Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3117

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ARN 24_6750
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 BarpArt. 64 BarpArt. 32 BarpArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit buitengewoon verlof wegens onvoldoende motivering door korpschef

Eiser, werkzaam als bedrijfsvoeringspecialist D bij de politie, werd door de korpschef met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend vanwege een verstoorde arbeidsrelatie binnen zijn team. De korpschef baseerde dit op een aantal onduidelijke uitlatingen en gesprekken, maar motiveerde het besluit onvoldoende. Eiser betwistte de verwijten en stelde dat het buitengewoon verlof zonder einddatum leidde tot onduidelijkheid en stress.

De rechtbank oordeelde dat eiser nog steeds belang had bij de beoordeling van zijn beroep, omdat hij zijn oude functie niet mocht uitoefenen. Het besluit tot buitengewoon verlof is een ordemaatregel met discretionaire bevoegdheid, maar moet deugdelijk gemotiveerd zijn. De rechtbank vond de motivering summier en onvoldoende onderbouwd, mede omdat de korpschef geen nadere stukken over de verstoorde arbeidsrelatie had overgelegd.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De rechtbank bepaalde dat de korpschef geacht wordt geen buitengewoon verlof te hebben verleend en veroordeelde hem tot vergoeding van de proceskosten van eiser, inclusief griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van buitengewoon verlof aan eiser wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6750

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.G.J. Horlings),
en

de korpschef van de Nationale Politie, de korpschef

(gemachtigden: mr. H.J. Kleine, T.J.R. de Jonge, M.D.A. Krassenburg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het door de korpschef aan eiser verlenen van buitengewoon verlof. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de korpschef.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ontvankelijk en gegrond is
.De korpschef heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Eiser krijgt daarom gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beroepsgronden van eiser staan onder 4. Het verweer van de korpschef staat onder 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep en daarna op de vraag of de korpschef eiser terecht buitengewoon verlof heeft verleend. Aan het eind, onder 8, staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 3 april 2024 heeft de Teamchef C (NOS) van het Politiedienstencentrum, Dienst IV i.o., Sector GGB (hierna: de teamchef C) besloten om aan eiser buitengewoon verlof te verlenen en hem uit zijn rol als [functietitel] te zetten. Met het besluit van 15 augustus 2024 op het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft de korpschef het bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit van 3 april 2024 vernietigd. Met het primaire besluit van 15 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de korpschef aan eiser met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof verleend, op grond van artikel 39 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
2.1.
Eiser heeft, met toestemming van de korpschef, rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. [1] Ook heeft hij beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 15 augustus 2024. [2]
2.2.
Bij brief van 22 januari 2026 heeft de rechtbank eiser verzocht mee te delen of, en zo ja, welk belang hij heeft bij zijn beroep tegen het besluit op bezwaar van 15 augustus 2024. Vervolgens heeft eiser, met zijn brief van 28 januari 2026, dit beroep ingetrokken.
2.3.
Met haar brief van 22 januari 2026 heeft de rechtbank de korpschef verzocht binnen twee weken een aantal vragen te beantwoorden en nadere stukken te overleggen.
2.4.
De korpschef heeft met zijn brief van 4 februari 2026 op de vragen gereageerd middels een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de korpschef deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Eiser is sinds 1 juli 2021 werkzaam bij de politie als bedrijfsvoeringspecialist D in de rol van [functietitel].
3.2.
Met haar e-mailbericht van 3 april 2024 heeft de teamchef C aan eiser haar besluit kenbaar gemaakt om hem niet langer in de rol van [functietitel] te laten werken. Ook heeft zij eiser met dit besluit voor de rest van de maand (april 2024) buitengewoon verlof toegekend. Aan dit besluit heeft de teamchef C ten grondslag gelegd, zo begrijpt de rechtbank, dat er een arbeidsconflict is ontstaan. Dat conflict heeft geleid tot een langlopende verstoorde werkrelatie. Gesprekken om deze verstoorde werkrelatie op te lossen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. De teamchef C ziet daarom geen kans meer op herstel van het onderlinge vertrouwen. Daarom is zij tot haar besluit gekomen. Eiser blijft zijn formele functie van bedrijfsvoeringspecialist D bij de politie behouden. Er zal gezocht worden naar een passende nieuwe rol voor eiser.
3.3.
Op 7 mei 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 april 2024. Vervolgens is de korpschef overgegaan tot besluitvorming zoals vermeld onder 2.
3.4.
