Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3028

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/1727
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Regeling wapens en munitieArt. 2 WwmArt. 4 WwmArt. 13 lid 2 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen afwijzing ontheffing laserkleiduifgeweren

Verzoeker exploiteert een bedrijf dat kleiduifschieten op locatie verzorgt en heeft een ontheffing aangevraagd voor het gebruik van laserkleiduifgeweren. De minister heeft deze aanvraag op 24 februari 2026 afgewezen, waarna verzoeker bezwaar maakte en een voorlopige voorziening verzocht.

De voorzieningenrechter beoordeelde dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, omdat onduidelijk is of de laserkleiduifgeweren onder categorie I of III van de Wet wapens en munitie vallen. Ook is onduidelijk of de Werkgroep Advies Wet Wapens en Munitie correct is benoemd en is er ruimte voor een contra-expertise in de bezwaarprocedure.

Verder is vastgesteld dat het spoedeisend belang aanwezig is, omdat het vervoersverbod voor de wapens handhaving mogelijk maakt en de bedrijfsvoering van verzoeker ernstig wordt belemmerd. De belangenafweging leidt ertoe dat het belang van verzoeker zwaarder weegt dan dat van de minister.

De voorzieningenrechter schorst daarom het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1727

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. E.M. Oskam),
en

de minister van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. D.L. van der Wijst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de door verzoeker gevraagde ontheffing voor het gebruiken van laserkleiduifgeweren. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Het belang van verzoeker om zijn bedrijfsactiviteiten voort te zetten, weegt zwaarder dan het belang van de minister om het besluit niet te schorsen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een bedrijf waarmee hij op locatie kleiduifschieten verzorgt. Hij heeft op 25 september 2024 een aanvraag ingediend voor verlening van een ontheffing voor het mogen gebruiken van laserkleiduifgeweren voor activiteiten als genoemd in artikel 10, aanhef en onder e, van de Regeling wapens en munitie (Rwm).
2.1.
Justis, een uitvoeringsorganisatie van de minister, heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
2.3.
Na de zitting heeft verzoeker nog stukken ingediend. De voorzieningenrechter ziet in die stukken geen grond om het onderzoek te heropenen en laat deze stukken buiten beschouwing.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het bestreden besluit
3. Volgens verweerder moeten de laserkleiduifgeweren die verzoeker gebruikt worden aangemerkt als wapens onder categorie III, onder 1̊, van de Wet wapens en munitie (Wwm). Verzoeker heeft daarom geen ontheffing, maar een erkenning nodig. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om een ontheffing op grond van artikel 4 of Pro artikel 13, tweede lid, van de Wwm te verlenen om de wapens op locatie te gebruiken.
Heeft verzoeker belang bij de beoordeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening?
4. Verzoeker heeft toegelicht dat hij beschikt over een erkenning van de korpschef waarmee hij in principe zijn bedrijfsactiviteiten kan uitoefenen. Tussen partijen is in geschil hoe de geweren van verzoeker moeten worden gekwalificeerd en of daarvoor (ook) een erkenning of ontheffing van de minister vereist is. De korpschef heeft in de e-mail van 17 maart 2026 uitgelegd dat de afwijzing door Justis reden is om vervoeren niet meer toe te staan. Dit betekent dat de korpschef handhavend kan optreden. Verzoeker heeft toegelicht dat het vervoeren van de wapens essentieel is voor zijn bedrijf en dat er onherstelbare schade optreedt als hij niet op korte termijn zijn bedrijfsactiviteiten kan uitoefenen.
4.1.
Met schorsing van het bestreden besluit valt verzoeker als het ware terug op de erkenning door de korpschef. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij daarmee zijn bedrijfsactiviteiten kan uitvoeren zonder te worden geconfronteerd met handhaving. Dit betekent dat verzoeker belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening.
4.2.
