Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2993

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11938473 \ CV EXPL 25-8497
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling resterende factuur en incassokosten na gedeeltelijke betaling en betwisting

De zaak betreft een vordering van een besloten vennootschap tegen een vennootschap onder firma en haar vennoten wegens niet volledig betaalde factuur voor geleverde goederen en incassokosten.

De eiser stuurde een factuur van € 3.876,08, inclusief buitengerechtelijke incassokosten van een oud dossier. Gedaagde betaalde slechts € 2.000,00 en verweerde zich met betwisting van dubbele incassokosten en een beroep op betalingsonmacht.

De kantonrechter oordeelde dat betalingsonmacht geen uitstel van betaling rechtvaardigt en dat de overeengekomen incassokosten voor het oude dossier verschuldigd zijn. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen tot het wettelijke maximum. Na verrekening van de reeds betaalde bedragen resteert een verschuldigd bedrag van € 2.397,69 plus wettelijke rente.

Gedaagde werd tevens veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.397,69 plus wettelijke rente en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11938473 \ CV EXPL 25-8497
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam eisend bedrijf] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: M. Meun,
tegen
de vennootschap onder firma
1.
V.O.F. [naam gedaagd vennootschap],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[naam gedaagd vennoot 1] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap] ,3.
[naam gedaagd vennoot 2] , VENNOOT VAN V.O.F. [naam gedaagd vennootschap],
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 oktober 2025 met producties A tot en met K,
  • de conclusie van antwoord,
  • de conclusie van repliek met een productie,
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagde] heeft bij [de eiser] het voer Groei Econom Extra (hierna: het voer) besteld en geleverd gekregen voor een bedrag van € 3.521,16.
2.2.
Op 26 februari 2025 heeft [de eiser] een factuur van € 3.876,08 verstuurd voor het geleverde voer en voor buitengerechtelijke incassokosten van een oud dossier.
2.3.
[de eiser] heeft [de gedaagde] meermaals, zowel telefonisch, per post als per e-mail, op zijn betalingsverplichting gewezen. Partijen zijn ook een betalingsregeling overeengekomen, maar desondanks heeft [de gedaagde] de factuur niet volledig voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 2.662,16, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 1.876,08 vanaf 4 oktober 2025,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vordering (samengevat) ten grondslag dat [de gedaagde] , zonder geldige reden, de factuur van 26 februari 2025 deels onbetaald heeft gelaten. [de eiser] heeft meermaals op betaling van de factuur gewezen.
3.3.
[de gedaagde] voert aan dat [de eiser] in strijd met het recht tweemaal buitengerechtelijke incassokosten aan haar factureert. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling van de factuur langer kon duren.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De vordering
4.1.
[de gedaagde] betwist niet dat zij nog een restant-betaling verschuldigd is voor het geleverde voer. Van het totale factuurbedrag van € 3.521,16, heeft [de gedaagde] nadat zij in gebreke was gesteld, € 2.000,00 voldaan. Ook de verschuldigdheid van de over de hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente is niet betwist. Wel voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] wist dat de betaling langer kon duren. Voor zover [de gedaagde] hiermee wil aanvoeren dat [de eiser] genoegen zou moeten nemen met betaling op langere termijn, slaagt dit verweer niet. Ook bij betalingsonmacht geldt dat dit, hoe vervelend ook voor [de gedaagde] , geen aanspraak geeft op uitstel van betaling. Deze omstandigheid ligt in de risicosfeer [de gedaagde] en ontslaat hem niet van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [de eiser] . [de gedaagde] is dan ook gehouden tot betaling van de factuur van [de eiser] . Aangezien [de gedaagde] al een bedrag van € 2.000,00 heeft voldaan, zal nader moeten worden bepaald welk bedrag [de gedaagde] nog verschuldigd is. Hiervoor wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.4.
4.2.
Onderdeel van de factuur van [de eiser] is een bedrag van € 354,92 voor de buitengerechtelijke incassokosten voor een oud dossier. De verschuldigdheid van dit bedrag wordt door [de gedaagde] wel betwist. [de eiser] stelt dat partijen zijn overeengekomen dat [de gedaagde] tezamen met de volgende bestelling van voer, incassokosten voor een ouder dossier zal betalen. Ondanks de betwisting [de gedaagde] blijkt uit de overgelegde correspondentie (productie 1 bij conclusie van repliek) tussen partijen duidelijk dat zij dit zijn overeengekomen. De kantonrechter zal daarom de vordering tot betaling van € 354,92 toewijzen.
4.3.
Verder vordert [de eiser] betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 581,41. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 512,61.
4.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat [de gedaagde] nog een bedrag van € 3.876,08 aan hoofdsom (voer en overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten gemaakt in een oude procedure) aan [de eiser] verschuldigd is. Ook is [de gedaagde] een bedrag van € 512,61 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Hiermee is [de gedaagde] in totaal nog een bedrag van € 4.397,69 aan [de eiser] verschuldigd. Op zowel 12 juni 2025 als 1 september 2025 heeft [de gedaagde] een bedrag van steeds € 1.000,00 voldaan (in totaal € 2 000,00). Deze betaling zal op grond van artikel 6:44 Burgerlijk Pro Wetboek eerst in mindering wordt gebracht van de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens op de verschuldigde rente en daarna op de hoofdsom. De kantonrechter zal aldus een bedrag van € 2.397,69 toewijzen.
De proceskosten
4.5.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,16
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.268,66
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.6.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk om aan [de eiser] een bedrag van € 2.397,69 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 13 maart 2025 (datum verzuim) tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.268,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [de gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 66349