Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3103

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11738741 \ CV EXPL 25-4709
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6 lid 1 huurovereenkomstArt. 6.4 Algemene BepalingenArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf elders

Vivare vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning omdat de huurder zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde zou hebben. Vivare baseert dit op meldingen van de buurvrouw, meerdere huisbezoeken waarbij de huurder afwezig was, laag water- en energieverbruik en lege afvalcontainers.

De huurder betwist dit en stelt dat hij vanwege zijn werk in een andere plaats overdag afwezig is, maar de woning wel als hoofdverblijf gebruikt, met name om te slapen en rusten. De kantonrechter overweegt dat het begrip hoofdverblijf inhoudt de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en met het plan om terug te keren.

De kantonrechter oordeelt dat Vivare onvoldoende rechtsfeiten heeft gesteld om te concluderen dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. De huisbezoeken zijn niet tijdgebonden onderbouwd, de verklaring van de buurvrouw is niet doorslaggevend en het waterverbruik is laag maar niet nihil. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt Vivare veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11738741 \ CV EXPL 25-4709
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING VIVARE,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: Vivare,
gemachtigde: mr. B.H.H.M. Ramakers,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.G. Roethof.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 augustus 2025 en de hierin genoemde processtukken.
1.2.
Op 5 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Vivare waren de heer [de wijkregisseur] (wijkregisseur) en de heer [de wijkbeheerder] (wijkbeheerder) aanwezig, alsmede de gemachtigde van Vivare. [de gedaagde] was aanwezig met zijn gemachtigde en een tolk. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagde] huurt van Vivare sinds 18 januari 2017 een woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). In artikel 6 lid 1 van Pro de huurovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vastgelegd
“Huurder verklaart gedurende de huurovereenkomst woonplaats te hebben gekozen in het gehuurde.”
2.2.
De Algemene Bepalingen zijn van toepassing en hierin is in artikel 6.4, voor zover relevant, het volgende vastgelegd
“Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben.”
2.3.
In maart 2023 en juli 2024 ontvangt Vivare meldingen van de buurvrouw van [de gedaagde] waarin staat dat [de gedaagde] al langere tijd niet woonachtig is in het gehuurde.
2.4.
Twee medewerkers van Vivare gaan op 22 augustus 2024 op huisbezoek en constateren dat [de gedaagde] dan niet aanwezig is. Vivare laat een brief achter met het verzoek aan [de gedaagde] om contact met haar op te nemen.
2.5.
In september 2024 spreken partijen meermaals met elkaar waarbij [de gedaagde] uitlegt dat hij veel bij zijn ouders in [plaatsnaam] is om voor hen te zorgen. Ook heeft [de gedaagde] aan Vivare toegezonden de jaarafrekening water over de periode 14 juli 2023 tot en met 13 juli 2024, waaruit volgt dat in totaal 14m3 water is verbruikt.
2.6.
Vivare verstuurt op 10 oktober 2024 een e-mail aan [de gedaagde] met de volgende inhoud:

Op 30 september 2024 omstreeks 19:10 uur hebben wij bij u thuis aan [adres] in [woonplaats] een gesprek gevoerd in verband met meldingen vermoeden woonfraude.
Uw energie -en waterverbruik is opvallend laag. Wij hoorden u zeggen dat dit komt doordat u zeer zuinig leeft en eet op uw werk en veelal bij uw ouders verblijft in [plaatsnaam] . Zij wonen 2 jaar in Nederland en zijn afhankelijk van uw ondersteuning. Uw afvalcontainers heeft u geen één keer laten legen. Uw verklaring hierop is dat u geen afval heeft. Ook hoorden wij u zeggen dat u niet op de hoogte was van het feit dat u, uw hoofdverblijf aan de [adres] in [woonplaats] moet hebben. U geeft aan dat uw intentie is om samen met uw aanstaande vrouw een gezin te stichten. Zij verblijft op dit moment nog niet in Nederland. Het is onduidelijk wanneer dit zal zijn.
Tijdens ons gesprek hebben we afgesproken dat u vanaf heden uw hoofdverblijf in de woning zal hebben. Wij gaan ervan uit dat u zich aan deze afspraak houdt.
Na intern overleg hebben wij besloten, ondanks onze twijfels over uw verklaring, om u een tweede kans te geven.
Wij sluiten ons dossier en gaan ervan uit dat u zich aan de afspraken houdt.
2.7.
Op 4 november 2024, 11 november 2024 en 15 januari 2025 bezoekt Vivare het gehuurde. Tijdens de bezoeken constateert Vivare dat [de gedaagde] niet thuis is en dat de afvalcontainers leeg zijn.
2.8.
[de gedaagde] verstuurt op 19 februari 2025 een e-mail waarin hij uitlegt dat hij een nieuwe baan heeft in [plaatsnaam] en daardoor minder in het gehuurde aanwezig zal zijn. Hierop reageert Vivare op 5 maart 2025 dat de situatie onwenselijk en ontoelaatbaar is. [de gedaagde] wordt de mogelijkheid geboden om zelf de huurovereenkomst op te zeggen om een procedure te voorkomen. [de gedaagde] doet dit niet.
2.9.
Vivare bezoekt op 3 april 2025 het gehuurde, waarbij [de gedaagde] wederom niet aanwezig is. Ook bij dit bezoek zijn de afvalcontainers nauwelijks gevuld. Verder spreekt Vivare met de buurvrouw van [de gedaagde] . Zij heeft aan Vivare verklaart dat [de gedaagde] tussen de anderhalf en twee jaar niet meer woonachtig is in het gehuurde. [de gedaagde] wordt sporadisch bij de woning gezien. De buurvrouw verklaart dat zij niet het idee heeft dat [de gedaagde] in de woning slaapt. Ook verklaart zij dat de woning niet wordt bewoond zoals het bewoond zou moeten zijn.

