Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3221

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
11942171
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:17 BWArt. 7:18a lid 2 BWArt. 7:21 BWArt. 7:22 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vennoot van V.O.F. persoonlijk aansprakelijk voor non-conforme tweedehands caravan

De rechtbank Gelderland behandelde een civiele zaak over de koop van een tweedehands caravan die niet voldeed aan de overeenkomst. De koper had de caravan gekocht van een vennootschap onder firma (V.O.F.) en stelde dat de caravan non-conform was vanwege verrotte beplating die al bij aflevering aanwezig was.

De rechtbank stelde vast dat de koopovereenkomst door een vennoot namens de V.O.F. was gesloten, waardoor deze vennoot persoonlijk aansprakelijk kon worden gesteld. De caravan was aangeboden door de V.O.F. en de koper mocht op grond van de advertentie en de prijs verwachten dat de caravan in goede staat was.

De rechter oordeelde dat het bewijsvermoeden van non-conformiteit volgens artikel 7:18a lid 2 BW niet voldoende was weersproken door de vennoot. De koper had de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden omdat de verkoper niet tot herstel was overgegaan. De vennoot werd veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom, vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De vordering tegen de andere vennoot werd afgewezen.

Uitkomst: Vennoot van V.O.F. is persoonlijk aansprakelijk en moet koopsom en incassokosten betalen; koopovereenkomst is rechtsgeldig ontbonden.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11942171 \ CV EXPL 25-2962
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.E. van Veen-de Haan,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en gezamenlijk te noemen: [de gedaagde] (in mannelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. A.H. Lamers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 december 2025,
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn broers.
2.2.
[gedaagde 1] en zijn vader, [vader gedaagden] , zijn vennoten van de vennootschap onder firma met de handelsnamen ‘ [handelsnaam 1] ’ en ‘ [handelsnaam 2] ’.
2.3.
[handelsnaam 2] heeft op de website [internetsite] een caravan, merk en type Fendt Bianco 465 TG uit het bouwjaar 2012 (hierna: de caravan), te koop aangeboden. In de advertentie is onder meer het volgende vermeld:
“(…) De caravan is altijd goed onderhouden en verkeerd in een hele goede staat. (…)
(…) Benieuwd naar de mogelijkheden?
Neem contact met ons op
(…) of [e-mailadres]
(…)
Aangeboden door
[handelsnaam 2]
[adres]
[adres]
Bezoek website
(…)”
2.4.
Nadat [eiser] de caravan heeft bezichtigd op het terrein van [handelsnaam 2] , heeft hij op 4 september 2024 een aankoopkeuring laten verrichten door [bedrijf] . [bedrijf] heeft een certificaat van goedkeuring afgegeven aan [eiser] .
2.5.
Op 6 september 2024 heeft [eiser] de caravan gekocht voor een koopsom van € 17.750,00. In de schriftelijke koopovereenkomst die door [eiser] en [gedaagde 1] is ondertekend, is onder meer vermeld:
“(…)
A. Verkoper van de toercaravan/aanhanger
(Handels)naam [gedaagde 2]
(…)
Email [e-mailadres]
(…)”
2.6.
Op 14 september 2024 is de caravan aan [eiser] geleverd. [gedaagde 1] was daarbij aanwezig. [gedaagde 1] heeft bij de aflevering twee waterflesjes en een waterpas, beide met het bedrijfslogo van [handelsnaam 2] , aan [eiser] overhandigd.
2.7.
Op 3 april 2025 heeft [eiser] de caravan naar [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) gebracht om algeheel onderhoud aan de caravan te laten uitvoeren. [bedrijf] heeft vervolgens aan [eiser] te kennen gegeven dat de beplating van de rechter voorzijde van de caravan volledig verrot is en dat die schade niet in een paar maanden kan zijn ontstaan. De herstelkosten zijn door [bedrijf] geschat op een bedrag van € 5.212,74.
2.8.
Bij brief van 2 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [handelsnaam 2] bericht dat door een deskundige is geconstateerd dat de voorzijde van de caravan volledig verrot is. [handelsnaam 2] is gesommeerd om binnen veertien dagen na dagtekening van de brief voor herstel van de caravan zorg te dragen. [handelsnaam 2] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
2.9.
