Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3106

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11787583 \ CV EXPL 25-5474
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:58 BWArt. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 6:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koop-aanneemovereenkomst warmtepompsysteem wegens tekortkoming en toekenning schadevergoeding

Partijen sloten op 7 oktober 2024 een koop-aanneemovereenkomst voor de levering en installatie van een warmtepompsysteem. De werkzaamheden begonnen op 29 oktober 2024 maar werden niet afgerond. Ondanks meerdere ingebrekestellingen en toezeggingen heeft de gedaagde de installatie niet voltooid.

Een deskundige constateerde gebreken aan het systeem, met name een defecte buitenunit. De eiser ontbond de overeenkomst op 3 juni 2025 wegens tekortkoming. De gedaagde voerde overmacht en schuldeisersverzuim aan, maar deze verweren werden verworpen.

De kantonrechter oordeelde dat de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt en veroordeelde de gedaagde tot terugbetaling van de koopsom, betaling van schadevergoeding voor extra stroomverbruik en verwijderingskosten, gedeeltelijke vergoeding van expertisekosten en incassokosten, en proceskosten. De vordering voor gederfde opbrengsten zonnepanelen werd afgewezen wegens onvoldoende toerekening aan de gedaagde.

Uitkomst: De overeenkomst is ontbonden en de gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en betaling van schadevergoeding en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11787583 \ CV EXPL 25-5471
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. W.J. Robbe,
tegen
[naam gedaagde] , H.O.D.N. [naam gedaagd bedrijf],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
thans procederend in persoon, voorheen bijgestaan door mr. A. Heijink (onttrokken per 12 januari 2026).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025 en de hierin genoemde processtukken.
1.2.
Op 26 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de eiser] was hierbij aanwezig met zijn gemachtigde. [de gedaagde] was, zonder kennisgeving vooraf, niet aanwezig. De kantonrechter heeft geprobeerd [de gedaagde] telefonisch te bereiken, maar kreeg geen gehoor. [de eiser] heeft ter zitting zijn standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
Op 7 oktober 2024 gaan partijen een overeenkomst aan voor de aankoop en installatie van een warmtepompsysteem. Partijen komen een koop-/aanneemsom overeen van € 14.366,33 en [de eiser] betaalt als aanbetaling een bedrag van € 5.126,29.
2.2.
De werkzaamheden starten op 29 oktober 2024 maar worden niet afgerond. Vanaf de start tot en met 12 december 2024 spreken partijen elkaar veelvuldig over een oplossing en afronding van de werkzaamheden.
2.3.
[de eiser] verstuurt tweemaal, op 13 december 2024 en 14 januari 2025, een ingebrekestelling naar [de gedaagde] . Ook in deze periode spreken partijen elkaar meermaals over een oplossing en afronding van de werkzaamheden.
2.4.
Op 28 januari 2025 beoordeelt de fabrikant Itho Daalderop (hierna: Itho) de uitgevoerde werkzaamheden van [de gedaagde] . Itho geeft aan dat [de gedaagde] zijn werkzaamheden weer kan hervatten. Ondanks meerdere toezeggingen daartoe aan [de eiser] hervat [de gedaagde] de werkzaamheden niet.
2.5.
Er vindt een expertise-onderzoek plaats op 7 april 2025 waar beide partijen aanwezig zijn. Tijdens het onderzoek worden door deskundige Innax meerdere gebreken geconstateerd. Ook na afloop van dit onderzoek hervat [de gedaagde] de werkzaamheden niet.
2.6.
