ECLI:NL:RBGEL:2026:316

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
ARN 25_136
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag WIA-uitkering na loonsanctie en beoordeling arbeidsongeschiktheid

In deze zaak heeft de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan over de afwijzing van een aanvraag voor een WIA-uitkering door het UWV. Eiser, werkzaam als frontofficemedewerker bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, had een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering na een periode van arbeidsongeschiktheid. Het UWV had de aanvraag afgewezen op basis van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Eiser was het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de medische situatie van eiser beoordeeld, waarbij de verzekeringsarts van het UWV een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) had opgesteld. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiser niet voldeed aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het UWV de hoorplicht niet heeft geschonden, omdat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt naar voren te brengen tijdens de zitting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bepaalt dat het UWV het griffierecht en proceskosten aan eiser moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: ARN 25/136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. ten Kortenaar),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. O. Yazici).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om met ingang van 30 december 2023 (hierna: datum in geding) in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. Belangrijk punt hierbij is de medische toestand van eiser op de datum in geding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de medische grondslag (het medisch onderzoek en de beoordeling van de belastbaarheid van eiser) en de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit. Onder 8 geeft de rechtbank een oordeel over het achterwege laten van de hoorzitting in bezwaar. Aan het eind, onder 9, staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 12 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van
16 september 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift. Hierbij zijn gevoegd de rapportage van 27 juni 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de rapportage van 9 juli 2025 van de arbeidsdeskundige b&b.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde deelgenomen. Verder is verschenen de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was werkzaam als frontofficemedewerker bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid [1] (hierna: werkgever) voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 22 december 2020 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen. Op 20 september 2022 heeft eiser een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat het UWV een loonsanctie had opgelegd. Daardoor moest de werkgever het loon van eiser doorbetalen tot 31 december 2023. De werkgever heeft de geconstateerde tekortkomingen niet hersteld, zodat de datum einde wachttijd 30 december 2023 (de datum in geding) is.
3.1.
Naar aanleiding hiervan heeft het UWV de aanvraag van eiser alsnog in behandeling genomen. Een verzekeringsarts van het UWV heeft medisch onderzoek verricht en in dat kader een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) (gedateerd 14 december 2023) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft aan de hand van deze FML vastgesteld dat eiser ongeschikt is voor de maatmanfunctie, maar dat hij nog wel andere passende arbeid kan verrichten zodat zijn mate van arbeidsongeschiktheid 25,59% bedraagt. Bij besluit van 12 januari 2024 heeft het UWV geweigerd om eiser met ingang van de datum in geding een WIA-uitkering toe te kennen, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
3.2.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts b&b van het UWV medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft op grond van de resultaten van dat onderzoek aanleiding gezien om de FML aan te passen door op het item 1.8 een beperking toe te voegen en eiser op item 3.6 beperkt te achten (FML van 6 september 2024). Een arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft met inachtneming van de FML van
6 september 2024 de conclusie van de arbeidsdeskundige dat eiser minder dan 35%, namelijk 31,34%, arbeidsongeschikt is gehandhaafd. Hierop heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
3.3.
Het UWV heeft aan het bestreden besluit de rapportage van 6 september 2024 van de verzekeringsarts b&b en de rapportage van 16 september 2024 van de arbeidsdeskundige b&b ten grondslag gelegd.
De medische grondslag van het bestreden besluit
Het medisch onderzoek
4. De verzekeringsarts b&b heeft kennis genomen van het dossier (waaronder het rapport van 15 december 2023 van de verzekeringsarts en de brief van 3 november 2022 van GGZcentraal). Verder heeft de verzekeringsarts b&b de bezwaargronden betrokken bij haar medisch onderzoek. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsarts b&b geen juist beeld had van de (psychische) gezondheidssituatie van eiser. Eiser stelt nog dat de verzekeringsarts b&b zich – zonder eigen onderzoek – conformeert aan het oordeel van de verzekeringsarts. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b volgt dat zij wel eigen medisch onderzoek heeft verricht. Vermeld zijn welke onderzoekshandelingen zij in dat kader heeft uitgevoerd. Het enkele feit dat zij eiser niet meer in persoon heeft gezien en gesproken, wil niet zeggen dat er geen eigen medisch onderzoek meer is verricht. De rechtbank komt tot de conclusie dat er – gezien de inhoud van het beroepschrift van eiser en het verhandelde tijdens de zitting – geen aanleiding is om te oordelen dat de verzekeringsarts b&b aspecten van de gezondheidstoestand van eiser heeft gemist.
