Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3178

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12143251
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WfwArt. 2a lid 1 sub a WfwArt. 2 lid 3 WfwArt. 2 lid 5 WfwArt. 2 lid 11 Wfw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek aanpassing werktijden wegens zorg voor jonge kinderen

De werknemer, werkzaam als magazijnmedewerker bij een autobedrijf, verzoekt op grond van de Wet flexibel werken (Wfw) om aanpassing van zijn werktijden vanwege de zorg voor zijn twee jonge kinderen en de omgangsregeling met de moeder. De werkgever weigert dit verzoek met het argument dat de starttijd van 06:00 uur essentieel is voor de bedrijfsvoering en dat aanpassing leidt tot organisatorische problemen.

De kantonrechter oordeelt dat het verzoek van de werknemer ontvankelijk is en dat hij niet aan de eis van een termijn van twee maanden voorafgaand aan de gewenste wijziging hoefde te voldoen vanwege de leeftijd van zijn kinderen. De cao en het arbeidsrecht bieden geen grond voor afwijzing van het verzoek op basis van arbeidsduur. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat het belang van de werknemer om voor zijn kinderen te zorgen zwaarder weegt dan de door de werkgever aangevoerde zwaarwegende bedrijfsbelangen.

De kantonrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt de werkgever om binnen 48 uur mee te werken aan de aanpassing van de werktijden conform het verzoek, met een dwangsom bij niet-naleving. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst het verzoek tot aanpassing van werktijden toe en veroordeelt de werkgever tot medewerking binnen 48 uur.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12143251 \ VV EXPL 26-37
Vonnis in kort geding van 23 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. J.C. Bender,
tegen
[naam bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [naam bedrijf] ,
gemachtigden mr. M. den Dekker en mr. J. Eerbeek.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 maart 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de producties B1 tot en met B21 van [naam bedrijf]
1.2.
De mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de gemachtigde van [naam bedrijf] een pleitnotitie heeft overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[naam bedrijf] beschikt over verschillende vestigingen, waaronder 14 autobedrijven, 15 schadebedrijven en een centraal magazijn. Op het centraal magazijn komen alle auto-onderdelen en accessoires binnen van de leveranciers van [naam bedrijf] die bestemd zijn voor de andere vestigingen van [naam bedrijf] .
2.2.
[de eiser] treedt op 1 mei 2017 in dienst bij [naam bedrijf] in eerste instantie in de functie van orderpicker en thans in de functie magazijn medewerker centraal magazijn. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het motorvoertuigenbedrijf en tweewielerbedrijf (hierna: cao) van toepassing.
2.3.
[de eiser] zit vanaf medio 2024 in een moeilijke privésituatie. Hij heeft twee kinderen van vier en zes jaar oud. [de eiser] en de moeder van zijn kinderen zijn uit elkaar en hebben een omgangsregeling op grond waarvan [de eiser] in de even weken de zorg over de kinderen op zich neemt.
2.4.
[de eiser] meldt zich op 6 juni 2024 ziek.
2.5.
De bedrijfsarts oordeelt op 20 november 2025 in overleg met de verzuimconsultant dat [de eiser] een start kan maken met zijn re-integratie.
2.6.
Op 21 november 2025 stuurt [de eiser] een e-mailbericht naar [naam bedrijf] , waarin hij een verzoek doet tot aanpassing van zijn werktijden als bedoeld in de Wet flexibel werken (hierna: Wfw). In het verzoek vraagt hij om in de oneven weken van maandag tot en met vrijdag van 6:00 tot 16.30 uur (9,5 uur per dag en in totaal 47,50 uur) en in de even weken op dinsdag, woensdag en donderdag van 9.00 tot 16.00 uur en vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur (in totaal 28,50 uur) te mogen gaan werken. In het e-mailbericht staat vervolgens nog onder meer het volgende:
“hierbij een conceptvoorstel voor het nieuwe werkschema. Dit is gebaseerd op een totaal van 152 uur per maand (…) In eerdere afspraken is er afgesproken dat maandag een standaard vrije dag is. Deze is nu verminderd (...) Naar twee vrije maandagen per maand. In de even weken heb ik de kinderen en vandaar dat de even weken iets andere rooster betreft zodat het haalbaar is met schooltijden en BSO-tijden. (...) Ik hoor graag of dit voorstel akkoord is en ik sta open om dit voorstel te bespreken mocht jullie kijk hierop anders zijn.”