Bij brief van 14 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] de koopovereenkomst namens [eiser] buitengerechtelijk ontbonden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. voor recht zal verklaren dat de overeenkomst op 14 juli 2025 door [eiser] is ontbonden, dan wel de overeenkomst zal ontbinden,
subsidiair
3. de tussen partijen gesloten overeenkomst zal vernietigen,
zowel primair als subsidiair:
4. voor recht zal verklaren dat [de gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade,
5. [de gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.652,80 (€ 17.750,00 + € 1.930,95 + € 971,85), vermeerderd met wettelijke rente,
6. [de gedaagde] zal gebieden om de caravan op te halen op straffe van een dwangsom van € 500,00, of een door de kantonrechter te bepalen bedrag, voor iedere dag dat het bevel niet wordt nagekomen, alsmede [de gedaagde] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat de schriftelijke overeenkomst door [gedaagde 1] is ondertekend. Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde 1] de koopovereenkomst namens [gedaagde 2] of namens [handelsnaam 2] heeft gesloten. [de gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat de caravan in eigendom toebehoorde aan [gedaagde 2] en dat [gedaagde 1] hem als broederlijke vriendendienst heeft vertegenwoordigd bij het verkopen van de caravan en slechts als tussenpersoon heeft gehandeld.
4.2.
Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam – dat wil zeggen als wederpartij van die ander – is opgetreden hangt af van hetgeen hij en die ander daarover naar elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11 maart 1977, NJ 1977,521).
4.3.
Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat de caravan door [handelsnaam 2] te koop is aangeboden en dat ook in de verkoopadvertentie uitdrukkelijk is vermeld dat de caravan werd aangeboden door [handelsnaam 2] . In de advertentie zijn voorts bij de contactgegevens de adresgegevens van [handelsnaam 2] vermeld en wordt verwezen naar de website van [handelsnaam 2] . Daarnaast stond de caravan op het terrein van [handelsnaam 2] en heeft op die locatie de bezichtiging van de caravan door [eiser] plaatsgevonden. [eiser] heeft voorts onweersproken gesteld dat hij alleen met [gedaagde 1] , één van de vennoten van [handelsnaam 2] , heeft gesproken over de koop van de caravan. [eiser] heeft verder bij de levering van de caravan van [gedaagde 1] twee waterflesjes en een waterpas met het bedrijfslogo van [handelsnaam 2] ontvangen. Door [de gedaagde] is verder niet gesteld en evenmin is gebleken dat [gedaagde 1] voorafgaand aan of tijdens het sluiten van de koopovereenkomst op enig moment jegens [eiser] heeft verklaard dat hij optrad als bemiddelaar en dat [gedaagde 2] de eigenlijke contractspartij van [eiser] was. Uit voormelde omstandigheden en gedragingen mocht [eiser] afleiden dat [gedaagde 1] de koopovereenkomst met [eiser] in naam van [handelsnaam 2] heeft gesloten. Dat in de koopovereenkomst bij de verkopende partij de voorletter ‘ [letter] ’ is vermeld en niet de voorletter ‘ [letter] ’ en de koopsom door [eiser] is overgemaakt op het bankrekeningnummer van [gedaagde 2] , leidt – anders dan [de gedaagde] meent – niet tot een ander oordeel. Een voorletter hoeft immers niet per definitie overeen te komen met de eerste letter van een roepnaam. Hieruit hoefde [eiser] reeds hierom niet af te leiden dat hij de overeenkomst eigenlijk met [gedaagde 2] sloot. Als vaststaand wordt daarom aangenomen dat [gedaagde 1] de koopovereenkomst met [eiser] in naam van [handelsnaam 2] heeft gesloten.
4.4.
Het voorgaande betekent dat de vordering jegens [gedaagde 2] zal worden afgewezen omdat hij geen contractspartij van [eiser] is en [eiser] daarom geen vordering op hem heeft.
4.5.
