ECLI:NL:RBGEL:2026:3031
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting voor buitenlands kenteken
Belanghebbende is door de inspecteur van de Belastingdienst aangeslagen voor motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete omdat hij met een buitenlands kenteken op de openbare weg in Nederland reed. De politie constateerde op twee momenten in 2024 dat belanghebbende met het voertuig reed, zonder dat de eigenaar aanwezig was.
Belanghebbende voerde aan dat het voertuig van zijn vader was en dat hij het niet gedurende de gehele naheffingsperiode feitelijk ter beschikking had. Ook stelde hij dat hij de boete niet kon betalen vanwege zijn financiële situatie. De inspecteur stelde dat belanghebbende als houder van het voertuig moest worden aangemerkt omdat hij in Nederland zijn hoofdverblijf heeft en het voertuig feitelijk gebruikte.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur de naheffingsaanslag en boete terecht had opgelegd. Uit het politieproces-verbaal en registraties bleek dat belanghebbende het voertuig regelmatig in Nederland gebruikte. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het voertuig niet aan hem ter beschikking stond gedurende de naheffingsperiode. Ook gaf hij onvoldoende bewijs van zijn financiële situatie om matiging van de boete te rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de boete passend en geboden is en dat het beroep ongegrond is. De naheffingsaanslag en boetebeschikking blijven in stand en belanghebbende krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.