De korpschef heeft aan het bestreden besluit van 15 augustus 2024 – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Met het besluit van 14 augustus 2024 (de rechtbank begrijpt: 15 augustus 2024) is het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 april 2024 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Dat betekent alleen niet dat de daarin gesignaleerde onwerkbare situatie is opgelost. Sinds de teambijeenkomst in de [naam hotel] op 16 oktober 2023 zijn uitspraken gedaan tussen eiser en zijn collega’s met betrekking tot de problemen op de werkvloer. Hieruit is informatie naar boven gekomen over eisers aanhoudende houding en gedrag, die zich voornamelijk uit in onwenselijke uitlatingen tijdens werktijd, over werk en over collega’s. [3] Dit heeft geleid tot een situatie die maakt dat collega’s uit het team zich onveilig voelen en de samenwerking binnen het team beïnvloedt.
In verband met de ontstane situatie binnen het team is de aanwezigheid van eiser op het werk momenteel ongewenst. Uit het oogpunt van het dienstbelang is het dan ook ongewenst dat eiser, gedurende de tijd waarin de korpschef zich op de situatie beraadt, zijn functie blijft uitoefenen. Daarom heeft de korpschef besloten om eiser op grond van artikel 39 van Pro het Barp met onmiddellijke ingang buitengewoon verlof te verlenen. Dit buitengewoon verlof duurt tot nadere besluitvorming over de situatie heeft plaatsgevonden. Gedurende de duur van het buitengewoon verlof behoudt eiser zijn aanspraak op bezoldiging.
Vanaf het moment van de bijeenkomst in de [naam hotel] hebben er verschillende gesprekken in verschillende samenstellingen plaatsgevonden. Tot op heden hebben deze gesprekken nog niet tot een oplossing geleid. De korpschef ziet een terugkeer van eiser naar het vakteam UX ook niet als een optie. In het belang van de dienst zal een overplaatsing op grond van artikel 64 van Pro het Barp gaan plaatsvinden. Hierover zal aparte besluitvorming plaatsvinden. De korpschef heeft eiser aangemeld bij het Loopbaan- en Mobiliteitscentrum (LMC), zodat zij met eiser kunnen kijken naar een passende functie. De korpschef draagt eiser op om beschikbaar te blijven voor hem als leidinggevende en in gesprek te blijven om te komen tot een passende oplossing. De re-integratieverplichtingen van eiser komen niet te vervallen.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan tegen het bestreden besluit. Door de korpschef is niet of onvoldoende onderbouwd, waarom de teamchef geen kans zag dat het onderlinge vertrouwen zal worden hersteld. Er wordt gerefereerd aan uitspraken die in oktober 2023 zijn gedaan. Naar aanleiding daarvan is er een soort van mediationtraject opgestart, waarbij niet een daadwerkelijke mediator maar een coach de gesprekken heeft begeleid. Plots zijn de gesprekken in mei 2024 stopgezet zonder uitleg of motivering. Dat traject is nooit afgerond of adequaat doorlopen. Er is door de korpschef dan ook onvoldoende gedaan om de door hem genoemde onwerkbare situatie op te lossen. Dit is aan de korpschef te wijten. Eiser heeft altijd meegewerkt aan de voorstellen om in gesprek te treden en heeft altijd kenbaar gemaakt, dat hij zijn werkzaamheden wil uitoefenen. Dat de situatie nog niet is opgelost is niet aan eiser te wijten. Er wordt verwezen naar het dienstbelang, maar onduidelijk is om welk dienstbelang het gaat. Er wordt totaal niet onderbouwd, waarom dit dienstbelang prefereert boven het belang van eiser om zijn functie uit te kunnen oefenen en niet maanden in uiterste onzekerheid te blijven en daardoor mentale en fysieke klachten te ontwikkelen. Daardoor houdt de korpschef zich niet aan het motiveringsbeginsel. De korpschef is op de hoogte van het feit dat eiser arbeidsongeschikt is en dat eiser enorm veel stress ervaart door de gecreëerde situatie en dat eiser niet alleen wordt behandeld door zijn huisarts, maar ook door een neuroloog, medisch psycholoog, een fysiotherapeut en de bedrijfsarts. De klachten zijn allemaal pas ontstaan, nadat de onduidelijkheid kwam over de functie van eiser en het inzetten van buitengewoon verlof zonder einddatum. Het afgeven van buitengewoon verlof totdat nadere besluitvorming heeft plaatsgevonden over de situatie strookt niet met de rechtszekerheid. Op onverwachte, onberekenbare, wijze aantasten van iemands rechtspositie mag niet. Eiser tast in het duister en dat is niet aanvaardbaar.
