Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3002

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
06/950630-10
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:10 SvWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging terbeschikkingstelling na onterechte kliniekplaatsing en positieve ontwikkelingen betrokkene

De rechtbank Gelderland behandelde op 10 april 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (tbs) van betrokkene. Na eerdere tussenbeslissing waarin werd vastgesteld dat het verblijf van betrokkene in een kliniek zonder juridische grondslag was, werd de behandeling voortgezet met betrokkenen en deskundigen.

De officier van justitie pleitte voor een verlenging van één jaar, omdat de overgang van kliniek naar zelfstandig wonen te abrupt zou zijn. Betrokkene en zijn raadsvrouw stelden echter dat de maatregel beëindigd moest worden vanwege positieve ontwikkelingen en het ontbreken van behandelnoodzaak. De reclassering en NIFP-rapporteur gaven aan dat voortzetting van toezicht wenselijk was, maar erkenden de negatieve houding van betrokkene.

De rechtbank concludeerde dat voortzetting van de maatregel geen meerwaarde heeft en mogelijk averechts werkt. Betrokkene woont inmiddels zelfstandig, is positief gestemd over toekomst en wil studeren of werken. De veiligheid van anderen vereist geen verlenging. De vordering tot verlenging van de tbs-maatregel wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af en beëindigt de maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 06/950630-10
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 6:6:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene]geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,
verblijvende op [adres] ,
raadsvrouw: mr. L. Schouten, advocaat te Amsterdam.

1.Het procesverloop

De rechtbank verwijst naar de tussenbeslissing van 23 januari 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:534).
De behandeling van de verlengingsvordering is voortgezet op 27 maart 2026. Daarbij zijn gehoord
 betrokkene;
 zijn raadsvrouw mr. L. Schouten;
 [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker;
 S. Labrijn, GZ-psycholoog en NIFP-rapporteur;
 [ambtenaar] , werkzaam bij Directie Individuele Zaken van het ministerie (via videoverbinding);
 de officier van justitie, mr. H. Menke.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting de vordering toegelicht en daarin volhard met dien verstande dat de periode van verlenging kan worden beperkt tot één jaar. De stap vanuit de gestructureerde setting van [kliniek] naar het zelfstandig wonen zonder toezicht is te groot; de resocialisering moet geleidelijker verlopen.