2.7.
In reactie hierop stuurt de heer [manager] (hierna: [manager] ), after salesmanager bij [naam bedrijf] , op 25 november 2025 een e-mailbericht naar [de eiser] met daarin het volgende:
“In het conceptvoorstel geef je aan in de oneven weken 47,50 uur te gaan werken, dat lijkt ons in jouw geval niet verstandig aangezien je terugkomt van een heftige periode. In onze visie is het overigens voor elke werknemer niet verstandig om continu deze uren te maken aangezien dat de kans van uitval vergroot.
De even weken is in het bedrijf belang helaas ook geen optie. In jouw functie is de start om 06.00 het belangrijkste moment aangezien dan de drukste periode begint!
Als jij dan niet meer aanwezig bent zouden collega’s eerder moeten beginnen en worden zij belast met extra werkzaamheden.
Ook heb je in de even weken geen rekening gehouden met de verplichte pauze van een half uur wat betekent dat je 2 uur tekort komt.”
2.8.
In reactie hierop stuurt [de eiser] op 2 februari 2026 een e-mailbericht naar [manager] met daarin onder meer het volgende:
“Bij deze nogmaals het verzoek om in gesprek te gaan op mijn verzoek om mijn werk uren te wijzigen.
Ook heb ik een schriftelijke onderbouwing nodig waarom wijziging van mijn uren een zwaarwegend bedrijfsbelang is ik moet dit aanleveren.
Mocht hier nog steeds niks uitkomen dan graag actie ondernemen wat passend is, indien ik nu al een paar maanden dit probeer op te lossen en vanuit jullie kant niks komt.”
2.9.
Op 13 februari 2026 stuurt de gemachtigde van [de eiser] een brief naar [naam bedrijf] met daarin onder meer het volgende:
“Evenmin werden er gezamenlijk gedragen afspraken gemaakt ten aanzien van de re-integratie. Wel werd cliënt opgedragen om op eenzijdig door [naam bedrijf] vastgestelde tijden op het werk komen voor de re-integratie. Zo werd op 29 januari 2026 kenbaar gemaakt dat van cliënt verwacht werd dat hij vanaf 3 februari 08.00 uur op het werk zou verschijnen voor zijn re-integratie. Hij zou van 08.00 uur-10.00 uur moeten werken. Vanaf dinsdag 17 februari 2026 zou cliënt zijn uren uit moeten breiden van 08.00 uur tot 12.00 uur en vanaf 2 maart 2026 zou cliënt om 06.00 uur moeten starten. (…) Cliënt heeft diezelfde dag nog kenbaar gemaakt dat hij (in de even weken) niet om 06.00 uur (en ook niet om 08.00 uur) kan starten vanwege zijn kinderen. Hij heeft vanaf november 2025 aangedrongen op overleg over de situatie om tot een passende oplossing te komen, maar dit heeft enkel tot een afwijzing geleid.
Op 5 februari 2026 heeft de POB van de bedrijfsarts vastgesteld dat sprake was van een toename van energetische beperkingen vanwege de dagen en uren waarop zijn re-integratiewerkzaamheden door [naam bedrijf] worden ingepland. (…) Cliënt heeft [naam bedrijf] echter reeds vanaf november jl. herhaaldelijk te kennen gegeven dat hij vanwege co-ouderschap in de even weken de zorgdraagt voor zijn twee jonge kinderen en een starttijd vóór 09.00 uur in die weken niet mogelijk is voor hem en hij graag in overleg gaat over een passende oplossing. (…) Voor cliënt is bovendien onduidelijk waarom [naam bedrijf] persé wenst dat cliënt om 08.00 uur start. Gezien de werkzaamheden die hij opgedragen krijgt en sprake is van een opbouwfase in de re-integratie, is een start om 09.00 uur net zo goed mogelijk. Cliënt krijgt hier echter de indruk dat [naam bedrijf] gewoonweg niet mee wil denken om zo aan te sturen op een botsing tussen haar en cliënt. Die indruk krijgt hij bijvoorbeeld doordat, toen cliënt de starttijden (opnieuw) bespreekbaar wenste te maken, werd aangegeven dat als cliënt niet zou verschijnen om 08.00 uur, sprake was van werkweigering en hij op staande voet zou worden ontslagen. (…) Daarnaast doet cliënt nogmaals (dat deed hij al in november 2025) formeel een verzoek op grond van de Wet flexibel werken tot aanpassing van zijn werktijden. (…) Ik wijs u erop dat uit de Wet flexibel werken volgt dat een verzoek tot aanpassing van werktijden moet worden ingewilligd, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten. Uit de jurisprudentie volgt dat dit alleen mag bij ernstige problemen van aanzienlijk gewicht. Hiervan is cliënt tot heden niet gebleken.”
