Beoordeling door de rechtbank
15. De rechtbank beoordeelt de vraag of de aanslag Vpb 2020 en de belastingrentebeschikking niet te hoog is vastgesteld en of de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
16. De rechtbank is van oordeel dat de aanslag Vpb 2020 en de belastingrentebeschikking niet te hoog zijn vastgesteld en dat de verzuimboete onterecht is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Moeten de stukken van de inspecteur van 11 maart 2026 buiten beschouwing blijven?
17. Belanghebbende heeft verzocht om de op 11 maart 2026 door de inspecteur ingediende pleitnota met bijlagen buiten beschouwing te laten.
18. De inspecteur heeft op de zitting erkend dat de bij de pleitnota gevoegde bijlagen al in het dossier aanwezig waren, maar niet eerder waren opgemerkt. Nu deze bijlagen niet 10 dagen voor de zitting zijn ingediend, zal de rechtbank ze buiten beschouwing laten. Dat geldt niet voor de pleitnota. Deze bevat geen nieuwe stellingen en de inspecteur had er ook voor kunnen kiezen om deze op de zitting voor te dragen.
Is het beroep ontvankelijk?
19. De inspecteur heeft de rechtbank verzocht de tijdigheid van het beroep en daarmee de ontvankelijkheid te toetsen. Op de zitting heeft de rechtbank de inspecteur voorgehouden dat hij door de formulering van zijn brieven van 8 en 23 november 2024 verwarring heeft gezaaid. Als de brief van 8 november 2024 moet worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar dan ziet de rechtbank aanleiding voor een verschoonbare termijnoverschrijding. Als de brief van 23 november 2024 moet worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar dan is het beroep tijdig ingediend. De inspecteur heeft vervolgens kenbaar gemaakt niet langer een punt te maken van de ontvankelijkheid. De rechtbank zal het beroep dan ook ontvankelijk achten.
Moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard?
20. De inspecteur stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat niet de vereiste aangifte is gedaan. Voor omkering en verzwaring van de bewijslast is alleen ruimte als belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand om aangifte te doen. De inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat belanghebbende is uitgenodigd en aangemaand om aangifte te doen. De rechtbank zal bij de beoordeling daarom uitgaan van de normale regels van stelplicht en bewijslast.
Heeft de inspecteur terecht een aftrek van € 171.727 geweigerd?
21. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur een aftrek van € 171.727 onterecht heeft geweigerd. De aftrekpost bestaat uit twee onderdelen. Voor € 74.777 betreft het een oninbare vordering op [persoon E]. Die vordering is ontstaan doordat [persoon E] zonder medeweten van belanghebbende gelden heeft onttrokken aan de vennootschap. Uiteindelijk is in 2020 komen vast te staan dat [persoon E] de onttrokken gelden niet kon terugbetalen en daarom is de vordering afgeboekt. Het andere deel van de aftrekpost betreft een bedrag van € 97.000. Dit is in eerste instantie ter beschikking gesteld aan [persoon D] als lening. Toen bleek dat [persoon D] niet in staat was het geld terug te betalen, is besloten de lening kwijt te schelden. Omdat een dergelijke kwijtschelding zou leiden tot niet-aftrekbaarheid is besloten dat [persoon D] de middelen niet heeft ontvangen als lening, maar als vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden als directeur. Volgens belanghebbende gaat het om zakelijke kosten.
22. De inspecteur betwist dat vast is komen te staan dat [persoon E] de vordering niet kon terugbetalen. [persoon E] is werkzaam bij belanghebbende en ontvangt daarvoor loon. Uit dit loon had [persoon E] de vordering (in termijnen) kunnen terugbetalen. Belanghebbende heeft niet al het mogelijke gedaan om betaald te krijgen. Op basis van goed koopmansgebruik is er onvoldoende reden om de vordering af te waarderen naar nihil. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met het feit dat [persoon E] in 2022 alsnog € 49.500 op de vordering heeft terugbetaald. Met betrekking tot het deel van de aftrekpost dat ziet op [persoon D] stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het hier gaat om een lening en dat niet is gebleken dat de financiële positie van [persoon D] tussen 30 oktober 2020 en 28 december 2020 (de datum van de finale kwijtingsbrief) is verslechterd en dat goed koopmansgebruik afwaardering van de vordering in de weg staat. Als goed koopmansgebruik toch afwaardering toestaat, dan kan de afwaardering alsnog niet ten laste van de winst worden gebracht, omdat sprake is van een onzakelijke lening. Voor zover geen sprake is van een lening, maar van betaling voor verrichte werkzaamheden betwist de inspecteur de zakelijkheid. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt welke extra werkzaamheden [persoon D] heeft verricht die deze beloning rechtvaardigen. Als geen extra werkzaamheden zijn verricht dan is volgens de inspecteur sprake van bevoordeling door belanghebbende van [persoon D] vanuit aandeelhoudersmotieven.
