Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3031

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/8831
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet MRB 1994Art. 7 Wet MRB 1994Art. 34 Wet MRB 1994Art. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingBesluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting voor buitenlands kenteken

Belanghebbende is door de inspecteur van de Belastingdienst aangeslagen voor motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete omdat hij met een buitenlands kenteken op de openbare weg in Nederland reed. De politie constateerde op twee momenten in 2024 dat belanghebbende met het voertuig reed, zonder dat de eigenaar aanwezig was.

Belanghebbende voerde aan dat het voertuig van zijn vader was en dat hij het niet gedurende de gehele naheffingsperiode feitelijk ter beschikking had. Ook stelde hij dat hij de boete niet kon betalen vanwege zijn financiële situatie. De inspecteur stelde dat belanghebbende als houder van het voertuig moest worden aangemerkt omdat hij in Nederland zijn hoofdverblijf heeft en het voertuig feitelijk gebruikte.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de naheffingsaanslag en boete terecht had opgelegd. Uit het politieproces-verbaal en registraties bleek dat belanghebbende het voertuig regelmatig in Nederland gebruikte. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het voertuig niet aan hem ter beschikking stond gedurende de naheffingsperiode. Ook gaf hij onvoldoende bewijs van zijn financiële situatie om matiging van de boete te rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat de boete passend en geboden is en dat het beroep ongegrond is. De naheffingsaanslag en boetebeschikking blijven in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8831

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,

en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 oktober 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 10 mei 2023 tot en met 9 mei 2024 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) van € 1.002 (de naheffingsaanslag) en een verzuimboete (de boetebeschikking) van € 501 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende via beeldbellen en, namens de inspecteur, [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende staat vanaf 10 mei 2017 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [locatie 1] [huisnummer] in [plaats 1].
2. Op 10 mei 2024, om 9:51 uur, heeft de politie geconstateerd dat belanghebbende met een Honda CR-V, voorzien van het Bulgaarse kenteken [kentekennummer] (het motorrijtuig), gebruik maakte van de openbare weg. De politie heeft de inspecteur schriftelijk geïnformeerd over deze constatering.
3. Op 13 juli 2024, om 19.22 uur, heeft de politie opnieuw geconstateerd dat belanghebbende gebruik maakte van de openbare weg met het motorrijtuig. De politie heeft de inspecteur ook geïnformeerd over deze constatering.
4. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking opgelegd.
5. De inspecteur heeft in beroep een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Midden-Nederland, overgelegd. Hierin staat voor zover relevant het volgende:
“(…)
Ik, verbalisant [naam verbalisant], verklaar het volgende:
Op vrijdag 10 mei 2024, omstreeks 09.50 uur, was ik [naam verbalisant], samen met collega [naam collega], belast met de incidentenafhandeling voor de basisteam Stichtse Vecht - De Ronde Venen. Wij waren in politie-uniform gekleed.
SURVEILLEREN:
Ik was samen met collega [naam collega] aan het surveilleren ter hoogte van de [locatie 1] te [plaats 1], gemeente Ronde Venen toen wij een Bulgaars voertuig zagen rijden met kenteken [kentekennummer].
Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften heb ik, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld ter hoogte van [locatie 2] te [plaats 1]. Dit bleek te zijn, [belanghebbende], geboren op [geboortedag] 1996 te [plaats 2] Bulgarije. Ik hoorde dat [belanghebbende] verklaarde dat hij het voertuig van zijn vader mocht gebruiken.
(…)
GESPREK VADER [belanghebbende]:
Ik vroeg of [belanghebbende] zijn vader kon bellen. Dit om te vragen of zijn vader weet dat [belanghebbende] in het voertuig rijdt. Ik hoorde dat [belanghebbende] tegen een andere persoon aan de telefoon, in een voor mij onbekende taal aan het spreken was. Ik hoorde [belanghebbende] zeggen dat zijn vader op de hoogte is van het feit dat [belanghebbende] in het bovengenoemde voertuig rijdt.
Vervolgens had [belanghebbende] het voertuig laten staan en is door vrienden opgehaald. Het voertuig was door zijn vriendin weggehaald. (…)”
6. De inspecteur heeft in beroep ook een e-mailbericht van [naam collega] van de politie aan de inspecteur van 21 oktober 2024 over de constatering op 10 mei 2024 overgelegd waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:
“(…). Collega [naam verbalisant] en ik hebben van dit incident een rapport opgemaakt en het telefoongesprek met de vader is tevens vastgelegd in een proces-verbaal. Wij troffen dit voertuig rijdend op de openbare weg. Na aanspreken verklaarde betrokkene dat hij de auto van zijn vader zou lenen, zijn vader woont in Bulgarije. Hierop hebben wij betrokkene vader laten bellen, die gaf aan te weten dat zijn zoon(betrokkene) in het voertuig rijdt. Dit gesprek verliep echter via betrokkene in een voor ons onbekende taal. Zijn vader was op het moment dat betrokkene in het voertuig reed niet aanwezig in het voertuig als bijrijder.
(…)”
7. De inspecteur heeft in beroep daarnaast nog een e-mailbericht van [naam collega] aan de inspecteur van 12 maart 2025 over de registraties van de auto overgelegd waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:
“(…).
Het voertuig [kentekennummer] is voort gecontroleerd / heeft registraties (b.v. digibon) op de volgende data in Nederland:
 28-07-2023
 11-09-2023
 29-12-2023
 10-05-2024
 25-05-2024
 13-07-2024
(…)”