Op 19 mei 2025 verstuurt [de eiser] een brief waarbij een vergoeding van de geleden schade wordt verzocht. Ook wordt nogmaals een termijn geboden om de werkzaamheden af te ronden. Doordat de werkzaamheden niet worden afgerond, ontbindt [de eiser] op 3 juni 2025 de overeenkomst.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert (samengevat) en na vermindering van eis dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen [de eiser] en [de gedaagde] betreffende de plaatsing van de warmtepomp rechtsgeldig is ontbonden, dan wel de overeenkomst ter zake te ontbinden,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 9.484,84 (bestaande uit terugbetaling van de koopsom van € 5.126,29 en schadevergoeding van € 4.358,55), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de expertisekosten van € 3.509,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.155,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2025,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vordering (samengevat) ten grondslag dat [de gedaagde] , ondanks meerdere sommaties daartoe, de werkzaamheden niet heeft afrond. Daarnaast is het werk dat wel uitgevoerd is gebrekkig. Volgens [de eiser] is [de gedaagde] hiermee tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en heeft [de eiser] de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden. Hierdoor zal [de gedaagde] de betaalde koopsom moeten terugbetalen en ook de geleden schade moeten vergoeden, aldus [de eiser] .
3.3.
[de gedaagde] erkent dat de werkzaamheden niet afgerond zijn, maar betwist de verwijten die hem worden gemaakt door [de eiser] . Volgens [de gedaagde] is de ontbinding van de overeenkomst onterecht en is hij niet schadeplichtig, omdat er sprake is van overmacht. Daarnaast voert [de gedaagde] aan dat [de eiser] zelf in schuldeisersverzuim verkeert.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Tekortkoming en ontbinding
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen een koopovereenkomst is gesloten, op grond waarvan [de gedaagde] aan [de eiser] een warmtepompsysteem zou leveren. Het betreft specifiek een overeenkomst van consumentenkoop, waarbij de installatie van het warmtepompsysteem deel uitmaakt van de koop en werd uitgevoerd door de verkoper.
4.2.
[de eiser] voert aan dat het warmtepompsysteem niet functioneert en hij dit systeem dus niet in gebruik kan nemen. Uit het rapport dat door deskundige Innax in zijn opdracht is opgesteld, blijkt dat de buitenunit van de warmtepomp kapot is en vervangen dient te worden. [de gedaagde] voert aan dat het warmtepompsysteem is geleverd en geïnstalleerd, maar niet in bedrijf kan worden genomen vanwege een storing in de software. De storing is volgens [de gedaagde] niet het gevolg van onjuiste montage of vorstschade. Overigens is de storing ingetreden begin november 2024 en van vorst was toen nog geen sprake geweest.
4.3.
Hoewel partijen twisten over de oorzaak van de storing, zijn partijen het erover eens dat het warmtepompsysteem, in het bijzonder de buitenunit, niet werkt. Kern van de overeenkomst is dat [de gedaagde] een warmtepompsysteem installeert in de woning van [de eiser] . Doordat de buitenunit niet werkt, werkt het warmtepompsysteem niet en heeft [de gedaagde] dus niet voldaan aan zijn verplichtingen op grond van de gesloten overeenkomst tussen partijen. Hieruit vloeit voort dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [de gedaagde] .
4.4.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt (artikel 6:265 BW Pro).
Voor het oplossen en afronden van de installatie beroept [de gedaagde] zich op overmacht, hij was immers afhankelijk van de leveranciers om bepaalde onderdelen aan te leveren en afhankelijk van Itho voor het verhelpen van de softwarestoring. Voor ontbinding is, zo overweegt de kantonrechter, niet noodzakelijk dat de tekortkoming kan worden toegerekend aan de tekortschietende partij. Het beroep op overmacht door [de gedaagde] kan daarom niet slagen. Nu het warmtepompsysteem de kern van de overeenkomst tussen partijen betreft, rechtvaardigt de tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst. [de gedaagde] heeft ook gedurende een lange tijd meermaals de mogelijkheid gehad om het warmtepompsysteem te herstellen en/of te vervangen, maar heeft dit nagelaten. Dit ondanks dat hij meermaals in ondubbelzinnige bewoording heeft verklaard tot herstel over te gaan.
4.5.
Nu bovenstaande tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, behoeven de andere gestelde tekortkomingen geen nadere bespreking. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat [de eiser] de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig heeft ontbonden op 3 juni 2025.
Schuldeisersverzuim
4.6.