2.10.
In reactie op voormelde brief stuurt mevrouw [hr adviseur] (hierna: [hr adviseur] ), HR adviseur [naam bedrijf] , op 26 februari 2026 een e-mailbericht naar de gemachtigde van [de eiser] met daarin onder meer het volgende:
“Allereerst willen we duidelijk maken dat er geen sprake is van een eenzijdige wijziging van de werktijden. De starttijd van 06:00 uur is sinds de indiensttreding van de heer [de eiser] in zijn functie als Magazijn Medewerker Centraal Magazijn altijd het vaste tijdstip. Dit is een objectieve vereiste voor de functie, omdat de meeste orders in de vroege ochtenduren voorbereid moeten worden. We hebben de heer [de eiser] meerdere keren geïnformeerd over het belang van deze werktijd en waarom deze nodig is voor de bedrijfsvoering. Het verzoek om de werktijden aan te passen kunnen we dan ook niet inwilligen, aangezien de starttijd essentieel is voor de continuïteit van de werkzaamheden. (…) Wat betreft het verzoek van de heer [de eiser] om zijn werktijden aan te passen op basis van de
Wet flexibel werken, willen wij duidelijk stellen dat wij dit verzoek moeten afwijzen. De Wet flexibel werken verplicht de werkgever om een verzoek tot wijziging van werktijden in beginsel in te willigen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich verzetten. In dit geval is er sprake van een zwaarwegend bedrijfsbelang, namelijk de noodzakelijke starttijd van 06:00 uur voor de functie van Magazijn Medewerker Centraal Magazijn. Dit tijdstip is essentieel voor de opstart van de productie en het voorbereiden van de orders in de vroege uren, wat de efficiëntie van de gehele werkdag bevordert. De wijzigingen in de werktijden van de heer [de eiser] zouden de bedrijfsvoering verstoren en negatieve gevolgen hebben voor de andere medewerkers en de productie.
Volgens de jurisprudentie over de Wet flexibel werken kan een verzoek om werktijden te wijzigen alleen worden ingewilligd als er geen sprake is van substantiële bedrijfsbelangen die zich verzetten tegen de wijziging. Aangezien de starttijd om 06:00 uur een vereiste is voor de functie van de heer [de eiser] en de bedrijfsvoering, kunnen wij niet afwijken van deze tijden. De operationele noodzaak om de werkdag vroeg te beginnen, rechtvaardigt onze afwijzing van zijn verzoek.”
2.11.
In reactie hierop stuurt de gemachtigde van [de eiser] op 3 maart 2026 een brief naar [hr adviseur] met daarin onder meer het volgende:
“U stelt zich op het standpunt dat een starttijd van 06.00 uur een objectieve en essentiële functie-eis is en dat afwijken daarvan zou leiden tot verstoring van de bedrijfsvoering. Dit standpunt houdt juridisch geen stand.
Allereerst is van belang dat binnen het magazijnteam reeds wordt afgeweken van vaste starttijden en dat organisatorische flexibiliteit dus feitelijk aanwezig is. Niet elke werknemer start om 6:00 uur (het gaat hier concreet om mevrouw [werknemer 1] en de heer [werknemer 2] ). Daarnaast heeft cliënt sinds zijn uitval in juni 2024 niet structureel om 06.00 uur gewerkt, zonder dat is gebleken dat hierdoor onoverkomelijke problemen zijn ontstaan. Als dit kennelijk goed te organiseren is tijdens de re-integratie, moet dit noodzakelijk ook structureel te organiseren zijn.