Eiser heeft altijd naar behoren zijn functie uitgeoefend en behoudt dan ook recht op zijn functie. Eiser is belangrijk voor de afdeling en dit belang wordt ook niet meegenomen in de overwegingen van de korpschef.
De belangen van eiser zijn niet meegenomen en/of worden niet serieus genomen door de korpschef. Er wordt namelijk gesteld dat er diverse gesprekken hebben plaatsgevonden, maar na het laatste gesprek in mei 2024 lag het maanden stil. Pas enkele dagen voor het indienen van het aanvullend beroepschrift van 18 september 2024 heeft er een informatief gesprek plaatsgevonden, waarbij er totaal niet gesproken is over oplossingen van de kant van de korpschef. Dit kan niet het doel zijn van het verlenen van buitengewoon verlof zonder einddatum.
Het verweer van de korpschef
5. De korpschef stelt zich in het verweerschrift van 4 februari 2026 – samengevat – op het volgende standpunt. De korpschef vraagt zich af welk belang eiser nog heeft bij deze procedure. Eiser is per 21 januari 2025 belast, en gestart, met andere werkzaamheden die tot de functie van bedrijfsvoeringspecialist D behoren. Daarmee is het buitengewoon verlof de facto beëindigd.
Het besluit om buitengewoon verlof te verlenen is naar de mening van de korpschef gerechtvaardigd. Er bestond namelijk een concrete aanleiding om eiser niet langer te belasten met de coördinatietaken, die een belangrijk deel van de bedrijfsvoeringspecialist-D functie zijn. De verstoorde arbeidsrelatie tussen hem en een aantal collega’s was een gegeven en de bedrijfsvoering was in het geding. Deze situatie kon niet voortduren en de korpschef heeft een keuze gemaakt. Eiser wordt in grote mate verantwoordelijk gehouden voor het (kunnen) ontstaan en het voortduren van de situatie, waardoor hij niet langer belast kon worden met de taken van coördinator. Een belangenafweging heeft wel degelijk plaatsgevonden. Eiser heeft met zijn gedrag onvoldoende bijgedragen aan het creëren en behouden van een veilige werkomgeving. Zo werden anderen belemmerd om op effectieve wijze hun bijdrage te (blijven) leveren aan het bredere organisatiebelang. Het belang van eiser om het opgedragen werk uit te kunnen blijven voeren - waarschijnlijk op een vergelijkbare maar onwenselijke wijze, waarop dit al enige tijd plaatsvond - is naar de mening van de korpschef ondergeschikt aan de voortgang van een efficiënte en effectieve bedrijfsvoering en de bestaande ideeën over de gewenste wijze van onderlinge samenwerking binnen de dienst. Daarom kreeg het laatste voorrang.
Het is juist, zoals gesteld, dat er in het besluit geen einddatum van het verleende verlof is genoemd. Op het moment van besluitvorming werd namelijk nog over het vervolg nagedacht. Daarbij moest worden beoordeeld en overlegd welke taken wél door eiser uitgevoerd konden worden. Een einddatum was toen nog niet bekend. Maar het bevoegd gezag was zich wel degelijk bewust van de bestaande verantwoordelijkheid. Niet alleen ten aanzien van de collega’s, maar eveneens voor eiser.
Eiser is vanaf 21 januari 2025 belast met andere werkzaamheden. Daarom is het buitengewoon verlof met ingang van deze datum beëindigd. Een schriftelijke bevestiging van deze beëindiging is wel opgemaakt, maar niet aan eiser uitgereikt.
Wat vindt de rechtbank?
Heeft eiser nog belang bij de beoordeling van zijn beroep?
6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Met zijn stelling dat eiser geen belang meer heeft, omdat het buitengewoon verlof per 21 januari 2025 is beëindigd, miskent de korpschef dat de bestreden besluitvorming, waarbij aan eiser buitengewoon verlof is verleend, feitelijk tot gevolg heeft gehad dat het eiser niet langer was toegestaan om zijn functie uit te oefenen. Dat heeft de korpschef eiser in het besluit van 15 augustus 2024 ook meegedeeld. Aangezien het eiser nog steeds niet is toegestaan om zijn ‘oude’ functie uit te oefenen, en eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat hij naar zijn functie terug wil, bestaat er voor eiser nog altijd een belang bij de beoordeling door de rechtbank van zijn beroep tegen het bestreden besluit.
Is de korpschef op goede gronden overgegaan tot het verlenen van buitengewoon verlof?
7. In artikel 32, eerste lid, van het Barp is bepaald dat aan de ambtenaar in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in de volgende artikelen van hoofdstuk IV van het Barp, buitengewoon verlof wordt verleend.