Beoordeling van de belastbaarheid
5. De meest verstrekkende beroepsgrond van eiser is dat hij stelt dat hij helemaal niet meer kan werken. Volgens eiser is bij hem sprake van geen benutbare mogelijkheden.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Met de verzekeringsarts b&b is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat eiser per de datum in geding geen benutbare mogelijkheden heeft, als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). [2] Eiser heeft namelijk niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van één van de daarin genoemde situaties. Dat volgt niet uit de door hem overgelegde medische informatie van zijn behandelaar en ook niet uit de door eiser tijdens de zitting gegeven toelichting. Dat zijn behandelaar wel ziet dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft, zoals eiser tijdens de zitting heeft gesteld, is niet aannemelijk geworden, nog los van de omstandigheid dat een beoordeling van de vraag of een betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft tot de deskundigheid van een verzekeringsarts behoort. Dat geldt ook voor de opmerking van de gemachtigde van eiser tijdens de zitting dat hij uit eigen ervaring weet te stellen dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft. Ook algemene informatie over het autismespectrum stoornis (ASS) geeft geen grond voor het oordeel dat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft, omdat deze informatie een algemeen beeld schetst voor een grote groep mensen die aan dezelfde stoornis lijden. Eiser heeft tijdens de zitting tot slot nog naar voren gebracht dat de in het Schattingsbesluit genoemde situaties in zijn geval buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen zeer bijzondere omstandigheden heeft aangedragen die maken dat zijn situatie door de regelgever niet is onderkend en dat artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit in zijn geval buiten toepassing moeten blijven. Het UWV heeft terecht een FML opgesteld.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in het rapport van 6 september 2024 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts b&b heeft hierbij opgemerkt dat bij de verzekeringsarts bekend was dat eiser te kampen heeft met ASS-problematiek. Verder heeft de verzekeringsarts bij zijn (psychisch) onderzoek vastgesteld dat eiser een sombere en vlakke stemming had en moedeloosheid toonde. Op basis van het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zijn beperkingen aangenomen voor de psychische belastbaarheid van eiser, waaronder ook een urenrestrictie. Hierbij is rekening gehouden met verminderde mentale flexibiliteit, verminderde stress-belastbaarheid en verminderde emotionele belastbaarheid door beperkingen vast te stellen ten aanzien van boven normaal verdelen van de aandacht, zich flexibel aanpassen aan sterk wisselende werkomstandigheden, veelvuldige storingen en onderbrekingen, frequente deadlines en productiepieken, eigen gevoelens uiten, conflicthantering, samenwerken, werk met klanten en hulpbehoevenden en leidinggeven. Deze beperkingen passen volgens de verzekeringsarts b&b goed bij de aard van de stoornis die bij eiser is vastgesteld. Het ontbrak alleen aan een beperking ten aanzien van lawaai en werken in een hectische omgeving met veel auditieve prikkels en deze beperkingen heeft de verzekeringsarts b&b toegevoegd aan de FML. De verzekeringsarts b&b ziet daarvoor ook reden in de informatie van GGZcentraal. Volgens de verzekeringsarts b&b zijn geen fysieke beperkingen aangenomen, omdat geen sprake is van fysieke pathologie. Voor wat betreft de urenbeperking, stelt de verzekeringsarts b&b dat de verzekeringsarts rekening heeft gehouden met het belang van een intact bioritme door werken in de nacht en ploegendiensten te beperken. Er is ook rekening gehouden met een licht verminderde energie door aan te geven dat eiser ongeveer acht uur per dag en 40 uur per week arbeid kan verrichten, wat passend is te achten. Wanneer eiser arbeid verricht waarin rekening wordt gehouden met de gestelde beperkingen, dan is er geen medische grond om een verdergaande urenrestrictie aan te nemen, aldus de verzekeringsarts b&b.
6.1.
Eiser stelt dat zijn beperkingen zijn onderschat. Hij wijst in dit verband naar opgestelde criteria door de Stichting Autsider, een belangenorganisatie die als erkende en deskundige bron wordt gezien, en de Hulpgids GGZ, de informatiebron voor professioneel geestelijke gezondheidsmedewerkers. Hieruit volgt volgens eiser dat er blijvende tekorten zijn in de sociale communicatie en interactie. Bij eiser is de gradatie ‘ernstig’ toegekend. Verwezen wordt naar de brief van GGZcentraal van 3 november 2022. Daarnaast heeft eiser nog een brief van zijn behandelaar overgelegd van 20 november 2024.