In de procedure tussen [eiser] en [gedaagde 2] wordt [eiser] in het ongelijk gesteld en hij zal daarom in de proceskosten van [gedaagde 2] worden veroordeeld. De proceskosten van [gedaagde 2] worden vastgesteld op nihil.
4.6.
[handelsnaam 2] is in deze procedure niet gedagvaard. Dit betekent echter niet dat de vordering van [eiser] jegens [gedaagde 1] om die reden moet worden afgewezen. [gedaagde 1] is namelijk als vennoot van [handelsnaam 2] op grond van artikel 18 van Pro het Wetboek van Koophandel hoofdelijk verbonden voor verbintenissen van [handelsnaam 2] . Als gevolg daarvan kan [gedaagde 1] door [eiser] persoonlijk worden aangesproken voor verbintenissen van [handelsnaam 2] .
4.7.
Beoordeeld dient te worden of de caravan aan de koopovereenkomst beantwoordt als bedoeld in artikel 7:17 BW Pro van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.8.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW Pro beantwoordt een afgeleverde zaak (in dit geval de caravan) niet aan de koopovereenkomst als de zaak, mede gelet op de aard daarvan en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat het afgeleverde de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
4.9.
Vast staat dat de beplating van de rechter voorzijde van de caravan is aangetast door vocht en volledig verrot is. Bij de koop van een tweedehands caravan maakt echter niet elke onvolkomenheid daaraan dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt. De koper van een tweedehands caravan zal, afhankelijk van de ouderdom en prijs daarvan, tot op zekere hoogte rekening moeten houden met het bestaan van mankementen. Dit laat evenwel onverlet dat voormeld gebrek aan de caravan tot het oordeel zou kunnen leiden dat sprake is van non-conformiteit. Bij de beoordeling hiervan komt het in het bijzonder aan op de eigenschappen die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. In onderhavig geval is in de verkoopadvertentie vermeld dat de caravan altijd goed is onderhouden en in een heel goede staat verkeert. De caravan is bovendien voor een koopsom van € 17.500,00 verkocht. In het licht van deze omstandigheden behoefde [eiser] niet te verwachten dat de genoemde beplating aangetast was door vocht en volledig verrot was. Dit betekent dat als (de oorzaak van) het gebrek aan de caravan bij aflevering aanwezig was, de caravan niet aan de koopovereenkomst beantwoordt.
4.10.
Partijen verschillen van mening over de vraag of (de oorzaak van) het gebrek aan de caravan reeds aanwezig was bij de aflevering of, zoals door [de gedaagde] is aangevoerd, pas na de aflevering is ontstaan.
4.11.
In dit geval – waarin sprake is van een consumentenkoop en het gebrek aan de caravan zich binnen één jaar na levering heeft geopenbaard – geldt het bewijsvermoeden van artikel 7:18a lid 2 BW. Dit houdt in dat in beginsel wordt vermoed dat de caravan ten tijde van de levering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Dat is alleen anders als de aard van de zaak (in dit geval een caravan) of de aard van de afwijking (de door vocht aangetaste beplating van de caravan) zich daartegen verzet. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van die uitzondering. Bij deze stand van zaken geldt daarom het vermoeden dat (de oorzaak van) het gebrek aan de caravan al bij de levering aanwezig was, tenzij [de gedaagde] bewijs van het tegendeel van dit vermoeden levert. Het is dan ook aan [de gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat de caravan bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde. [de gedaagde] heeft dit onvoldoende gedaan. De enkele stelling van [de gedaagde] dat Bovag een aankoopkeuring heeft uitgevoerd en dat de caravan is goedgekeurd, is daarvoor in elk geval niet genoeg. [de gedaagde] heeft voorts geen verklaring gegeven voor het feit dat het gebrek aan de caravan binnen zeven maanden na levering al is ontdekt en de aard van het gebrek (volledige verrotting van plaatmateriaal) met zich brengt dat de oorzaak daarvan al langer aanwezig moet zijn geweest. [de gedaagde] heeft het vermoeden dat de caravan ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde, dan ook onvoldoende gemotiveerd weersproken. Er is daarom geen aanleiding om [de gedaagde] toe te laten tot het leveren van bewijs van het tegendeel. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de caravan ten tijde van de aflevering niet aan de koopovereenkomst beantwoordde.