[de gedaagde] voert aan dat [de eiser] zelf in verzuim is geraakt voor wat betreft zijn betalingsverplichting. In de brief van [de eiser] van 14 januari 2025 valt volgens [de gedaagde] op te maken dat [de eiser] een boete van € 3.700,00 zal verrekenen met zijn nog openstaande betalingsverplichting. Hierdoor was duidelijk dat [de eiser] niet zal voldoen aan zijn resterende betalingsverplichting en verkeert [de eiser] vanaf 14 januari 2025 in schuldeisersverzuim, aldus [de gedaagde] .
4.7.
Op grond van artikel 6:58 BW Pro is sprake van schuldeiserverzuim indien de nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat de schuldeiser de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent. Deze situatie is niet aan de orde tussen partijen, in tegendeel zelfs. Met de ingebrekestelling van 14 januari 2025 sommeert [de eiser] immers dat [de gedaagde] de (herstel)werkzaamheden zal uitvoeren zoals overeengekomen. Hieruit blijkt niet dat [de eiser] niet aan zijn betalingsverplichting zal voldoen. Het verweer van [de gedaagde] slaagt daarmee dan ook niet.
Wederzijdse ongedaanmakingsverplichtingen
4.8.
Als gevolg van de ontbinding zijn over en weer verbintenissen tot ongedaanmaking ontstaan van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW Pro). [de gedaagde] heeft van [de eiser] betaling van € 5.126,26 ontvangen. Deze prestatie is eenvoudig ongedaan te maken. De door [de eiser] van [de gedaagde] ontvangen prestaties bestaat onder meer uit geleverde zaken en installatiewerkzaamheden. Deze prestaties zijn naar hun aard gedeeltelijk ongedaan te maken. De geleverde zaken kunnen worden teruggenomen. Echter, de uitgevoerde installatiewerkzaamheden (manuren) zijn naar hun aard niet ongedaan te maken. Uit hoofde van de verbintenis tot ongedaanmaking is [de eiser] verplicht een waardevergoeding te betalen voor de door [de gedaagde] geleverde prestaties (artikel 6:272 BW Pro). Uitgangspunt van artikel 6:272 lid 1 BW Pro is dat deze waardevergoeding in beginsel de waarde van de prestatie op het tijdstip van ontvangst beloopt. Indien de geleverde prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt, wordt ingevolge het tweede lid van artikel 6:272 BW Pro de waarde beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op het tijdstip van ontvangst in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. Aangezien [de gedaagde] hiertoe geen standpunt heeft ingenomen en niet is verschenen tijdens de mondelinge behandeling om hierover een standpunt in te nemen, zal de kantonrechter aansluiten bij de lezing van [de eiser] dat de geleverde prestaties een waarde van nihil hebben.
4.9.
Overeenkomstig de vordering van [de eiser] , zal de kantonrechter [de gedaagde] veroordelen tot terugbetaling van het door hem betaalde bedrag van € 5.126,26. [de gedaagde] heeft geen vordering ingesteld teneinde de door hem geleverde zaken retour te ontvangen, zodat de kantonrechter hierover geen beslissing kan nemen.
Schadevergoeding
4.10.
Naast terugbetaling van de betaalde hoofdsom, vordert [de eiser] ook vergoeding van diverse schadeposten. Deze posten zal de kantonrechter hierna afzonderlijk bespreken.
Kosten extra stroomverbruik
4.11.
[de eiser] stelt dat hij een hoog elektriciteitsverbruik heeft doordat hij het warmtepompsysteem niet kan gebruiken voor het verwarmen van zijn woning. Hij gebruikt tot op heden airco’s en elektrische kachels om zijn woning te verwarmen. Voor de periode van december 2024 tot en met april 2025 gaat het om een bedrag van € 737,00. [de gedaagde] voert aan dat het hoge elektriciteitsverbruik niet aan hem kan worden toegerekend en dat de schade geen oorzakelijk verband heeft met het werk van
[de gedaagde] . Daarnaast is de berekening volgens [de gedaagde] onnavolgbaar en onjuist.
4.12.