De stelling dat de bedrijfsvoering ernstig zou worden verstoord door een latere starttijd van client in de even weken stuit daarop af. Niet valt in te zien dat tijdens zijn periode van uitval en tijdens de re-integratie wél maar daarna niet kan worden afgeweken van die starttijd van 6:00 uur. Uw argument ter zake wordt ook niet gestaafd met sluitende argumenten.
Uw verwijzing naar vermeende extra belasting van collega’s en algemene organisatorische bezwaren blijft steken in abstracties. U maakt niet inzichtelijk waarom de door cliënt voorgestelde werktijdindeling zou leiden tot ernstige roostertechnische, organisatorische of financiële problemen als bedoeld in artikel 2 lid 11 Wfw Pro. Daarmee voldoet uw afwijzing niet aan de wettelijke motiveringseisen. (…) Cliënt heeft bovendien een zwaarwegend en objectief belang bij zijn verzoek. In de even weken draagt hij als co-ouder zelfstandig de zorg voor zijn twee jonge kinderen. Een starttijd vóór 09.00 uur is in die weken feitelijk onmogelijk. De Wfw beoogt juist werknemers in staat te stellen arbeid en zorgtaken te combineren. Het belang van cliënt valt dan ook rechtstreeks binnen de beschermingsgedachte van de wet.”

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, bij wijze van voorlopige voorziening en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [naam bedrijf] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip, mee te werken aan de aanpassing van de werktijden van [de eiser] , zulks overeenkomstig het door [de eiser] op grond van artikel 2 Wfw Pro gedane verzoek, inhoudende dat de werktijden van [de eiser] worden gewijzigd conform het door [de eiser] gedane verzoek;
II. bepaalt dat [naam bedrijf] gehouden is deze aangepaste werktijden te dulden en te respecteren, zonder [de eiser] ter zake nadelig te behandelen of te benadelen;
III. aan het onder I en II gevorderde een dwangsom te verbinden van € 500,00 per dag of een deel daarvan dat [naam bedrijf] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen maximum;
IV. [naam bedrijf] veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.2.
[de eiser] baseert zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende stellingen.
Volgens [de eiser] is [naam bedrijf] op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 5 Wfw Pro gehouden een verzoek tot aanpassing van de werktijd in te willigen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Daar is volgens [de eiser] geen sprake van. [de eiser] wijst er daarbij op dat van de in totaal elf personen, die werkzaam zijn als magazijnmedewerker centraal magazijn, er zeven op regelmatige basis later beginnen dan om 06.00 uur. Ook zijn er slechts twee of drie medewerkers nodig die om 06.00 uur starten. Immers, deze medewerkers zetten alleen de vracht klaar die vervolgens door een drietal chauffeurs om 06.45 uur worden ingeladen om deze vervolgens naar de andere vestiging van [naam bedrijf] te brengen. Volgens [de eiser] is het niet noodzakelijk dat hij ook in de even weken om 06.00 uur moet beginnen. Dit volgt volgens hem ook uit het feit dat hij 19 maanden afwezig is geweest in verband met ziekte en dat hij tijdens zijn re-integratie ook niet om 6:00 uur is gestart met werken.
3.3.
[naam bedrijf] voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van [de eiser] . Daarbij heeft verder te gelden dat, mede gelet op de uitlatingen van [naam bedrijf] omtrent de re-integratie en zijn opbouwschema, de vordering tot wijziging van zijn werktijden, mede gelet op de omgangsregeling met zijn jonge kinderen, naar zijn aard een spoedeisend karakter draagt. [de eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
4.2.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de vordering van [de eiser] tot aanpassing van de werktijden in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
Toetsingskader
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 2 Wfw Pro – kort gezegd – is bepaald dat de werknemer de werkgever kan verzoeken om aanpassing van de arbeidsduur, arbeidsplaats of werktijd. In lid 5 van voormeld artikel is bepaald dat de werkgever het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of werktijd inwilligt, voor zover het betreft het tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. In lid 11 van voormeld artikel is vervolgens aangegeven wanneer sprake is van zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang. Daarvan is sprake indien de aanpassing leidt tot ernstige problemen op het gebied van veiligheid, roostertechnische aard of van financiële of organisatorische aard.
Procedurele vereisten
4.4.
De kantonrechter dient, gelet op het primaire verweer van [naam bedrijf] , allereerst te beoordelen of [de eiser] voldaan heeft aan de procedurele vereisten bij het indienen van het verzoek.