Ten aanzien van de afwaardering van de vordering op [persoon E]
23. De rechtbank overweegt dat het afwaarderen van een vordering een belastingverlagend element is. Dat betekent dat op belanghebbende de bewijslast rust om aannemelijk te maken hoe en wanneer de vordering is ontstaan en dat deze nog bestaat, wat de hoogte is van de vordering in 2020 en dat er reden is om juist in dat belastingjaar de vordering af te waarderen.
24. Bij zijn nader stuk heeft belanghebbende een verklaring overgelegd van [persoon E] gedateerd 8 januari 2026 waarin hij verklaart in de periode tot 2020 gelden te hebben onttrokken van de bankrekening van belanghebbende en die gelden te hebben aangewend voor gokspelen via internet. In de verklaring staat verder dat [persoon E] met de vennootschap de afspraak heeft gemaakt een deel van zijn schuld af te lossen en dat die aflossing in 2022 heeft plaatsgevonden. Die verklaring strookt niet met de inhoud van de brief ‘FINALE KWIJTING’ (zie 10.) die belanghebbende eveneens bij zijn nader stuk heeft overgelegd. Als de rechtbank al zou aannemen dat er in 2020 een vordering bestaat voor het gestelde bedrag, dan heeft belanghebbende nog niet aannemelijk gemaakt dat er reden is om juist in dat belastingjaar de vordering af te waarderen. Desgevraagd kwam er op de zitting geen duidelijk antwoord op de vraag waarom in 2020 de vordering zou moeten worden afgewaardeerd en waarom geen afbetalingsregeling is overeengekomen.
Ten aanzien van de aan [persoon D] verstrekte gelden
25. De rechtbank overweegt als volgt. Door een vennootschap gedane uitgaven hebben alleen dan geen zakelijk karakter, en kunnen dus niet ten laste van de winst worden gebracht, als en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. Als in geschil is of de ondernemer een bepaalde uitgave heeft gedaan om de zakelijke belangen van de onderneming te dienen of (ook) ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder, overschrijdt de rechter de grenzen van zijn taak niet door de werkelijke aard van de uitgaven te beoordelen.
26. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat en in hoeverre de uitgaven (tevens) zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur hierin geslaagd. Uit de stukken volgt dat de gelden in eerste instantie zijn verstrekt als lening en dat, omdat kwijtschelding van de lening zou leiden tot niet-aftrekbaarheid, ervoor is gekozen om de gelden aan te merken als vergoeding voor verrichte werkzaamheden. Belanghebbende heeft dit in zijn beroepschrift erkend en ook op zitting is nogmaals bevestigd dat duidelijk was dat het geen lening kon zijn, omdat afwaardering fiscaal niet geaccepteerd zou worden. De omzetting van de geldlening in een vergoeding voor verrichte werkzaamheden hangt dus onlosmakelijk samen met het gegeven dat kwijtschelding van de lening niet tot aftrek kon leiden. De rechtbank acht het aannemelijk dat die handelwijze werd ingegeven door de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder en haar relatie met [persoon D] en niet met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming. De verklaring van belanghebbende met betrekking tot de handelwijze acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Zo stelt belanghebbende dat de rol van [persoon D] binnen de onderneming cruciaal is, dat hij een centrale rol speelt bij de contacten met adviseurs en dat hij het boekenonderzoek dat in 2020 tot en met 2022 bij belanghebbende plaatsvond heeft begeleid. Deze werkzaamheden zouden volgens belanghebbende de aan [persoon D] toegekende beloning rechtvaardigen. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat de werkzaamheden van zodanige aard waren dat zij een dergelijke beloning rechtvaardigden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de in de jaren 2018 tot en met 2021 toegekende beloning aan [persoon D] veel lager ligt.Belanghebbende heeft daarvoor geen geloofwaardige verklaring gegeven. Dat de Belastingdienst in 2018 door belanghebbende aan [persoon D] verstrekte gelden (€ 49.000) voor de loonheffing wel heeft aangemerkt als loon uit dienstbetrekking maakt naar het oordeel van de rechtbank geen verschil. De aanslag 2018 ligt hier bovendien niet voor.
27. Tussen partijen is niet in geschil dat als toch sprake zou zijn van een vordering, de afwaardering niet ten laste van het resultaat kon worden gebracht.
28. Gelet op wat in 23. tot en met 26. is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur de aftrek van € 171.727 terecht heeft geweigerd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?
29. De inspecteur heeft in beroep geen stukken overgelegd op grond waarvan de rechtbank kan beoordelen of de verzuimboete terecht is opgelegd. De inspecteur heeft desgevraagd op de zitting bevestigd dat de verzuimboete kan komen te vervallen. Dat betekent dat het beroep gegrond is en dat de rechtbank de verzuimboete zal vernietigen.
30. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.