Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3070

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
05/286923-24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij en ontnemingsvordering

De rechtbank Gelderland heeft op 19 maart 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De zaak betreft het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij die op 30 december 2023 werd ontdekt.

De rechtbank baseert zich op een ontnemingsrapport en diverse bewijsmiddelen, waaronder camerabeelden, proces-verbalen en kostenoverzichten. Er is vastgesteld dat er sprake was van één eerdere oogst in de periode van 12 juli 2023 tot 25 oktober 2023. De bruto-opbrengst werd berekend op €147.379,99, waarvan na aftrek van kosten een netto-opbrengst van €127.943,87 resteert.

De rechtbank gaat uit van 1409 hennepplanten, zoals bewezen verklaard, en wijst de door de verdediging voorgestelde lagere aantallen af. De kosten voor elektriciteit en huisvesting worden deels erkend, waarbij alleen huurkosten tijdens de groeiperiode in aanmerking worden genomen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verdeeld over vier betrokkenen, waarbij veroordeelde wordt toegerekend een bedrag van €31.985.

De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met eerdere vonnissen en het dossiermateriaal.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €31.985 en legt veroordeelde de betalingsverplichting aan de Staat op.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/286923-24
Datum uitspraak : 19 maart 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
op dit moment gedetineerd in P.I. [verblijfsplaats].
Raadsvrouw: mr. E.A.M.J. Heffels, advocaat in Arnhem.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 106.567,65.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat het voordeel in totaal op €128.076,78 dient te worden vastgesteld omdat niet is gebleken dat de elektriciteitskosten zijn betaald. Aan medeverdachte [medeveroordeelde 1] is door de rechtbank een verplichting opgelegd tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van €10.000,00. Het overige deel dient door drie verdachten te worden gedeeld. De betalingsverplichting ten aanzien van veroordeelde dient dan te worden vastgesteld op €39.358,93.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voordeel in totaal dient te worden vastgesteld op €8.000,00 conform de verklaring van veroordeelde.
Subsidiair dient de berekening te worden gemaakt op basis van 1100 hennepplanten in plaats van 1409 hennepplanten. Bij medeveroordeelden is van dit aantal uitgegaan.
Verder is een bedrag van €132,91 aan [bedrijf] betaald, zoals aangegeven op het kostenoverzicht. Er zijn ook meer huisvestingskosten betaald omdat er totaal 8 maanden huur en een borg is betaald. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel is dan €84.366,99. Dit bedrag dient totaal door vier te worden gedeeld omdat alle medeveroordeelden gelijke rollen hadden. Het voordeel voor veroordeelde dient dan te worden vastgesteld op €21.091,75.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 3 december 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van: ‘het medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’ is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1] De rechtbank gebruikt als grondslag voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel het Rapport berekening wedderrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: het ontnemingsrapport).
Eerdere oogst
De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten in de periode voorafgaand aan de dag van de ontdekking van de hennepkwekerij op 30 december 2023, welke pleegdatum bewezen is verklaard. De ontnemingsvordering leunt daardoor op de in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde ‘andere strafbare feiten’.
In het ontnemingsrapport wordt de ontnemingsperiode vastgesteld op de periode tussen 12 juli 2023 en 25 oktober 2023. Er wordt van uit gegaan dat er één oogst heeft plaatsgevonden. Dit is vastgesteld aan de hand van op kalk gelijkende afzetting op het zeil, aan de onderzijde van de plantenpotten en op het bevloeiingssysteem. Verder lag er stof op koolstoffilters en op verscheidene andere voorwerpen. Ook blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden dat veroordeelde tussen 12 juli 2023 en 2 november 2023 meerdere keren bij het pand gezien is. Op 24 oktober 2023 is te zien dat 10 personen uit een busje worden geladen door onder andere veroordeelde. Op 25 oktober 2023 is te zien dat medeverdachte [medeveroordeelde 2] met drie grote tassen en een grote doos het pand uit loopt. Daarnaast werden bij de ontdekking van de hennepkwekerij droge restjes van hennepplanten en afvalzakken met potgrond, waarin zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten bevonden, aangetroffen.