3.Het standpunt van betrokkene

De raadsvrouw heeft gepleit voor beëindiging van de maatregel. Er is veel gebeurd de laatste jaren en bovenal veel mis gegaan. De terugplaatsing naar [kliniek] was onjuist, zoals de rechtbank heeft vastgesteld in de tussenbeslissing. De ontwikkelingen van betrokkene de afgelopen jaren zijn positief, tot het incident in juli 2025 bij de FBW in [plaats] waarover nog steeds verschil van mening bestaat. De deskundigen zijn duidelijk: er is geen sprake meer van behandeling. Betrokkene kan zijn leven zelf vorm geven. Nog een jaar verlenging heeft geen enkele toegevoegde waarde en zal zelfs een averechts effect hebben.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank verwijst wederom naar eerder genoemde tussenbeslissing.
De ontwikkelingen sedertdien
4.2.
Nadat de rechtbank in de tussenbeslissing heeft vastgesteld dat voor het verplicht gestelde verblijf bij [kliniek] geen juridische grondslag bestond nu de eerdere beslissing van de rechtbank van 3 februari 2025 niet een daartoe strekkende voorwaarde bevatte, heeft het openbaar ministerie bij e-mail van 5 februari 2026 laten weten dat het verblijf van betrokkene aldaar op vrijwillige basis was en dat op basis van de behandelovereenkomst bepaalde regels gelden conform de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, die ook aansluiten bij de strikte regels van een hoog beveiligde FPC, ook ten aanzien van verlof en het verlaten van het kliniekterrein.
4.3.
Kennelijk was dat vrijwillige karakter en het bestaan van een behandelovereenkomst betrokkene en zijn raadsvrouw niet bekend. Betrokkene heeft op 6 februari 2026 de kliniek verlaten en is – nadat hij is geopereerd en tijdelijk in een hotel verbleef – voorlopig bij zijn moeder gaan wonen, een door de reclassering goedgekeurd adres. Daar kan hij de komende tijd blijven. Hij is tijdelijk arbeidsongeschikt, maar is voornemens weer een studie op te pakken of te gaan werken bij een hoveniersbedrijf.
4.4.
De reclassering en de DIZ zijn intussen druk bezig geweest een FBW-plek voor betrokkene te vinden, maar dat is nog niet gelukt. Hij is aangemeld bij verschillende instellingen, sommige hebben hem afgewezen en sommige aanvragen lopen nog, maar er is eigenlijk geen uitzicht op succes. Aanmelden bij een FPA is een gepasseerd station. De aangezochte instellingen willen betrokkene niet opnemen en betrokkene weigert ook daaraan mee te werken, zoveel was vorig jaar al duidelijk.
Hoe moet het verder?
4.5.
Betrokkene heeft aangegeven geen heil meer te zien in nogmaals plaatsing in een FBW-instelling. Hij is klaar met de hele maatregel en alle daarbij betrokken instanties, met name de reclassering waarin hij geen enkel vertrouwen meer heeft.
4.6.
De reclassering en NIFP-rapporteur Labrijn hebben aangegeven dat de huidige situatie, na betrokkenes vertrek uit [kliniek] , iedereen voor voldongen feiten plaatst. Idealiter zouden zij betrokkene nog enige tijd in een FBW-instelling willen zien, zodat er de nodige begeleiding en toezicht is. Duidelijk is echter dat betrokkene inmiddels zodanig negatief staat tegen een voortzetting van het toezicht, dat een vruchtbare samenwerking tussen hem en de reclassering en FBW-medewerkers moeilijk te realiseren zal zijn.
Slotsom
4.7.
Het tbs-traject is vorig jaar op het verkeerde spoor beland toen betrokkene na een (door hem betwist) incident bij FBW van [verblijfsplaats] is terug geplaatst naar [kliniek] met alle beperkingen in de bewegingsvrijheid van dien. Sinds duidelijk werd dat er geen juridische grondslag was voor die plaatsing, is alles in een stroomversnelling geraakt. Betrokkene woont nu elders en er is amper nog contact met de reclassering, anders dan periodieke voortgangsgesprekken. Betrokkene is op dit moment positief gestemd over de toekomstige ontwikkelingen, hij wil gaan studeren of werk zoeken. De deskundigen vinden het van belang hem hierin te steunen en hem die ruimte te geven, ook al hadden zij een iets ander traject voor ogen, namelijk nog één jaar verlenging en dan beëindiging van de maatregel als zich geen ernstige tegenslagen zouden voordoen. In de huidige situatie heeft voortzetting van het reclasseringstoezicht echter geen enkele meerwaarde meer. Zowel de reclassering als de NIFP-rapporteur refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.8.
Bij die laatste constatering aanhakend, zal de rechtbank de tbs-maatregel beëindigen. Voortzetting heeft geen enkele toegevoegde waarde meer, en kan wellicht zelfs averechts werken. Het is (mede daarom) ook maar de vraag of het recidiverisico met een jaar verlenging verder omlaag zou worden gebracht. De officier van justitie heeft er terecht op gewezen dat de stap van verblijf in een FPC met alle beperkingen van dien naar zelfstandig wonen een grote stap is. De rechtbank ziet echter ook dat betrokkene voorafgaande aan dat – onterechte – verblijf in [kliniek] twee jaar met de nodige zelfstandigheid heeft gewoond in de FBW-voorziening van [verblijfsplaats]. Daar is het op enig moment misgegaan, maar het is nog steeds niet duidelijk wat er nu precies gebeurd is. Duidelijk is wel dat het niet heeft geleid tot een strafzaak. Binnen de huidige woonconstructie, hoewel nog pril, lijkt betrokkene goed te gedijen.
4.9.
Het is nu aan betrokkene om te laten zien dat hij het nodige geleerd heeft van de afgelopen jaren behandeling en begeleiding. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat hij hiervoor voldoende gemotiveerd is en blijft, als de druk van de maatregel eraf zal zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen geen verlenging van de maatregel vereist. De vordering wordt daarom afgewezen.
De beslissing
De rechtbank:
Wijst af de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] .
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, als voorzitter, mr. J.M. Breimer en mr. H.M. Stratenus, als rechters, in tegenwoordigheid van S.M.W. Schaminée, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2026.