4.12.
Door een non-conforme caravan aan [eiser] te verkopen is [handelsnaam 2] tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit de koopovereenkomst.
4.13.
Vervolgens moet worden beoordeeld of [eiser] de overeenkomst tussen partijen terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden.
4.14.
Op grond van het bepaalde in de artikelen 7:21 en 7:22 BW ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de verkoper is tekortgeschoten in zijn verplichting om de afgeleverde zaak binnen redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de koper te herstellen, waarbij geldt dat de kosten van herstel niet aan de koper in rekening kunnen worden gebracht. Vast staat dat [handelsnaam 2] niet tot herstel is overgegaan terwijl zij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld. Zij is hiermee tekortgeschoten in haar verplichting om het gebrek aan de caravan kosteloos voor [eiser] te herstellen. Dit betekent dat [handelsnaam 2] niet heeft voldaan aan haar verplichting uit artikel 7:21 BW Pro. Aangezien de schade aan de caravan bovendien de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, is aan de vereisten van artikel 7:22 BW Pro voldaan. Dit betekent dat [eiser] de koopovereenkomst rechtsgeldig bij brief van 14 juli 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. De in dit verband door [eiser] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
4.15.
Als gevolg van de ontbinding ontstaat op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW Pro voor partijen de verplichting tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. [handelsnaam 2] moet daarom de koopsom van de caravan terugbetalen aan [eiser] . De door [eiser] gevorderde hoofdsom die strekt tot betaling van een bedrag van € 17.500,00 zal derhalve worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente daarover is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar.
4.16.
[eiser] moet op zijn beurt de caravan met toebehoren teruggeven aan [handelsnaam 2] . [eiser] vordert in dit verband dat de kantonrechter [de gedaagde] zal gebieden om de caravan op te halen. Dit onderdeel van de vordering zal echter worden afgewezen omdat een wettelijke grondslag voor toewijzing van dit onderdeel van de vordering ontbreekt. Dit brengt eveneens met zich dat de in dit verband gevorderde nevenvorderingen (dwangsom en kosten voor het eventueel inschakelen van een derde voor het wegbrengen van de caravan) zullen worden afgewezen.
4.17.
De door [eiser] gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 1.930,95, bestaande uit de door [eiser] betaalde verzekeringspremies en kosten voor het boeken van duurdere vakanties, zal eveneens worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW Pro onder meer is vereist dat sprake is van (i) schade en (ii) een causaal verband tussen de tekortkoming en de schade. Aan deze vereisten is niet voldaan. De door [eiser] betaalde verzekeringspremies kunnen namelijk niet worden aangemerkt als schade omdat [eiser] deze kosten ook zou hebben gemaakt als van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst geen sprake was geweest (zie in dit verband ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3915). Voor wat betreft de kosten voor het boeken van duurdere vakanties geldt dat het causaal verband tussen deze kosten en de tekortkoming aan de zijde van [de gedaagde] niet is gebleken.
4.18.
Afwijzing van de gevorderde schadevergoeding brengt met zich dat [eiser] geen belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht dat [de gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade. Deze gevraagde verklaring voor recht zal daarom niet worden gegeven.
4.19.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 971,81 zijn echter hoger dan het tarief dat is bepaald in het (niet rechtstreeks van toepassing zijnde) Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bij een hoofdsom van € 17.750,00. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 952,50 toe.
4.20.
In de procedure tussen [eiser] en [gedaagde 1] is [gedaagde 1] grotendeels in het ongelijk gesteld, zodat [gedaagde 1] de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,81
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.887,81
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering jegens [gedaagde 2] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , tot deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 2] vastgesteld op nihil,
5.3.
verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen [eiser] en [handelsnaam 2] op 14 juli 2025 buitengerechtelijk is ontbonden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van 28 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 952,50 aan buitengerechtelijke kosten,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.887,81, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,
5.7.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
lt