Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3099

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
26/1390, 26/1393, 26/1397, 26/1400 en 26/1404
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaren kentekenaanvragen scooters

Verzoekster, een verhuurbedrijf, diende vijf aanvragen in voor kentekenbewijzen van scooters. Het RDW stelde deze aanvragen buiten behandeling wegens onvolledigheid. De bezwaren van verzoekster tegen deze besluiten werden niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang. Hoewel verzoekster financiële schade stelde door het niet kunnen verhuren en veroudering van de scooters, werd niet aannemelijk gemaakt dat er onomkeerbare gevolgen zoals faillissement dreigden. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang.

Daarnaast werd onderzocht of het besluit evident onrechtmatig was. Dit vereiste een ernstige twijfel aan de rechtmatigheid zonder diepgaand onderzoek. De voorzieningenrechter vond geen aanwijzingen daarvoor, mede omdat het beroep zich richtte op de niet-ontvankelijkverklaring en niet op de inhoudelijke vraag over de kentekenbewijzen.

Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/1390, 26/1393, 26/1397, 26/1400 en 26/1404

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaken tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de directie van de Dienst Wegverkeer (RDW).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de verzoeken kennelijk ongegrond zijn doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de verzoeken kennelijk ongegrond zijn.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Procesverloop
1.2.
Verzoekster exploiteert een verhuurbedrijf en heeft vijf scooters aangeschaft die zij wil verhuren. Zij heeft daarom op 27 mei 2025 vijf aanvragen voor afgifte van een kentekenbewijs voor deze vijf scooters ingediend. Het RDW heeft deze aanvragen bij afzonderlijke besluiten van 28 juli 2025 buiten behandeling gesteld omdat de aanvragen niet volledig waren. Met de bestreden besluiten van 16 maart 2026 heeft het RDW de bezwaren van eiseres tegen deze besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen deze bestreden besluiten beroep ingesteld.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening?
2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. [1] Bij een zaak met een financieel belang, zoals hier aan de orde, is dat niet snel het geval. Indien een besluit in de bodemprocedure onrechtmatig wordt geacht en wordt vernietigd kan namelijk onder omstandigheden aanspraak worden gemaakt op een vergoeding van de schade die daardoor is ontstaan, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. De financiële gevolgen kunnen dus ook achteraf nog worden gerepareerd. Een voorlopige voorziening is daarvoor niet nodig. Dit is anders als er een onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld een faillissement of een acute financiële noodsituatie.
2.1.
Verzoekster heeft in haar verzoekschriften aangegeven dat de besluiten
ingrijpende gevolgen hebben. Bij e-mail van 20 maart 2026 heeft de griffier verzoekster gevraagd om toe te lichten wat maakt dat zij de behandeling van de beroepen niet af kan wachten.
2.2.
Verzoekster heeft een aantal belangen naar voren gebracht, die volgens haar dusdanig spoedeisend zijn dat zij de behandeling van de beroepen niet langer kan afwachten. Deze belangen zijn met name financieel van aard. Verzoekster stelt schade te lijden nu zij de scooters niet kan verhuren en dat de scooters (technisch) verouderen waardoor de onderhoudskosten zullen toenemen. Verzoekster heeft echter niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat het niet verhuren van de scooters op korte termijn leidt tot onomkeerbare gevolgen zoals bijvoorbeeld een faillissement. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt daarom op dit moment het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Zijn de besluiten evident onrechtmatig?
3. Bij het ontbreken van spoedeisend belang zoals hiervoor bedoeld, kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het bestuursorgaan ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de beroepen zich richten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren. Een inhoudelijke oordeel over de vraag of de gevraagde kentekenbewijzen moeten worden verstrekt zal in beroep niet worden gegeven. Dit betekent dat ook de voorzieningenrechter dit niet bij zijn beoordeling betrekt.

Conclusie en gevolgen

4. Nu een spoedeisend belang ontbreekt, zijn de verzoeken kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.