Eiser, een ontheemde uit Oekraïne, werd op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) opgevangen in een locatie in een plaats. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente besloot op 30 oktober 2024 de opvang van eiser te beëindigen vanwege vermeende overlast, zonder alternatieve opvang aan te bieden. Eiser maakte bezwaar en vroeg voorlopige voorzieningen aan, waarvan sommige werden toegewezen en andere afgewezen.
In de beslissing op bezwaar van 11 april 2025 herzag het college het besluit en bood alternatieve opvang aan in een andere plaats. Eiser wilde echter terug naar de oorspronkelijke opvanglocatie en stelde opnieuw verzoeken om voorlopige voorzieningen, die werden afgewezen. De rechtbank beoordeelde het besluit tot beëindiging van de opvang en oordeelde dat het college het besluit niet zorgvuldig had voorbereid en onvoldoende had gemotiveerd, met name omdat de gestelde overlast niet onderbouwd was.
De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar en droeg het college op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het college rekening moet houden met de overwegingen van de rechtbank. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank zag geen aanleiding om de overige beroepsgronden te behandelen.