De voorzieningenrechter kan tijdens een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang wordt aanwezig geacht, wanneer het bestreden besluit ertoe leidt dat er een noodsituatie dreigt te ontstaan of wanneer er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen.
4.3.
Verweerder betwist dat er sprake is van een spoedeisend belang. Omdat de korpschef naar aanleiding van het besluit van 24 februari 2026 heeft meegedeeld dat het vervoeren van de laserkleiduifgeweren niet meer is toegestaan en er dus handhavend kan worden opgetreden, waardoor verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten niet meer kan uitvoeren waardoor hij onherstelbare schade lijdt, oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening.
Heeft het bezwaar van verzoeker enige kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
5.1.
Tussen partijen is in geschil of de laserkleiduifgeweren van verzoeker vallen onder categorie I onder 7 of categorie III onder 1 als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wwm. Verzoeker heeft voor de laserkleiduifgeweren een ontheffing aangevraagd voor wapens als bedoeld in categorie I onder 7. Volgens de minister vallen de laserkleiduifgeweren onder categorie III onder 1. De minister baseert zich op een advies van de Werkgroep Advies Wet Wapens en Munitie. De vraag die partijen verdeeld houdt, is een feitelijke vraag die de voorzieningenrechter op basis van de voorhanden gegevens niet kan beoordelen. Daarbij speelt dat op de zitting niet duidelijk is geworden of de leden van deze werkgroep op de voorgeschreven wijze door de minister zijn benoemd. Dat betekent dat het niet duidelijk is of deze leden zijn aangewezen om over deze vraag advies uit te brengen. Bovendien heeft verzoeker de mogelijkheid om in de bezwaarprocedure een contra-expertise over de kwalificatie van de geweren in te brengen. Onder deze omstandigheden kan de voorzieningenrechter niet beoordelen hoe de laserkleiduifgeweren gekwalificeerd moeten worden. Daarover zal in bezwaar de minister een nieuw oordeel moeten geven.
5.2.
De minister betoogt onder verwijzing naar ‘Overige Beperkingen’ van de ‘WM 16 Bewijs van Erkenning’ dat er sowieso geen ontheffing wordt verleend van het vervoersverbod voor de geweren. [1] Verzoeker heeft onweersproken gesteld dat de minister bij andere bedrijven wel van dit verbod is afgeweken. Het is aan de minister om in het besluit op bezwaar te motiveren waarom in dit geval niet kan worden afgeweken van het vervoersverbod.
5.3.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in bezwaar niet ongewijzigd in stand zal blijven en dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dit betekent nog niet dat de voorlopige voorziening ook wordt toegewezen. Bij de beoordeling of er aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen, zal een belangenafweging worden gemaakt.
Hoe weegt de voorzieningenrechter de belangen van partijen af?
6. Verzoeker voert aan dat hij een groot belang heeft om de laserkleiduifgeweren op locatie te kunnen gebruiken, omdat het zijn enige verdienmodel is. Zijn bedrijfsvoering ligt volledig stil en de schade is onomkeerbaar.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat vanaf 2019 feitelijk niet in verband met de bedrijfsvoering van verzoeker is gehandhaafd. Bovendien zijn er meer bedrijven met dezelfde bedrijfsactiviteiten, die op dit moment niet met handhaving geconfronteerd worden. Uit het advies van de Werkgroep blijkt dat de laserkleiduifgeweren op dit moment geen gebruiksklare vuurwapens zijn. Het besluit van 24 februari 2026 heeft grote gevolgen voor de bedrijfsvoering van verzoeker, terwijl in het verleden niet handhavend is opgetreden. Gelet op het voorgaande is het belang van de minister om het besluit direct te effectueren niet groot, terwijl de effecten van het besluit op de bedrijfsvoering van verzoeker wel groot zijn en tot verlies van inkomsten leidt. Dit betekent dat de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt en de voorzieningenrechter het verzoek toewijst.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het besluit van 24 februari 2026 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
7.1.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de minister het griffierecht moet vergoeden. Ook krijgt verzoeker een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200 aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit heeft de minister op de zitting betoogd.