ECLI:NL:RBGEL:2026:3194

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
11997568
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • A.J. Weerkamp - Beens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BWArt. 6:119 BWVerordening (EG) nr. 861/2007Verordening (EU) nr. 1215/2012Verordening (EG) Nr. 593/2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom na beëindiging huurovereenkomst

Verzoekster huurde van november 2019 tot juli 2025 een woning van verweerder en betaalde een waarborgsom van €850. Na beëindiging van de huurovereenkomst eiste zij de terugbetaling van deze waarborgsom. Verweerder stelde dat de woning niet schoon was opgeleverd en hield daarom de waarborgsom in.

De kantonrechter oordeelde dat verweerder niet aan zijn stelplicht had voldaan om te bewijzen dat schoonmaakkosten gemaakt moesten worden. Hierdoor ontbrak een grondslag voor het inhouden van de waarborgsom. Ook de stelling dat de woning op naam van een B.V. stond, leidde niet tot een andere uitkomst omdat de huurovereenkomst met verweerder was aangegaan.

De kantonrechter veroordeelde verweerder tot terugbetaling van de waarborgsom plus wettelijke rente vanaf veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst. De gevorderde kosten voor het afdrukken van stukken werden afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €298,00. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de waarborgsom van €850 met wettelijke rente en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 11997568 \ CV EXPL 25-3434
Beschikking van 10 april 2026
in de zaak van
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [de verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
[naam verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [de verweerder] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vorderingsformulier A van bijlage I van Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen en het daarbij gevoegde stuk, met bijlagen, ontvangen op 5 december 2025
- de reactie daarop van [de verweerder] , ontvangen op 26 januari 2026.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek en het verweer

2.1.
[de verzoeker] verzoekt in het vorderingsformulier betaling door [de verweerder] van een bedrag van € 850,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2025 tot de dag van algehele betaling, met veroordeling van [de verweerder] in de proceskosten. Daarnaast verzoekt zij om betaling door [de verweerder] van de kosten voor het afdrukken van haar stukken.
2.2.
Aan het verzoek heeft [de verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft in de periode van 15 november 2019 tot en met 22 juli 2025 een woning van [de verweerder] gehuurd. Bij aanvang van de huur heeft zij een waarborgsom van € 850,00 aan [de verweerder] betaald, hoewel de verplichting tot betaling daarvan niet in de huurovereenkomst staat. Na beëindiging van de huurovereenkomst heeft [de verzoeker] naar haar zeggen de woning in nette, schone en verbeterde staat aan [de verweerder] opgeleverd. [de verweerder] is daarom gehouden tot terugbetaling van de waarborgsom.
2.3.
[de verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe in de kern aan, naar de kantonrechter begrijpt, dat hij de waarborgsom niet aan [de verzoeker] heeft gerestitueerd, omdat zij de woning niet schoon zou hebben opgeleverd.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

3.De beoordeling

Toepassingsbereik
3.1.
De Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de EPGV) is – zakelijk weergegeven – van toepassing in grensoverschrijdende gevallen in burgerlijke en handelszaken indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 5.000,00, behoudens de in artikel 2 van Pro de EPGV genoemde uitzonderingen.
3.2.
De kantonrechter stelt vast dat de vordering binnen het toepassingsbereik van de EPGV valt, nu deze lager is dan € 5.000,00, [de verweerder] in Nederland en [de verzoeker] in [land] wonen, en beide landen lidstaten zijn waarvoor de EPGV geldt.
Rechtsmacht
3.3.
Nu de EPGV geen aparte bevoegdheidsregeling heeft, moet aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Verordening II) worden bepaald of de Nederlandse kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil.
3.4.
Op grond van artikel 4 van Pro deze verordening, waarin is bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat, heeft de Nederlandse kantonrechter rechtsmacht. Nu [de verweerder] in Nederland woont, is de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, relatief bevoegd.
Toepasselijk recht
3.5.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan. Er is sprake van een internationale huurovereenkomst. Artikel 4 lid 1 sub c van Pro de Verordening (EG) Nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) bepaalt dat, indien partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt de overeenkomst die de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen. Aldus is in dit geval Nederlands recht van toepassing.
De vordering
3.6.
Als onvoldoende betwist staat vast dat [de verweerder] bij aanvang van de huur een waarborgsom van € 850,00 heeft ontvangen en dat de huurovereenkomst tussen partijen is geëindigd. Op grond van artikel 7:261b BW restitueert de verhuurder de waarborgsom binnen veertien dagen na het einde van de huurovereenkomst, tenzij er sprake is van schade of de huurder de huur onbetaald heeft gelaten. In dat geval kan de verhuurder overgaan tot verrekening.
3.7.
In het licht van dit wettelijk kader is het aan [de verweerder] om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat [de verzoeker] de woning niet schoon heeft opgeleverd en dat hij als gevolg daarvan schoonmaakkosten heeft moeten maken. [de verweerder] heeft zijn stelplicht echter verzaakt, zodat nadere bewijslevering niet aan de orde is. Daarmee is de grondslag voor het inhouden van de waarborgsom door [de verweerder] niet vast komen te staan.
3.8.
[de verweerder] heeft verder aangevoerd dat de woning op naam staat van [bedrijf verweerder] B.V. Voor zover hij daarmee heeft willen betogen dat [de verzoeker] [bedrijf verweerder] B.V. in rechte had moeten trekken, gaat dit niet op. Uit de huurovereenkomst volgt immers dat deze door [de verweerder] is aangegaan.
Conclusie
3.9.
[de verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 850,00 aan waarborgsom.
3.10.
Aangezien hij gehouden is om veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst de waarborgsom aan [de verzoeker] te restitueren, zal de wettelijke rente vanaf dat moment worden toegewezen tot de dag van algehele betaling.
3.11.
De door [de verzoeker] verzochte veroordeling van [de verweerder] tot betaling van de kosten voor het afdrukken van bewijsmateriaal wordt als niet onderbouwd afgewezen. Deze kosten worden dan ook niet in de begroting van de proceskosten meegenomen.
3.12.
[de verweerder] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
226,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
298,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [de verweerder] om aan [de verzoeker] te betalen een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf veertien dagen na beëindiging van de huurovereenkomst tot aan de dag van algehele betaling,
4.2.
veroordeelt [de verweerder] in de proceskosten van € 298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
46409/693