7.1.
Artikel 39, eerste lid, van het Barp bepaalt dat buitengewoon verlof van korte duur, al dan niet met behoud van bezoldiging, kan worden verleend, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat daartoe aanleiding bestaat. Dit is een ordemaatregel met een discretionair karakter.
7.2.
Deze bevoegdheid kan worden ingezet als vanwege ernstig verstoorde verhoudingen binnen een organisatieonderdeel een onwerkbare situatie ontstaat. Ingevolge artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het desbetreffende besluit tot het verlenen van buitengewoon verlof te berusten op een deugdelijke motivering. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Hierna zal zij uitleggen waarom zij dat vindt.
7.3.
Het bestreden besluit is zeer summier gemotiveerd. Uit dit besluit en het eerdere primaire besluit kan de rechtbank alleen opmaken dat er in het team, waarin eiser werkzaam en waar hij coördinator van was, een kennelijk verstoorde werkrelatie is ontstaan. Dit zou zijn gebleken tijdens gesprekken in De [naam hotel] en gesprekken die daarna zijn gevoerd met eiser en zijn collega’s. Door deze verstoorde arbeidsrelatie zouden collega’s uit het team zich onveilig voelen, wat de samenwerking binnen dit team zou hebben beïnvloed. In dit besluit wordt echter niet, dan wel onvoldoende, gemotiveerd waardoor deze arbeidsrelatie is verstoord en waarom eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Eiser betwist dit namelijk ook. Uit de als bijlage bij het verweerschrift overgelegde e-mail van eiser van 13 februari 2025 aan het plaatsvervangend diensthoofd blijkt dat eiser aangeeft niet te weten waar het verwijt van de verstoorde arbeidsrelatie op is gebaseerd. Zonder nadere context of informatie valt niet in te zien dat en waarom door de uitlatingen “Strateeg zonder visie” en “PO zonder plan” over twee collega’s de werkrelatie zodanig is verstoord geraakt, of er door toedoen van eiser een zo onveilige werksituatie is gecreëerd, dat het in het belang van de dienst was om hem buitengewoon verlof te verlenen. De aanvullende motivering en toelichting die de korpschef in zijn verweerschrift van 4 februari 2026 en tijdens de zitting heeft gegeven, maken dit niet anders. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het dossier geen stukken bevat over de gang van zaken en de gebeurtenissen die hebben geleid tot de bestreden besluitvorming. De korpschef heeft, ook na een verzoek van de rechtbank tot het overleggen van nadere stukken over het ontstaan van de verstoorde arbeidsrelatie en de gesprekken die gevoerd zijn om te trachten deze verstoorde arbeidsrelatie te herstellen, geen stukken overgelegd. De korpschef heeft volstaan met het insturen van een verweerschrift met een aanvullende, maar nog altijd summiere motivering. Ook tijdens de zitting heeft de korpschef slechts verwezen naar gesprekken die in verschillende samenstellingen hebben plaatsgevonden, maar nog altijd niet concreet kunnen maken hoe de verstoorde arbeidsrelatie binnen het team van eiser is ontstaan en waarom en in hoeverre eiser daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Omdat de rechtbank oordeelt dat het verlenen van het buitengewoon verlof onvoldoende is gemotiveerd, komt de rechtbank niet toe aan de beroepsgrond dat het verleende buitengewoon verlof niet van ‘korte duur’ was zoals bedoeld in artikel 39 van Pro het Barp.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Dat betekent dat dit besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten. Ook ziet de rechtbank, met name gelet op het belang van eiser en de reeds lange duur van het verleende buitengewoon verlof, geen aanleiding om de korpschef in de gelegenheid te stellen om, met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dat betekent dat het vernietigen van het bestreden besluit, omdat dit het primaire besluit was, tot de conclusie leidt dat de korpschef geacht wordt geen buitengewoon verlof aan eiser te hebben verleend en eiser niet geweerd kan worden zijn functie uit te oefenen.
8.2.
De rechtbank ziet verder aanleiding te bepalen dat de korpschef de proceskosten van eiser vergoedt. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan € 1.868. Ook dient de korpschef het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 15 augustus 2024;
- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van eiser in beroep ter hoogte van € 1.868;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van eiser ter hoogte van € 187 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L. de Vos, voorzitter, en mr. A.S.W. Kroon en
mr. J.M. Hollebrandse, leden, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zaaknummer 24/6662
3.Het gaat onder meer over een uitspraak “Strateeg zonder visie” over één collega en “PO zonder plan” over een andere collega.