Uitspraak
1.De inhoud van de tenlastelegging
- [aangever 1] (aangifte blz. 442)
- [aangever 2] (aangifte blz. 450)
- [aangever 3] (aangifte blz. 491)
- [aangever 4] (aangifte blz. 506)
- [aangever 5] (aangifte blz. 510)
- [aangever 6] (aangifte blz. 514)
- [aangever 7] (aangifte blz. 518)
- [aangever 8] en [aangever 9] (aangifte blz. 522)
- [aangever 10] en partner (aangifte blz. 527)
- [aangever 11] en [aangever 12] (aangifte blz. 531)
- [aangever 13] (aangifte blz. 534)
- [aangever 14] (aangifte blz. 537)
- [aangever 15] en [aangever 16] (aangifte blz. 544)
- [aangever 17] en partner (aangifte blz. 550)
- [aangever 18] (aangifte blz. 571)
- [aangever 19]
2.De standpunten
3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Om 03:43 uur is op de beelden te zien dat ontbrandbare rookgassen door de ruit uit het pand naar buiten komen, vermoedelijk na een ruitbreuk. Kort hierop komen door de gebroken ruit vlammen uit het pand naar buiten. Ontbrandbare rookgassen kunnen zijn ontstaan door de inwerking van de stralingswarmte van het vuur buiten voor de ruit op materialen in de [benadeelde bedrijf 3] (pyrolyse).
Tot slot wordt geconcludeerd dat uit diverse onderzoeken blijkt dat gloeiend karton zich kan ontwikkelen tot een brand. Hierbij spelen vele factoren een rol, waaronder luchtstroming, luchtvochtigheid, de samenstelling en de compactheid en het vochtgehalte van het karton.
opzettelijkbijbrengen en/of achterlaten van vuur in het karton en papier dat op de rolcontainers in de Varkensstraat was verzameld. Van enige andere oorzaak van het ontstaan van de brand in de rolcontainers is uit het dossier of uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. De rechtbank heeft, mede gelet op wat hierna wordt overwogen over de bevindingen van het tactisch onderzoek, geen enkele aanleiding om aan deze conclusie van de forensisch onderzoeker te twijfelen. Sterker nog, de bevindingen van het tactisch onderzoek passen naadloos op de bevindingen van het forensisch onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook worden vastgesteld dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting in de rolcontainer(s).
“Hey, laten we die ding in de fik zetten”en
“Vind ik leuk”.Op de beelden is te zien dat hij hierbij met zijn wandelstok iets aanwijst. Vervolgens wordt er door elkaar gepraat en zegt [medeverdachte 1] :
“Doe ik altijd”.Hierop zegt één van de andere verdachten:
“Kan je nou wel ff doen ja”. Om 02:55:41 uur lopen de drie verdachten links uit beeld, maar hun schaduwen blijven zichtbaar op de grond. Daaraan is te zien dat de verdachten tot 02:55:57 uur blijven staan en iets bewegen. Vervolgens is er tot 02:56:03 uur een schaduw van één persoon zichtbaar. Er zijn stemmen te horen, maar volgens de verbalisant is niet te verstaan wat er gezegd wordt: alleen
“branden dan".
“Laten we dit ding in de fik zetten”, “
vin’k leuk”en
“doe ik altijd.”[medeverdachte 2] heeft verklaard dat het drietal stil heeft gestaan bij een rolcontainer in de Varkensstraat. Hij wilde doorlopen en zei:
“nee joh, what the fuck”. Hij zag dat [medeverdachte 1] met een aansteker heen en weer liep om de rolcontainer en handelingen probeerde te verrichten. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de rolcontainer met de aansteker in brand heeft gestoken.
“Laten we dat maar doen, ja”. Volgens verdachte bedoelde hij dat sarcastisch en nam hij [medeverdachte 1] niet serieus. Verdachte heeft naar eigen zeggen niets gezien van de brandstichting en heeft zelf geen handelingen verricht.
“Laten we dit ding in de fik zetten”, waarop verdachte reageerde met:
“Laten we dat maar doen, ja”. De drie verdachten liepen vervolgens in één rechte lijn naar de plek waar de rolcontainers stonden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verdwijnen op dat moment samen uit beeld achter de pot met de plant. Verdachte blijft nog net zichtbaar in beeld staan. Vervolgens is op de camerabeelden te horen dat [medeverdachte 1] spreekt over
“heb vuur en hij ook”en over de
“de zijkant van die ruimte”. Ook wordt er gesproken over
“dat wil niet branden daar”,
“die zijn te nat”en
“begint te gloeien”. De rechtbank merkt daarbij op dat zij met het Openbaar Ministerie van oordeel is dat, hoewel de onderzoekers van het NFI minder herkenbare tekst hebben gehoord dan de verbalisant – hetgeen verklaard kan worden door de gekozen onderzoeksopzet – het NFI-rapport grotendeels een bevestiging oplevert van de uitwerking van de geluidsopname door de politie en dat er daarmee geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan het door de verbalisant op ambtseed opgemaakte proces-verbaal.
“laten we dat maar doen”, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake was van een gezamenlijk plan, dan wel dat [medeverdachte 1] daarmee werd aangezet om de brand te stichten (hij had dit idee immers zelf al).