In het centraal magazijn werken 11 werknemers. Twee daarvan zijn, blijkens het door [naam bedrijf] overlegde overzicht, chauffeur. De overige negen werknemers, waaronder [de eiser] , hebben allemaal de functie ‘Magazijn Medewerker Centraal Magazijn’. In haar eigen overzicht maakt [naam bedrijf] binnen deze groep onderscheid in functie, namelijk orderpicker en partsmedewerker. De kantonrechter volgt [naam bedrijf] niet in dit onderscheid. Tijdens de mondelinge behandeling is door [naam bedrijf] verklaard dat [de eiser] (ook) taken uitvoert die horen bij de taak van partsmedewerker. Dat hij daarnaast ook werkzaamheden als orderpicker uitvoert, doet daar niet af.
Dit betekent dat, in tegenstelling tot wat [naam bedrijf] heeft betoogd, de vergelijking met de starttijden van alle andere medewerkers wel relevant is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het niet duidelijk waarom [de eiser] om 6.00 uur zou moeten beginnen en de andere medewerkers in het centraal magazijn op verschillende latere tijdstippen mogen beginnen. Immers, het is niet duidelijk dat en waarom deze andere medewerkers de werkzaamheden, die [de eiser] om 6.00 uur zou moeten verrichten, in de even weken niet vanaf 6.00 uur kunnen uitvoeren.
[naam bedrijf] heeft vervolgens aangevoerd dat de werkdruk van collega’s van [de eiser] enorm is. Onweersproken is echter dat er een collega overleden is, collega’s andere functies hebben gekregen en dat er bij [naam bedrijf] meer vestigingen bij zijn gekomen. Vast staat echter ook dat er geen (extra) medewerkers bij zijn gekomen bij het centraal magazijn. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling volgt dat het management van [naam bedrijf] daar ook meerdere malen op gewezen is, maar dat zij daar kennelijk onvoldoende oog voor heeft gehad.
Daarnaast heeft [naam bedrijf] erop gewezen dat zij al voor langere tijd een uitzendkracht heeft moeten inhuren en daardoor meer geld kwijt is. Dit lijkt echter het gevolg te zijn van structureel personeelstekort en kan, anders dan [naam bedrijf] suggereert, niet 1-op-1 gekoppeld worden aan het verzoek tot wijziging van de arbeidstijden door [de eiser] . Hierbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat deze uitzendkracht al door [naam bedrijf] is ingehuurd, voordat [de eiser] is begonnen met zijn re-integratie.
Ook de overige punten die [naam bedrijf] heeft aangevoerd, te weten de controle op de transportschade, actuele voorraad, spoedleveringen en klanttevredenheid, zijn onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is geworden waarom deze belangen maken dat de werktijden van [de eiser] in de even weken niet gewijzigd kunnen worden.
Bij het voorgaande betrekt de kantonrechter ook dat [de eiser] sinds juli 2024 is uitgevallen wegens ziekte en in november 2025 is gestart met re-integratie. Tijdens zijn periode van afwezigheid is zijn werk ook door collega’s uitgevoerd.
Ten slotte is het verzoek van [de eiser] , in tegenstelling tot wat [naam bedrijf] heeft betoogd, niet in strijd met het handboek of de cao. Immers, vast staat dat [de eiser] , gelet op zijn verzoek, (in de oneven weken) niet meer dan 43,50 uur in de week zal werken. Hiermee blijft hij, gelet op het bepaalde in artikel 22 e.v. van de cao, binnen het dagvenster en de maximaal toegestane uren. [naam bedrijf] is ook niet gehouden om voor die uren een hogere vergoeding te voldoen. Ook dit volgt uit de cao.
Het belang van [de eiser] , om voor zijn minderjarige kinderen te kunnen zorgen, is evident en dient naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter – gelet op al het voorgaande – dan ook zwaarder te wegen. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat [de eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg voor zijn minderjarige kinderen niet op een andere manier (in)geregeld kan worden. Immers, door [naam bedrijf] is niet (voldoende) gemotiveerd weersproken dat [de eiser] zijn kinderen niet voor acht uur ’s ochtends naar de buitenschoolse opvang kan brengen, laat staan voor zes uur ’s ochtends.