Anders dan [de gedaagde] betoogt is de kantonrechter van oordeel dat een causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de gevorderde schade. [de eiser] verwarmt zijn woning immers met airco’s en elektrische kachels, omdat het warmtepompsysteem niet kan worden gebruikt om zijn woning te verwarmen. Als [de gedaagde] wel een werkend systeem had geleverd, had [de eiser] deze extra kosten dus niet gehad.
4.13.
Wat betreft de toerekening van deze schade aan [de gedaagde] overweegt de kantonrechter als volgt. Zoals hiervoor besproken, voert [de gedaagde] aan dat sprake is van overmacht. Volgens [de gedaagde] kon hij de werkzaamheden pas hervatten en/of herstellen nadat Itho bij [de eiser] is geweest om de storing op te lossen. [de eiser] betwist dit niet en daarnaast heeft Itho op 28 januari 2025 een bezoek aan de woning van [de eiser] gebracht. De kantonrechter is daardoor van oordeel dat [de gedaagde] zich tot het bezoek van Itho op overmacht kan beroepen, maar voor de maanden daarna niet. [de gedaagde] is na afloop van het bezoek van Itho immers meermaals gesommeerd om de (herstel)werkzaamheden uit te voeren en dat heeft [de gedaagde] , ondanks meerdere toezeggingen, niet gedaan. De kantonrechter zal dus de schade voor het extra stroomverbruik over de maanden februari 2025 tot en met april 2025 toewijzen. Hoewel [de gedaagde] betwist dat de berekening van de schade juist is, is deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. In het rapport van Innax wordt de berekening namelijk voldoende duidelijk toegelicht en wordt het verbruik van de airco’s en elektrische kachels afgezet tegen het verbruik van een warmtepompsysteem. Op basis van de overgelegde berekening kan de kantonrechter echter niet concreet vaststellen welke impact het voorgaande heeft op de hoogte van de door [de eiser] geleden schade. De kantonrechter zal daarom gebruikmaken van zijn schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW Pro). Aangezien twee maanden waarover [de eiser] schadevergoeding vordert wegvallen (december 2024 en januari 2025), zal de kantonrechter die buiten beschouwing laten. Uit de door de deskundige overgelegde berekening, volgt dat deze twee maanden grofweg de helft van het verbruik vormen gedurende de vijf maanden waarover de berekening is opgesteld. De kantonrechter zal daarom [de gedaagde] veroordelen tot betaling van een schadebedrag van € 368,50.
Gederfde opbrengsten zonnepanelen
4.14.
[de eiser] stelt dat [de gedaagde] de werkzaamheden in de meterkast niet heeft afgerond, waardoor de reeds op het dak geïnstalleerde zonnepanelen niet kunnen worden aangesloten op de meterkast. Hierdoor mist [de eiser] opbrengsten van zijn zonnepanelen. Voor de periode van december 2024 tot en met april 2025 gaat het om € 620,00 aan gederfde opbrengsten. [de gedaagde] voert aan dat de schade niet aan hem toegerekend kan worden. De meterkast van [de eiser] is niet op orde, maar dit is niet te wijten aan de werkzaamheden die [de gedaagde] heeft uitgevoerd. Volgens [de gedaagde] was de meterkast al rommelig voordat hij zijn werkzaamheden is begonnen.
4.15.
In het rapport van Innax wordt benoemd dat de meterkast niet afgemonteerd is en dat hierdoor de zonnepanelen die op het dak liggen niet aangesloten kunnen worden. Ook is niet tussen partijen in geschil dat sprake is van problemen in de meterkast van [de eiser] . Wel voert [de gedaagde] aan dat deze problemen niet aan hem toegerekend kunnen worden. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [de eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de problemen toe te rekenen zijn aan [de gedaagde] . Zo is niet duidelijk dat de problemen in de meterkast het gevolg zijn van werkzaamheden die [de gedaagde] heeft uitgevoerd. Ook is onduidelijk of de problemen reeds bestonden voordat [de gedaagde] aan zijn werkzaamheden is begonnen. Zo is onduidelijk wanneer de zonnepanelen zijn gelegd en wanneer voor het eerst is gepoogd de zonnepanelen aan te sluiten op de meterkast. De kantonrechter zal de vordering tot betaling van deze schade dan ook afwijzen.
