Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3144

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/1732
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 RooOArt. 6 RooOArt. 7 RooOArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde beëindiging opvang ontheemde Oekraïne

Eiser, een ontheemde uit Oekraïne, werd op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) opgevangen in een locatie in een plaats. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente besloot op 30 oktober 2024 de opvang van eiser te beëindigen vanwege vermeende overlast, zonder alternatieve opvang aan te bieden. Eiser maakte bezwaar en vroeg voorlopige voorzieningen aan, waarvan sommige werden toegewezen en andere afgewezen.

In de beslissing op bezwaar van 11 april 2025 herzag het college het besluit en bood alternatieve opvang aan in een andere plaats. Eiser wilde echter terug naar de oorspronkelijke opvanglocatie en stelde opnieuw verzoeken om voorlopige voorzieningen, die werden afgewezen. De rechtbank beoordeelde het besluit tot beëindiging van de opvang en oordeelde dat het college het besluit niet zorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat de gestelde overlast niet onderbouwd was.

De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar en droeg het college op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het college rekening moet houden met de overwegingen van de rechtbank. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank zag geen aanleiding om de overige beroepsgronden te behandelen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot beëindiging van de opvang wegens onvoldoende voorbereiding en motivatie en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], zonder woonplaats, eiser

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek

(gemachtigden: D. Sneller, mr. M. Tijssen en mr. J. Keur).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarbij de opvang van eiser op de locatie het Buitencentrum in [plaats 1] is beëindigd. Daarbij is aangegeven dat hij voor alternatieve opvang terecht kan in [plaats 2]. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit tot beëindiging van de opvang.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar niet zorgvuldig is voorbereid en niet voldoende is gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het primaire besluit van 30 oktober 2024 heeft het college de opvang van eiser beëindigd. Met de beslissing op bezwaar van 11 april 2025 heeft het college dit besluit herroepen en besloten dat voor eiser alternatieve opvang wordt geregeld.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Als tolk is verschenen [persoon A].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser valt onder de Richtlijn tijdelijke bescherming en werd op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) opgevangen op de locatie Het Buitencentrum in [plaats 1]. De burgemeester (lees: het college) [1] heeft in het besluit van 30 oktober 2024 besloten dat de opvang van eiser per direct wordt beëindigd vanwege door hem veroorzaakte overlast en dat hem geen alternatieve huisvesting wordt aangeboden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek in de uitspraak van 10 december 2024 toegewezen en bepaald dat het college in opvang moet voorzien. [2]
3.1.
In de beslissing op bezwaar van 11 april 2025 heeft het college het besluit van
30 oktober 2024 herroepen en besloten dat voor eiser alternatieve huisvesting wordt geregeld. Eiser kon vervolgens terecht in de opvang aan de [locatie] in [plaats 2]. Eiser wilde echter terug naar de opvang in [plaats 1] en heeft de voorzieningenrechter verzocht die voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 30 april 2025 dit verzoek afgewezen. [3]
3.2.
Op 7 januari 2026 heeft eiser opnieuw een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek in de uitspraak van 15 januari 2026 afgewezen. [4]
Toetsingskader
4. Op grond van de RooO moet het college zorgdragen voor de opvang van ontheemden. [5] Deze opvang omvat in ieder geval onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau hebben. [6] In bepaalde omstandigheden kan het college de opvang beëindigen, maar moet het wel in basisvoorzieningen blijven voorzien.
4.1.
In artikel 7, eerste lid, van de RooO worden verschillende redenen genoemd op grond waarvan het college de opvang kan beëindigen, waaronder:
de ontheemde ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, genoemd in artikel 6, derde lid;
de ontheemde een ernstige vorm van geweld pleegt jegens medebewoners die in dezelfde opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, of aan anderen.
Is de beslissing op bezwaar zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd?
5. Eiser voert aan dat hij onterecht uit de opvang is gezet. De gestelde overtredingen van de huisregels - die volgens het college de overlast hebben veroorzaakt die grondslag zouden hebben gevormd voor beëindiging van de opvang van eiser - zijn niet onderbouwd en kunnen de beëindiging van de opvang van eiser niet dragen.
5.1.
In het besluit van 30 oktober 2024 heeft het college de opvang van eiser beëindigd omdat sprake zou zijn van overlast. In de beslissing op bezwaar heeft het college echter overwogen dat dit besluit niet zorgvuldig was voorbereid en ontoereikend was gemotiveerd, ook ten aanzien van de gestelde overlast. Vervolgens heeft het college het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 oktober 2024 herroepen en besloten om op grond van artikel 2, eerste lid, van de RooO aan eiser alternatieve opvang aan te bieden.
5.2.
De beroepsgrond slaagt. Het college heeft in de beslissing op bezwaar niet gemotiveerd op grond waarvan de opvang van eiser op de locatie in [plaats 1] beëindigd mocht worden. Ook tijdens de zitting is dit niet duidelijk geworden. De gemachtigde van het college heeft op de zitting namelijk benoemd dat het college het standpunt over de door eiser veroorzaakte overlast niet zou hebben verlaten, terwijl in de beslissing op bezwaar, die nu ter toetsing voorligt, is overwogen dat dit standpunt niet voldoende is onderbouwd en gemotiveerd. Verder heeft het college in de beslissing op bezwaar opgenomen dat de grondslag artikel 2, eerste lid, van de RooO zou zijn. Hierin is echter slechts de algemene zorgplicht van het college neergelegd voor de opvang van ontheemden. Dit artikel kan daarom niet fungeren als grondslag voor beëindiging van de opvang van eiser. Uit het voorgaande volgt dat het college het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd.
Overige beroepsgronden
6. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat de beslissing op bezwaar in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat het college opnieuw op het bezwaar moet beslissen. Daarbij moet het college rekening houden met hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen. De rechtbank voorziet niet zelf in de zaak, omdat het aan het college is de nieuwe beslissing op bezwaar zorgvuldig voor te bereiden en te motiveren.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook moet het college een proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 11 april 2025;
  • draagt het college op om binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit bevoegdheidsgebrek is hersteld in de beslissing op bezwaar. Op grond van artikel 2 van Pro de Tijdelijke wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO) is het college van burgemeester en wethouders belast met de zorg voor de materiële en immateriële opvang van ontheemden. Dit is per 1 januari 2025 ook doorgevoerd in de RooO.
5.Artikel 2, eerste lid, van de RooO.
6.Artikel 6, eerste lid, van de RooO.