6.1.1.
Eiser voert verder aan dat de verzekeringsarts heeft aangenomen dat zijn medische situatie en functionele mogelijkheden op lange termijn enigszins zullen toenemen, maar eiser betwist dat. Volgens eiser is de verzekeringsarts (b&b) ook niet deskundig op het gebied van ASS. Ook zijn behandelaar vindt dat hij niet meer aan het werk kan, omdat hij vermoedelijk lange tijd onbewust over zijn grenzen heen zal gaan met alle gevolgen van dien, waarbij een relatie wordt gelegd tussen dit grensoverschrijdende handelen en dat dit dwangmatige gedachten en handelingen veroorzaakt waarop eiser geen grip heeft. Verwachtingen op het gebied van werk zijn voor eiser zeer stressvol en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk zal dat tot spoedige nieuwe uitval leiden, los van een mogelijk verergering van de medische toestand van eiser, doordat klachten veelal niet tijdig worden herkend als gevolg van de stoornis.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat het medisch feitencomplex, namelijk de aandoening waaraan eiser lijdt, niet in geschil is. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe dit medisch feitencomplex in het geval van eiser moet worden vertaald naar de FML. Voorop staat dat het vertalen van objectief vastgestelde medische klachten en belemmeringen een deskundigheid is van een verzekeringsarts (b&b). Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank de door de verzekeringsarts b&b vastgestelde FML van 6 september 2024 niet in twijfel getrokken. Eiser heeft algemene informatie overgelegd over de diagnose ASS, maar die heeft niet specifiek betrekking op eiser. De brieven van
3 november 2022 en van 20 november 2024 geven ook geen nieuwe medische informatie over de (psychische) gezondheidstoestand van eiser, omdat de daarin genoemde diagnose ASS bij de verzekeringsarts b&b bekend was. De brief van 20 november 2024 geeft bovendien opnieuw algemene informatie over de diagnose ASS en kan dus geen afbreuk doen aan de juistheid van de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts b&b, de daaruit getrokken conclusies en de vastgestelde beperkingen in de FML. Bovendien zijn in de FML beperkingen aangenomen voor de belemmeringen waar eiser gezien deze diagnose mee te kampen heeft. Dat deze beperkingen onvoldoende zijn is de rechtbank dan ook niet gebleken
.Dat eiser, zo de behandelaar schrijft, aanpassing en begeleiding nodig heeft wil niet zeggen dat hij geen functionele mogelijkheden heeft om te werken. Dat de verzekeringsarts b&b geen verstand van zaken heeft en er daarom niet uitgegaan kan worden van de door haar vastgestelde FML, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De vraag of de medische situatie van eiser in de toekomst enigszins zal verbeteren kan buiten beschouwing blijven, omdat dat niet relevant is voor de door de rechtbank in dit geding te beoordelen vragen.
6.3.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Eiser moet op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die past bij de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 6 september 2024.
Arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit
7. De arbeidsdeskundige b&b heeft op grond van de door de verzekeringsarts b&b in bezwaar aangescherpte FML de conclusie van de arbeidsdeskundige, dat eiser niet geschikt is voor zijn eigen werk als frontofficemedewerker, omdat deze functie zijn belastbaarheid overschrijdt, gehandhaafd. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige b&b één functie, die door de arbeidsdeskundige was geduid, laten vallen en voor de schatting gebruik gemaakt van één reservefunctie, die eerder door de arbeidsdeskundige was geselecteerd. De tweede reservefunctie is ook komen te vervallen. De navolgende drie functies zijn in het bestreden besluit aan eiser voorgehouden:
- ( sbc-code 267041) assemblagemedewerker elektrotechnische producten;
- ( sbc-code 111180) productiemedewerker industrie (samenstellen producten);
- ( sbc-code 315140) medewerker postverzorging (intern).
7.1.
Eiser stelt dat aan zijn absolute beperkingen onvoldoende aandacht is besteed door de arbeidsdeskundige b&b. Deze heeft namelijk louter aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies geduid die als passend moeten worden aangemerkt. Dit is echter een strikt theoretische benadering wat volgens eiser op geen enkele manier recht doet aan wat de functioneringsbeperkingen van hem zijn.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft gelijk dat het duiden van functies binnen het CBBS een strikt theoretische benadering is. Maar dat is ook de bedoeling geweest van de wetgever. [3] De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de door de arbeidsdeskundige b&b voorgehouden functies (met inachtneming van de voor hem vastgesteld belastbaarheid in de FML van 6 september 2024) voor eiser ongeschikt zijn. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapport (bijlage C) voldoende uitgelegd waarom deze functies geschikt zijn voor eiser. Hij heeft de knelpunten beoordeeld en toegelicht waarom de functies geschikt zijn. Deze toelichtingen zijn voor de rechtbank begrijpelijk. Eiser heeft hiertegen in beroep ook geen argumenten aangevoerd. De rechtbank vindt dan ook dat het UWV voldoende duidelijk heeft onderbouwd, dat eiser in staat moet worden geacht de functies te vervullen.
