Belanghebbende was houder van een BMW waarvan het kenteken was geschorst van 3 april 2023 tot 3 april 2024. Op 15 maart 2024 is vastgesteld dat de auto toch op de openbare weg werd gebruikt. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) en een verzuimboete op. Belanghebbende stelde dat de besluiten onbevoegd waren genomen en dat de boete onterecht en te hoog was.
De rechtbank oordeelde dat de besluiten bevoegd waren genomen, ondanks dat de ondertekening niet door de directeur was verricht, omdat mandaat was verleend aan bevoegde ambtenaren. De naheffingsaanslag werd terecht vastgesteld omdat gebruik was gemaakt van de weg tijdens de schorsing, en de wet een gebonden bevoegdheid aan de inspecteur geeft om naheffing op te leggen.
Ten aanzien van de boete stelde belanghebbende dat hij te goeder trouw handelde en dat de boete onterecht was opgelegd. De rechtbank vond dat belanghebbende niet alle redelijke zorg had betracht om de schorsing daadwerkelijk op te heffen en dat de boete daarom terecht was, maar matigde deze van € 1.004 naar € 50 vanwege de omstandigheden.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn niet was overschreden. Ook een integrale proceskostenvergoeding werd geweigerd, maar belanghebbende kreeg een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 3.200 toegewezen. De inspecteur moet het griffierecht vergoeden.