3.Het geschil

3.1.
Vivare vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde ontbindt,
[de gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde onder afgifte van alle sleutels en het gehuurde geheel vrij ter beschikking van Vivare stelt,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Vivare legt aan haar vorderingen (samengevat) ten grondslag dat [de gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Volgens Vivare schiet [de gedaagde] daarmee te kort in zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en de algemene bepalingen. Vivare verwijst hiervoor naar twee meldingen van de buurvrouw van [de gedaagde] , vier huisbezoeken waarbij [de gedaagde] niet aanwezig was, de afvalcontainers die leeg waren en dat er nauwelijks sprake is van water- en energieverbruik.
3.3.
[de gedaagde] betwist dat hij zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft. Hij voert aan dat hij werkt in [plaatsnaam] en daardoor overdag veel daar is. Om te slapen en zijn rust te nemen, verblijft hij in het gehuurde. Zijn water- en energieverbruik zijn laag doordat hij eet en drinkt op zijn werk. Ook wast hij zich daar regelmatig. Dit verklaart volgens [de gedaagde] ook de lege afvalcontainers.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Hoofdverblijf [de gedaagde]
4.1.
is op grond van de huurovereenkomst verplicht om zijn hoofdverblijf te hebben en te houden in het gehuurde. Mocht vast komen te staan dat [de gedaagde] zijn hoofdverblijf niet heeft (gehad) in het gehuurde, dan rechtvaardigt dat naar vaste rechtspraak – in beginsel – de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Het uitgangspunt is dat Vivare moet stellen en bij voldoende betwisting moet bewijzen dat [de gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). Als Vivare dit voldoende gemotiveerd stelt, dan rust op [de gedaagde] een verzwaarde motiveringsplicht van zijn betwisting. Dit houdt in dat van [de gedaagde] , als huurder mag worden verlangd dat hij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van de betwisting van de stellingen van Vivare. Het ligt namelijk voor de hand dat de huurder over concrete en relevante gegevens beschikt die het gebruik van het gehuurde als hoofdverblijf ondersteunen. De kantonrechter zal dus eerst toetsen of Vivare voldoende rechtsfeiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [de gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde heeft.
4.2.
Bij deze beoordeling wordt vooropgesteld dat definitie van ‘hoofdverblijf’ niet wettelijk is vastgelegd. Uit jurisprudentie en literatuur (onder meer) volgt dat onder ‘hoofdverblijf’ kan worden verstaan “
de plaats waar men het overgrote deel van zijn leven doorbrengt”, “
de plaats waar met gewoonlijk eet, slaapt en verblijft”, dan wel “
de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en met het plan om als dat doel bereikt is terug te komen”.
4.3.
In het licht van deze gezichtspunten, is de kantonrechter van oordeel dat Vivare onvoldoende rechtsfeiten heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [de gedaagde] zijn hoofdverblijf niet heeft in het gehuurde. Aangezien [de gedaagde] werkt in een restaurant in [plaatsnaam] , waar ook zijn familie woonachtig is, is [de gedaagde] een groot deel van de week niet in het gehuurde. Gezien zijn werktijden, gebruikt hij ook een aanzienlijk deel van de maaltijden in [plaatsnaam] . In zoverre is in deze zaak enige nuancering aangewezen ter zake de invulling van het begrip hoofdverblijf. De kantonrechter zal dan ook aansluiting zoeken bij de uitleg dat hoofdverblijf inhoudt de plaats waar iemand niet vandaan gaat dan met een bepaald doel en met het plan om als dat doel bereikt is terug te komen.
4.4.
Van alle vier door Vivare afgelegde huisbezoeken, is onbekend op welke tijd deze hebben plaatsgevonden. Hoewel Vivare stelt dat de huisbezoeken op willekeurige tijden plaatsvinden, heeft Vivare dit niet nader kunnen onderbouwen. Of Vivare de huisbezoeken alleen overdag of bijvoorbeeld ook in de avond heeft uitgevoerd, is dan ook niet duidelijk. Dit klemt temeer omdat [de gedaagde] , zoals hij ook aan Vivare heeft bericht, voor zijn horecawerk veelvuldig in [plaatsnaam] aanwezig is. Tijdens kantoortijden is hij dan ook doorgaans niet in het gehuurde.
Wat betreft de (praktisch) lege afvalcontainers is niet duidelijk of de huisbezoeken hebben plaatsgevonden vlak nadat de containers geleegd waren, dit is namelijk van invloed hierop. Bovendien geldt dat slechts foto’s zijn overgelegd van de inhoud van de afvalcontainers die zijn gemaakt tijdens één huisbezoek.
Aan de verklaring van de buurvrouw van [de gedaagde] kan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Daaruit kan niet worden afgeleid dat [de gedaagde] , in de hiervoor bedoelde uitleg van hoofdverblijf, het hoofdverblijf ergens anders heeft. Daar komt bij dat de buurvrouw niet sluitend heeft verklaard over de vraag of [de gedaagde] in de woning slaapt.
Tot slot, overweegt de kantonrechter dat het waterverbruik laag is, maar wel is duidelijk dat het gebruik niet nihil is.
4.5.
Aangezien Vivare onvoldoende rechtsfeiten heeft gesteld, kan het verweer van [de gedaagde] onbesproken worden gelaten. Ook is nadere bewijslevering niet aan de orde. De vorderingen van Vivare zullen dan ook worden afgewezen.
De proceskosten
4.6.
Vivare zal in het ongelijk worden gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [de gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Vivare niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [de gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
Totaal
107,50
Uitvoerbaar bij voorraad
4.7.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Vivare af,
5.2.
veroordeelt Vivare in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 51588