7.3.
Ook kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn stelling dat sprake is van willekeur, omdat de arbeidsdeskundige b&b de functie medewerker postverzorging intern binnen de sbc-code 315140 heeft verworpen wegens overschrijding van zijn belastbaarheid op het item lawaai, maar tegelijkertijd deze functie weer opnieuw aan eiser heeft voorgehouden. De functie die aan eiser in bezwaar is voorgehouden is de functie medewerker input diensten. Deze valt binnen de sbc-code 315140. De functie die de arbeidsdeskundige b&b heeft voorgehouden betreft de functie distributiemedewerker. Deze functie is door de arbeidsdeskundige b&b als passend beoordeeld. Beide functies vallen in dezelfde sbc-code, wat de verwarring bij eiser kan hebben veroorzaakt, maar zijn inhoudelijk dus wel verschillend. Er is dus ook geen sprake van het overtreden van het verbod van détournement de pouvoir, wat eiser nog naar voren heeft gebracht.
7.4.
De arbeidsdeskundige b&b heeft berekend dat eiser op de datum in geding met de middelste van de drie geduide functies 68,66% kan verdienen van het loon dat hij voorheen verdiende met zijn eigen werk, zodat hij voor de overige 31,34%, en dus minder dan 35%, arbeidsongeschikt is.
Hoorplicht
8. Eiser voert aan dat de hoorplicht is geschonden. De verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b hebben gerapporteerd naar aanleiding van de stukken. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden voordat het bestreden besluit is genomen.
8.1.
Vast staat dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden voordat het UWV het bestreden besluit heeft genomen. Ook staat vast dat het UWV eiser niet heeft gevraagd of hij wilde afzien van een hoorzitting. Sterker nog, in zijn gronden van bezwaar verzoekt eiser daar juist expliciet om. Het UWV had dan ook niet kunnen en mogen afzien van een hoorzitting. [4]
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV dit gebrek in de bezwaarfase niet heeft hersteld. Uit het aanvullend verweerschrift van het UWV van 8 september 2025 en het verhandelde tijdens de zitting volgt dat, toen de medewerker bezwaar erachter kwam dat geen hoorzitting was gehouden, er alsnog een hoorzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2024 waar eiser en zijn partner zijn verschenen. Volgens eiser was dit echter geen hoorzitting, tijdens welke zou zijn gesproken over zijn bezwaarschrift, maar meer een excuusgesprek. Aangezien het UWV geen verslag van deze hoorzitting heeft kunnen overleggen, gaat de rechtbank uit van de lezing van eiser.
8.3.
Anders dan eiser kennelijk veronderstelt maakt voorgaande niet dat dit gebrek (in de voorbereiding van de besluitvorming in bezwaar) in beroep niet is hersteld. Eiser heeft tijdens de zitting zijn zienswijze over de besluitvorming van het UWV gegeven. Op de vraag van de rechtbank of eiser daarmee alles heeft gezegd wat hij wilde zeggen heeft hij positief geantwoord. Ook heeft eiser op de vraag van de rechtbank geantwoord dat hij bij het UWV niet nog iets anders had willen zeggen dan hij niet al tijdens de zitting heeft gedaan. Het standpunt van eiser dat, omdat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, het bestreden besluit sowieso vernietigd dient te worden, zodat de besluitvorming opnieuw kan plaatsvinden, volgt de rechtbank dus niet. Niet wordt ingezien dat eiser door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Dit laatste heeft eiser ook niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het UWV terecht heeft geweigerd om hem met ingang van de datum in geding een WIA-uitkering te verstrekken.
9.1.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiser het griffierecht moet terugbetalen. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen. Verder is niet gebleken dat er kosten zijn gemaakt die vergoed kunnen worden

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser vergoedt;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Tewerkgesteld bij de rechtbank Midden-Nederland.
2.Benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan
3.Vergelijk artikel 5 en artikel 6 van de Wet WIA en artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
4.Vergelijk artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht.