen dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
3.4.
De kantonrechter is van oordeel dat Vita voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij, indien de beslissing in de hoofdzaak voor haar nadelig zal uitvallen, verhaal heeft op [betrokkene] . Nu FreelanceFactoring zich daarnaast refereert aan het oordeel van de kantonrechter, zal de kantonrechter de incidentele vordering toewijzen.
3.5.
De kantonrechter zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

4.De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 1 april 2026 voor conclusie van antwoord door Vita.
4.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
5.1.
staat toe dat [betrokkene] h.o.d.n. [coachingbedrijf] , wonende te [adres] , door Vita wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
1 april 2026,
5.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
1 april 2026voor conclusie van antwoord,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 66349