4.5.
[naam bedrijf] heeft aangevoerd dat [de eiser] niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 2 lid 3 Wfw Pro door het verzoek niet ten minste twee maanden voor het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing in te dienen, en dat de vordering van [de eiser] op die grond moet worden afgewezen.
De kantonrechter volgt [naam bedrijf] vooralsnog niet in haar primaire verweer en licht dit als volgt toe. [de eiser] heeft in zijn eerste conceptvoorstel (r.ov. 2.6) gevraagd om aanpassing van de werktijd en de spreiding daarvan in de even en oneven weken. In zijn verzoek heeft hij aangegeven dat hij openstaat om dit voorstel te bespreken, indien de kijk van [naam bedrijf] anders zou zijn. Daarmee is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter duidelijk dat [de eiser] ook voor de ingangsdatum van de wijzigingen afstemming wilde met [naam bedrijf] . Dit geldt, mede gelet op de nadien gevoerde correspondentie (r.ov. 2.7 tot en met 2.11) tussen (de gemachtigde van) [de eiser] en [naam bedrijf] , ook voor de gewenste spreiding van de werktijd. Dit klemt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter te meer daar [de eiser] aan het re-integreren is en daarom ook een en ander wilde afstemmen met [naam bedrijf] . Dat [naam bedrijf] het verzoek heeft opgevat als een verzoek in de zin van het bepaalde in artikel 2 lid 3 Wfw Pro volgt ook uit haar reactie. Voor zover [naam bedrijf] heeft willen betogen dat [de eiser] een nieuw verzoek zou hebben ingediend en [de eiser] gelet op het bepaalde in artikel 2 lid 3 Wfw Pro een jaar moest wachten voordat hij een nieuw verzoek kon indienen, gaat de kantonrechter ook aan dit standpunt voorbij. Immers, uit het bepaalde in artikel 2a lid 1 sub a Wfw volgt dat de laatste zin van artikel 2 lid 3 niet Pro van toepassing is op een verzoek tot aanpassing van de werktijd van een werknemer die ouder is van een kind in de leeftijd tot acht jaar. [de eiser] hoeft, nu hij twee kinderen heeft van onder de acht jaar en zijn verzoek ook betrekking heeft om voor deze twee jonge kinderen te zorgen, derhalve geen jaar te wachten om een nieuw verzoek in te dienen. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het primaire verweer van [naam bedrijf] .
Verzoek volledig en voldoet aan de cao
4.6.
De kantonrechter komt vervolgens toe aan het (meer) subsidiaire verweer van [naam bedrijf] dat het verzoek niet volledig is. Volgens [naam bedrijf] ziet het verzoek van [de eiser] om aanpassing van de arbeidsduur en is het verzoek om die reden onvolledig.
De kantonrechter volgt [naam bedrijf] niet in haar verweer. Voor de kantonrechter is het, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onduidelijk hoe het verzoek van [de eiser] mede getypeerd moet worden als aanpassing van de arbeidsduur. Uit artikel 23 van Pro de cao volgt immers dat de normale arbeidsduur gemiddeld 38 uur per week bedraagt en dat deze wordt berekend over een periode van maximaal een jaar. Door [naam bedrijf] is niet (gemotiveerd) weersproken dat bij de door [de eiser] voorgestelde aanpassing van zijn werktijden in de even en oneven weken hij gemiddeld 38 uur per week gaat werken. Van een aanpassing van de arbeidsduur is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, mede gelet op de cao en het bepaalde in artikel 7:610b BW, dan ook geen sprake. Ook volgt uit de cao, in tegenstelling tot wat [naam bedrijf] betoogd heeft, niet dat daarin een afwijkende regeling is afgesproken voor wat betreft artikel 2 Wfw Pro. Immers, in artikel 23 lid 5 van Pro de cao is enkel bepaald dat de werkgever het dienstrooster vaststelt en dat de werkgever, als de werknemer daarom vraagt, het werkrooster vaststelt na overleg met de werknemer. Voorts is daarbij aangegeven dat hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer rekening moet worden gehouden. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter volgt daaruit niet dat is afgeweken van de wettelijke regeling. Daarbij merkt de kantonrechter op dat alleen ten aanzien van het recht van vermeerdering van de arbeidsduur bij cao kan worden afgeweken. Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, geen sprake is van een vermeerdering van de arbeidsduur kan er derhalve niet bij cao worden afgeweken. Dit betekent dat het verzoek van [de eiser] moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 2 Wfw Pro. De kantonrechter gaat daarom ook aan het (meer) subsidiaire verweer van [naam bedrijf] voorbij.