De rechtbank concludeert gelet op het vorenstaande dat er sprake is geweest van één eerdere oogst.
De hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank gaat bij de berekening van de opbrengsten en kosten van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de hoeveelheid van 1409 hennepplanten zoals ook bewezen is verklaard bij vonnis. Dat bij de medeverdachten uitgegaan is van minder hennepplanten, zoals door de verdediging is betoogd, maakt niet dat er bij veroordeelde van diezelfde hoeveelheid moet worden uitgegaan. Het aantal van 1100 hennepplanten betrof immers een foutieve telling, zoals is beschreven en hersteld in het aanvullende proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij. [2]
Gelet hierop gaat de rechtbank uit van een bruto-opbrengst van € 147.379,99, te weten €74.160,69 voor kweekruimte 1 en € 73.219,30 voor kweekruimte 2.
Bij de berekening van de kosten voor de elektriciteit gaat de rechtbank uit van de reeds betaalde kosten ter hoogte van €132,91, zoals blijkt uit het kostenoverzicht van [bedrijf]. [3] Uit het dossier niet gebleken dat de overige kosten zijn betaald aan [bedrijf].
De rechtbank gaat uit van de kosten gemaakt voor de huisvesting zoals gevorderd door de officier van justitie, te weten de huurkosten over 2,5 maand (2,5 x €1.900,00 = € 4.750,00) . Anders dan de verdediging heeft betoogd, komen slechts de kosten voor huisvesting die tijdens de groeiperiode van de hennepplanten zijn gemaakt voor aftrek in aanmerking. De huurkosten in de eerdere maanden voorafgaand aan de kweekperiode zijn geen kosten die in een voldoende direct verband staan tot de strafbare feiten. De borg komt ook niet aanmerking voor aftrek van het genoten voordeel omdat dit geen investering is die in voldoende direct verband staat met de productie van hennep.
Gelet hierop gaat de rechtbank uit van een totaal aan kosten van €19.436,12, te weten
€ 12.203,12 voor kweekruimte 1 en € 7.233,00 voor kweekruimte 2.
Ruimte 1
  • Afschrijving € 450,00
  • Hennepstekken € 2.701,29
  • Variabele kosten € 2.750,92
  • Elektriciteit € 132,91
  • Kosten knippers € 1.418,00
  • Huur € 4.750,00 +
Totaal € 12.203,12
Ruimte 2
  • Afschrijvingskosten € 450,00
  • Hennepstekken € 2.667,00
  • Variabele kosten € 2.716,00
  • Kosten knippers € 1.400,00 +
Totaal € 7.233,00
Gelet op het vorengaande gaat de rechtbank uit van een totale netto-opbrengst voor één oogst van € 127.943,87 (bruto-opbrengst € 147.379,99 – totale kosten € 19.436,12)
De rechtbank gaat bij de verdeling van het verkregen voordeel uit van vier betrokken personen. Allen hebben, gelet op de inhoud van het dossier, executieve taken gehad. Veroordeelde heeft verklaard dat hij de knippers in de gaten moest houden. Daarnaast heeft hij het pand onder zijn naam gehuurd en is hij meerdere malen aanwezig geweest bij het pand gedurende de oogstperiode. Omdat de aard en de omvang van de betrokkenheid van ieder van de vier betrokkenen niet exact is vast te stellen en er geen aanknopingspunten zijn om aan één of meer van hen een wezenlijk geringer of groter aandeel toe te rekenen, zal de rechtbank uitgaan van een evenredige (‘ponds-pondsgewijze) verdeling van het wederrechtelijk voordeel tussen hen.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van (afgerond)
€31.985,00en zal zij hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop
het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 31.985,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van
de gijzelingdie ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op
319 dagen.
Aldus gegeven door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 maart 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023599183, gesloten op 9 september 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wettelijk opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij PL0600-2023598999-1 van 17 april 2025; het proces-verbaal van bevindingen PL0600-2023598999-52, van het aanvullende proces-verbaal (geen onderdeel uitmakend van het doorgenummerde dossier).
3.Proces-verbaal van aangifte [bedrijf], p. 23.