Rol Uponor
4.16.
Volgens [de eiser] heeft hij, op verzoek van [de gedaagde] , een rol Uponor geïsoleerde buis aangeschaft, omdat de leverancier van [de gedaagde] deze rol niet kon leveren. Het aankoopbedrag van € 501,55 zou worden terugbetaald, dan wel worden verrekend met de resterende koopsom. Nu dit niet is gebeurd, vordert [de eiser] dit bedrag alsnog terug. [de gedaagde] voert aan dat uit niets blijkt dat de rol Uponor niet (meer) bruikbaar zou zijn als de werkzaamheden voor het warmtepompsysteem worden afgerond en/of hersteld door een derde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de eiser] nader toegelicht dat een gemiddelde aannemer niet zal werken met materialen en werk van een voorganger. Dit heeft tot gevolg dat de rol Uponor geen waarde meer heeft voor [de eiser] . Ook staat tussen partijen vast dat [de eiser] deze rol heeft aangeschaft op verzoek van [de gedaagde] en dat partijen overeen zijn gekomen dat [de gedaagde] de door [de eiser] betaalde prijs zal terugbetalen. Gelet op de uitleg van [de eiser] tijdens de mondelinge behandeling en de summiere betwisting van [de gedaagde] in zijn conclusie van antwoord, is de kantonrechter van oordeel dat rol voor [de eiser] geen waarde meer heeft en zal de vordering tot betaling van € 501,55 toewijzen.
Kosten verwijdering installatie en situatie herstellen
4.17.
[de eiser] heeft een deskundige ingeschakeld om de installatie van het warmtepompsysteem te controleren. Uit het door [de eiser] overgelegde rapport van Innax blijkt dat herstel van de installatie niet mogelijk is. Voor het verwijderen en afvoeren van de installatie en het terugbrengen van de woning in de oorspronkelijke situatie raamt Innax een totaalbedrag van € 7.500,00. Ter zitting heeft [de eiser] , vanwege de grofmazigheid van de berekening van de deskundige en de waarschijnlijke dubbeltelling, zijn vordering verminderd. Hij vordert thans van [de gedaagde] een schadevergoeding van € 2.500,00.
4.18.
[de gedaagde] voert aan dat [de eiser] , in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, hem de gelegenheid had moeten geven om de installatie kosteloos te demonteren. Dat [de eiser] zijn schade zou moeten beperken door [de gedaagde] de installatie te laten verwijderen, kan in de gegeven omstandigheden niet van [de eiser] gevergd worden. [de eiser] heeft [de gedaagde] vele kansen gegeven om de (herstel)werkzaamheden uit te voeren en dit heeft [de gedaagde] , ondanks meerdere toezeggingen, nagelaten. Het is dan ook redelijk dat [de eiser] een derde zal inschakelen om de installatie te verwijderen en af te voeren.
4.19.
[de gedaagde] voert ook aan dat Innax in het rapport zonder nadere onderbouwing en toelichting de kosten raamt. De kantonrechter is het met
[de gedaagde] eens dat het rapport van Innax summier is op dit punt en weinig tot geen toelichting geeft waarop zij de bedragen van € 2.500,00 en € 5.000,00 baseert. Dit betekent echter niet dat er geen kosten verbonden zijn aan het verwijderen en afvoeren van de installatie en het terugbrengen van de woning in de oorspronkelijke situatie. Nu de kosten niet duidelijk genoeg blijken uit het rapport van Innax, zal de kantonrechter gebruik maken van zijn begrotingsbevoegdheid (artikel 6:97 BW Pro) en de schade, overeenkomstig de vordering van [de eiser] , begroten op € 2.500,00. De kantonrechter oordeelt dat dit een redelijk bedrag is wat in verhouding staat met de gestelde werkzaamheden die uitgevoerd moeten worden. De kantonrechter zal [de gedaagde] aldus veroordelen tot betaling aan [de eiser] van een schadebedrag van € 2.500,00.