Belangenafweging
4.7.
Vervolgens ligt de vraag voor of het verzoek van [de eiser] om zijn werktijden aan passen voor toewijzing in aanmerking komt. Op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 5 Wfw Pro willigt de werkgever het verzoek van de werknemer om aanpassing van de werktijd in, voor zover het betreft tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
4.8.
Nu, zoals hiervoor reeds is overwogen, het verzoek van [de eiser] enkel betrekking heeft op de aanpassing van de werktijd, dient, voor de beantwoording van de vraag of er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn, enkel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 2 lid 11 Wfw Pro. Dit betekent dat [naam bedrijf] het verzoek van [de eiser] om de werktijden aan te passen toestaat, tenzij [naam bedrijf] een zodanig belang heeft dat de wens van [de eiser] daarvoor moet wijken. In lid 11 van voormeld artikel is vervolgens bepaald dat in ieder geval sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, indien de aanpassing leidt tot ernstige problemen: a) op het gebied van veiligheid, b) van roostertechnische aard, of c) financiële of organisatorische aard. Er dient thans derhalve op basis van alle relevante omstandigheden van het geval een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van [de eiser] bij aanpassing van de werktijden en de belangen van [naam bedrijf] tegen aanpassing daarvan.
4.9.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weegt het gestelde belang van [de eiser] om in de even weken van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur en in de oneven weken in overleg met [naam bedrijf] van 06.00 tot 16.30 uur tot maximaal 43,5 uur te werken zwaarder dan het belang van [naam bedrijf] . Daarvoor is het volgende redengevend.
4.10.
In het centraal magazijn werken 11 werknemers. Twee daarvan zijn, blijkens het door [naam bedrijf] overlegde overzicht, chauffeur. De overige negen werknemers, waaronder [de eiser] , hebben allemaal de functie ‘Magazijn Medewerker Centraal Magazijn’. In haar eigen overzicht maakt [naam bedrijf] binnen deze groep onderscheid in functie, namelijk orderpicker en partsmedewerker. De kantonrechter volgt [naam bedrijf] niet in dit onderscheid. Tijdens de mondelinge behandeling is door [naam bedrijf] verklaard dat [de eiser] (ook) taken uitvoert die horen bij de taak van partsmedewerker. Dat hij daarnaast ook werkzaamheden als orderpicker uitvoert, doet daar niet af.
Dit betekent dat, in tegenstelling tot wat [naam bedrijf] heeft betoogd, de vergelijking met de starttijden van alle andere medewerkers wel relevant is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het niet duidelijk waarom [de eiser] om 6.00 uur zou moeten beginnen en de andere medewerkers in het centraal magazijn op verschillende latere tijdstippen mogen beginnen. Immers, het is niet duidelijk dat en waarom deze andere medewerkers de werkzaamheden, die [de eiser] om 6.00 uur zou moeten verrichten, in de even weken niet vanaf 6.00 uur kunnen uitvoeren.
[naam bedrijf] heeft vervolgens aangevoerd dat de werkdruk van collega’s van [de eiser] enorm is. Onweersproken is echter dat er een collega overleden is, collega’s andere functies hebben gekregen en dat er bij [naam bedrijf] meer vestigingen bij zijn gekomen. Vast staat echter ook dat er geen (extra) medewerkers bij zijn gekomen bij het centraal magazijn. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling volgt dat het management van [naam bedrijf] daar ook meerdere malen op gewezen is, maar dat zij daar kennelijk onvoldoende oog voor heeft gehad.
Daarnaast heeft [naam bedrijf] erop gewezen dat zij al voor langere tijd een uitzendkracht heeft moeten inhuren en daardoor meer geld kwijt is. Dit lijkt echter het gevolg te zijn van structureel personeelstekort en kan, anders dan [naam bedrijf] suggereert, niet 1-op-1 gekoppeld worden aan het verzoek tot wijziging van de arbeidstijden door [de eiser] . Hierbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat deze uitzendkracht al door [naam bedrijf] is ingehuurd, voordat [de eiser] is begonnen met zijn re-integratie.