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
10. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking onterecht zijn opgelegd, omdat het motorrijtuig hem niet gedurende de gehele naheffingsperiode feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Het motorrijtuig is van zijn vader, wat blijkt uit het Bulgaarse kentekenbewijs, en zijn vader is maar een beperkt deel van het jaar in Nederland. Daarnaast zat zijn vader naast hem tijdens de constatering van het weggebruik met het motorrijtuig door de politie. Ten slotte kan belanghebbende de naheffingsaanslag en de verzuimboete niet betalen. Hij ontvangt namelijk alleen een uitkering op grond van de Ziektewet en heeft een kind, waardoor hij geen eigen auto kan betalen.
11. De inspecteur is van mening dat hij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het motorrijtuig stond feitelijk ter beschikking van belanghebbende, waardoor hij belastingplichtig is. Uit de constatering van de politie blijkt namelijk dat belanghebbende op 10 mei 2024 in het motorrijtuig over de openbare weg reed zonder aanwezigheid van de (juridische) eigenaar. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig hem niet in de gehele periode van naheffing van twaalf maanden feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Tot slot bestaat geen aanleiding tot matiging van de boete, omdat belanghebbende zijn financiële situatie niet met stukken heeft onderbouwd.
12. Degene die houder is van een personenauto, is belastingplichtige voor de MRB. [1] Voor motorrijtuigen die in het buitenland zijn geregistreerd, geldt dat de houder degene is die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. [2] Deze houder wordt onder andere geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de BRP, tenzij hij tegenbewijs levert waaruit volgt dat dit niet zo is. [3] Indien wordt geconstateerd dat in Nederland gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig dat in het buitenland is geregistreerd en geen of slechts een deel van de MRB is betaald, kan het verschil worden nageheven. [4] In dat geval wordt de MRB nageheven over een periode van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg is geconstateerd. [5] Over het deel van die periode waarvan blijkt – en daarmee wordt bedoeld aannemelijk maken [6] – dat het motorrijtuig niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan van degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg is geconstateerd, wordt niet nageheven. [7] Tegelijk met de naheffingsaanslag kan de inspecteur de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van 50% van de (gedeeltelijk) niet betaalde MRB tot een maximum van € 6.709. [8]
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Uit het meldformulier (zie punt 2.), het proces-verbaal (zie punt 5.) en het e-mailbericht van de politie van 21 oktober 2024 (zie punt 6.) blijkt consequent dat belanghebbende op 10 mei 2024 met het motorrijtuig gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Hieruit blijkt ook dat alleen belanghebbende in het motorrijtuig zat. Op die dag had hij dus de feitelijke beschikkingsmacht over het motorrijtuig. Nu niet in geschil is dat belanghebbende in Nederland zijn hoofdverblijf heeft, heeft de inspecteur belanghebbende terecht aangemerkt als de houder van het motorrijtuig en dus als belastingplichtige voor de MRB.
14. De rechtbank is verder van oordeel dat de naheffingsaanslag ook naar de juiste hoogte is opgelegd. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag over de juiste periode, twaalf maanden met als laatste dag de dag voorafgaand aan de constatering (9 mei 2024), opgelegd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig tijdens één of meer tijdvakken in de periode van 10 mei 2023 tot en met 9 mei 2024 niet aan hem feitelijk ter beschikking heeft gestaan. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. De politie heeft in ieder geval met enige regelmaat een registratie van het motorrijtuig in Nederland vanaf 28 juli 2023. Belanghebbende heeft daarnaast ter zitting op vragen van de rechtbank wisselend verklaard over de periodes waarin zijn vader al dan niet in Nederland zou zij geweest; in die zin dat hij zijn verhaal meermaals heeft aangepast op informatie waarmee hij werd geconfronteerd. Bovendien wijken die verklaringen af van zijn eerdere (consequente) verklaring(en) in deze procedure. Belanghebbende heeft zijn verklaringen ook op geen enkele wijze met stukken onderbouwd.
15. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur ook terecht een verzuimboete opgelegd. De hoogte is overeenkomstig de wet- en regelgeving vastgesteld.
16. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van belanghebbende dat hij stelt dat zijn beperkte financiële middelen in strafverminderende zin moeten worden meegewogen, in die zin dat hij niet in staat is om de verzuimboete te betalen. De rechtbank moet dit beoordelen met inachtneming van de financiële omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert (‘ex nunc’). De bewijslast van de financiële omstandigheden ligt bij belanghebbende.
17. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Hij heeft namelijk op geen enkele wijze inzicht gegeven in zijn financiële situatie. De enkele blote stelling dat hij een uitkering geniet is onvoldoende. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de financiële omstandigheden van belanghebbende als strafverminderende omstandigheid in aanmerking te nemen.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat de boete passend en geboden is. De hoogte van de boete draagt namelijk naar het oordeel van de rechtbank bij aan de inscherping van de fiscale verplichtingen van belanghebbende. Belanghebbende heeft de verschuldigde MRB niet betaald, terwijl hij meerdere malen met het motorrijtuig gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. Het boetebedrag is in overeenstemming met het verwijt dat belanghebbende kan worden gemaakt. De verzuimboete is dus niet te hoog.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag MRB en de boetebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 17 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB 1994).
2.Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Wet MRB 1994.
3.Artikel 7, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet MRB 1994.
4.Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB 1994.
5.Artikel 34, tweede lid, van de Wet MRB 1994.
6.Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483.
7.Artikel 34, derde lid, van de Wet MRB 1994.
8.Artikel 34 van Pro de Wet MRB 1994 in samenhang met artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting en paragraaf 34, tweede onderdeel, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.