Expertisekosten
4.20.
[de eiser] heeft op 7 april 2025 een expertise-onderzoek laten uitvoeren door Innax, waar beide partijen aanwezig zijn geweest. Hiervan is een rapport opgesteld en [de eiser] vordert betaling van de kosten van dit expertise-onderzoek van € 3.509,00.
[de gedaagde] voert aan dat geen noodzaak bestond voor de inschakeling van een deskundige en dat Innax geen onafhankelijke deskundige is. Volgens [de gedaagde] heeft het expertise-onderzoek verder geen waarde omdat niet duidelijk wordt gemaakt aan de hand van welke norm het werk van [de gedaagde] is beoordeeld en bepaalde conclusies en berekeningen niet onderbouwd worden en niet te verifiëren zijn.
4.21.
De kantonrechter oordeelt dat een noodzaak aanwezig was voor het inschakelen van een deskundige in deze situatie. [de eiser] was destijds al een aantal maanden aan het wachten op een oplossing vanuit [de gedaagde] en het warmtepompsysteem werkte niet.
De kantonrechter ziet geen aanleiding in hetgeen [de gedaagde] heeft verklaard om te oordelen dat Innax geen onafhankelijke deskundige is. Ook is uit de voorgelegde klachten en vragen niet gebleken dat Innax betrokken zal worden bij herstel van het warmtepompsysteem. Wel is de kantonrechter van oordeel dat het rapport niet voldoet aan de eisen die gesteld mogen worden aan een deskundigenrapport. Hoewel meerdere tekortkomingen worden vastgesteld, is sprake van blote stellingen zonder nadere onderbouwing aan welke norm het werk wordt beoordeeld. Dit heeft de kantonrechter ter zitting ook aan de orde gesteld. Gelet hierop is het niet redelijk om [de gedaagde] te veroordelen tot betaling van het volledige bedrag. De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 1.754,50 toewijzen.
Wettelijke rente
4.22.
Voor de vordering tot (terug)betaling van de koopsom en de schadevergoeding vordert [de eiser] wettelijke rente vanaf de datum dat [de gedaagde] in verzuim is geraakt (29 januari 2025, aldus Colette). [de gedaagde] betwist dat hij in verzuim is geraakt. Anders dan [de eiser] betoogt, is de kantonrechter van oordeel dat het verzuim van [de gedaagde] later is ingetreden. Echter, de datum van 29 januari 2025 is te prematuur. Zo is de vordering tot terugbetaling van de door [de eiser] betaalde koopsom pas opeisbaar geworden nadat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden (3 juni 2025). Ten aanzien van het gevorderde extra stroomverbruik geldt dat verzuim pas is ingetreden op 10 februari 2025 (na verloop van de termijn van tien dagen die bij e-mail van 30 januari 2025 is gesteld). Daarbij komt verder dat de aan [de eiser] toekomende schadevergoeding betrekking heeft op het extra stroomverbruik in de maanden februari t/m april 2025. De kantonrechter ziet in het voorgaande aanleiding om de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) toe te wijzen vanaf de datum dagvaarding (subsidiair door [de eiser] gevorderd).
Buitengerechtelijke incassokosten
4.23.
[de eiser] vordert betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.155,48. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief.
De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het in het Besluit bepaalde tarief van € 1.061,78 (inclusief btw). De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding. De kantonrechter zal de wettelijke rente daarmee toewijzen vanaf 24 juni 2025.
De proceskosten
4.24.
[de gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,61
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.889,61
Uitvoerbaar bij voorraad
4.25.
De veroordeling in dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [de eiser] de overeenkomst tussen partijen betreffende de plaatsing van de warmtepomp rechtsgeldig heeft ontbonden op 3 juni 2025,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] de betaalde koopsom van € 5.126,26 terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2025 (datum dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] een schadevergoeding van
€ 3.370,05 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2025 (datum dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] de expertisekosten van € 1.754,50 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 juni 2025 (datum buitengerechtelijke ontbinding) tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.061,78 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 juni 2025 (datum dagvaarding) tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.889,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [de gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 51588