Ook de overige punten die [naam bedrijf] heeft aangevoerd, te weten de controle op de transportschade, actuele voorraad, spoedleveringen en klanttevredenheid, zijn onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is geworden waarom deze belangen maken dat de werktijden van [de eiser] in de even weken niet gewijzigd kunnen worden.
Bij het voorgaande betrekt de kantonrechter ook dat [de eiser] sinds juli 2024 is uitgevallen wegens ziekte en in november 2025 is gestart met re-integratie. Tijdens zijn periode van afwezigheid is zijn werk ook door collega’s uitgevoerd.
Ten slotte is het verzoek van [de eiser] , in tegenstelling tot wat [naam bedrijf] heeft betoogd, niet in strijd met het handboek of de cao. Immers, vast staat dat [de eiser] , gelet op zijn verzoek, (in de oneven weken) niet meer dan 43,50 uur in de week zal werken. Hiermee blijft hij, gelet op het bepaalde in artikel 22 e.v. van de cao, binnen het dagvenster en de maximaal toegestane uren. [naam bedrijf] is ook niet gehouden om voor die uren een hogere vergoeding te voldoen. Ook dit volgt uit de cao.
Het belang van [de eiser] , om voor zijn minderjarige kinderen te kunnen zorgen, is evident en dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – gelet op al het voorgaande – dan ook zwaarder te wegen. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat [de eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg voor zijn minderjarige kinderen niet op een andere manier (in)geregeld kan worden. Immers, door [naam bedrijf] is niet (voldoende) gemotiveerd weersproken dat [de eiser] zijn kinderen niet voor acht uur ’s ochtends naar de buitenschoolse opvang kan brengen, laat staan voor zes uur ’s ochtends.
4.11.
De conclusie is dan ook dat de vordering van [de eiser] onder I moet worden toegewezen, waarbij de kantonrechter nog opmerkt dat partijen nog in overleg kunnen treden voor het eventueel gedeeltelijk doorwerken tijdens de pauzes. Gelet op de weigerachtige houding van [naam bedrijf] ziet de kantonrechter aanleiding om het onder II gevorderde toe te wijzen. De onder III gevorderde (en niet weersproken) dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.12.
[naam bedrijf] heeft uiterst subsidiair verzocht om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat tenuitvoerlegging bij voorraad zou leiden tot een voor haar onomkeerbare situatie en het haar belangen onevenredig schaadt.
4.13.
Het belang van [de eiser] om voor zijn minderjarige kinderen te kunnen zorgen in de even weken weegt zwaarder dan het belang van [naam bedrijf] om de bestaande situatie te handhaven. Dit geldt te meer daar [naam bedrijf] al sinds 21 november 2025 op de hoogte is dat [de eiser] zijn werktijden wil aanpassen en [naam bedrijf] bovendien geen maatregelen heeft getroffen om een en ander op te vangen. Daarbij neemt de kantonrechter voorts nog in overweging dat [naam bedrijf] er zelf voor heeft gekozen om [de eiser] tijdens zijn re-integratie al om 08.00 uur in te zetten, waarbij [naam bedrijf] al aangegeven heeft dat zij [de eiser] bij verdere opbouw tijdens re-integratie ook om 06.00 uur zal gaan inplannen. Het vonnis zal derhalve, als gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Proceskosten
4.14.
[naam bedrijf] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,76
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.257,76

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [naam bedrijf] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de aanpassing van de werktijden van [de eiser] overeenkomstig het door [de eiser] op grond van het bepaalde in artikel 2 Wfw Pro gedane verzoek, inhoudende dat de werktijden van [de eiser] worden gewijzigd in die zin dat in de even weken van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur en in de oneven weken van maandag tot en met vrijdag van 6.00 tot 16.30 uur (in overleg met [naam bedrijf] tot een maximum van 43,50 uur) wordt gewerkt,
5.2.
bepaalt dat [naam bedrijf] gehouden is deze aangepaste werktijden te dulden en te respecteren zonder [de eiser] nadelig te behandelen of te benadelen,
5.3.
veroordeelt [naam bedrijf] om aan [de eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder rechtsoverweging 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt [naam bedrijf] in de proceskosten van € 1.257,76, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [naam bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
608701\415