ECLI:NL:RBGEL:2026:330

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
454832
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van bestuurder voor vorderingen van eisers op basis van garantstellingen en leningen

In deze zaak vorderen de eisers betaling op grond van bestuurdersaansprakelijkheid voor bedragen die zij hebben verstrekt aan de holding van de gedaagde. De gedaagde ontkent aansprakelijkheid en stelt dat hij niet als bestuurder verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vorderingen van de eisers. De rechtbank oordeelt dat de gedaagde niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat de eisers op de hoogte waren van de financiële situatie van de betrokken vennootschappen en de risico's van hun garantstellingen. De rechtbank wijst de vorderingen van de eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten. De uitspraak is gedaan op 14 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/454832 / HZ ZA 25-199
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] .,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [vestigingsplaats] ,
3.
[eiser 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. A. Hofman.
Eisers worden hierna samen [gezamenlijke eisers] genoemd en afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] .
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.P.C. Smit.

1.De zaak in het kort

[eiser 1] heeft zich garant gesteld voor vorderingen van schuldeisers van het bouwbedrijf en de holding van [gedaagde] . [eiser 2] heeft bedragen overgemaakt op de bankrekening van de holding van [gedaagde] . [eiser 3] heeft een bedrag geleend aan de holding van [gedaagde] . [gezamenlijke eisers] vordert betaling van deze bedragen door [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde] ontkent dat hij als bestuurder aansprakelijk is voor de vorderingen van [gezamenlijke eisers] In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] niet als bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden voor de vorderingen. De vorderingen van [gezamenlijke eisers] worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- de akte uitlating van [gezamenlijke eisers]
- de antwoordakte van [gedaagde]
- de akte vermeerdering eis
- de akte overlegging producties van [gedaagde]
- de producties 22 tot en met 26 van [gezamenlijke eisers]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025
- de spreekaantekeningen van [gezamenlijke eisers]
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] is de bestuurder van [naam holding] (hierna: [naam holding] ). Deze vennootschap was de bestuurder van [naam bouwbedrijf] (hierna: [naam bouwbedrijf] )
3.2.
De heer [naam bestuurder] is (indirect) bestuurder van [eiser 1] en van [eiser 2] .
3.3.
De ondernemingen van [naam bestuurder] en [gedaagde] hebben veel samengewerkt.
3.4.
[eiser 3] was in 2022 als uitzendkracht werkzaam bij [naam bouwbedrijf] . Op 21 februari 2022 heeft [eiser 3] een bedrag van € 50.000,00 geleend aan [naam holding] . De afspraken zijn vastgelegd in een leenovereenkomst tussen [eiser 3] en [naam holding] (productie 8 van [gezamenlijke eisers] ).
3.5.
[naam 1] was als administratief medewerker werkzaam bij onder meer [naam bouwbedrijf] en bij Samen Sterk Uitzendwerk B.V. (hierna: Samen Sterk), van welke vennootschap [gedaagde] indirect bestuurder was. Op 2 augustus 2024 hebben [naam 1] en Samen Sterk een overeenkomst van geldlening gesloten, uit hoofde waarvan door [naam 1] een bedrag van € 35.000,00 aan Samen Sterk is geleend (productie 16 van [naam bestuurder] ). Samen Sterk heeft op deze geldlening een bedrag van € 15.000,00 afgelost. Op 3 december 2024 is Samen Sterk failliet verklaard.
3.6.
Op 11 september 2024 heeft [naam 2] een bedrag van € 40.000,00 geleend aan [naam holding] . Op verzoek van [naam holding] is het bedrag van de geldlening overgemaakt naar een bankrekening op naam van [naam 3] , de onroerend goed vennootschap van [gedaagde] . [eiser 1] heeft zich garant gesteld voor de terugbetaling van het bedrag van de geldlening. De afspraken zijn vastgelegd in een garantstellingsovereenkomst van 23 december 2024 tussen [naam 2] , [naam holding] en [eiser 1] (productie 13 van [gezamenlijke eisers] ).
3.7.
Bij e-mailbericht van 4 november 2024 aan [gedaagde] heeft [eiser 3] de vordering uit hoofde van de geldlening (zie hiervoor onder 3.4.) opgeëist en verzocht het volledige bedrag van € 50.000,00 voor 1 december 2024 te betalen (productie 9 van [gezamenlijke eisers] ). Op 29 november 2024 heeft [naam holding] een bedrag van
€ 5.000,00 betaald. Het restant is onbetaald gebleven.
3.8.
Omdat een leverancier van [naam bouwbedrijf] , de Drentse Bouwmaterialenhandel Concordia B.V. (hierna: Concordia), had aangeven geen leveranties meer te doen vanwege een aanzienlijke betalingsachterstand, heeft [eiser 1] zich garant gesteld voor de vordering van Condordia op [naam bouwbedrijf] ten bedrage van € 201.159,45. De afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst van geldlening met garantstelling van 20 december 2024 tussen Concordia, [naam bouwbedrijf] en [eiser 1] (productie 2 van [gezamenlijke eisers] ). In deze overeenkomst is de vordering van Concordia omgezet in een lening waarvoor [eiser 1] zich garant stelt.
3.9.
[eiser 2] had ook een zakelijke relatie met [naam bouwbedrijf] . In de periode van 4 december 2024 tot en met 17 februari 2025 heeft [eiser 2] bedragen naar de bankrekening van [naam holding] overgemaakt, in totaal € 256.000. Bij de betalingen is in de omschrijving het woord “lening” opgenomen.
3.10.
Op 18 februari 2025 is [naam bouwbedrijf] failliet verklaard.
3.11.
Bij e-mailbericht van 7 maart 2025 is [eiser 1] door Concordia op de garantstelling (zie hiervoor onder 3.8.) aangesproken en is verzocht om tot betaling over te gaan.
3.12.
Bij e-mailbericht van 4 april 2025 is [eiser 1] door de advocaat van [naam 2] op de garantstelling (zie hiervoor onder 3.6.) aangesproken en is verzocht om tot betaling over te gaan. [eiser 1] heeft vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten met [naam 2] , op grond waarvan zij uit hoofde van de garantstelling een bedrag van € 35.000,00 aan [naam 2] heeft betaald (productie 15 van [gezamenlijke eisers] ).
3.13.
Bij akte van cessie van 24 november 2025 heeft [naam 1] haar vordering op [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid voor de schuld van Samen Sterk (zie hiervoor onder 3.5.) aan [eiser 1] gecedeerd (productie 20 van [gezamenlijke eisers] ). Bij brief van 25 november 2025 heeft de advocaat van [eiser 1] [gedaagde] van de cessie op de hoogte gesteld.
3.14.
Op 31 maart 2025 en 3 april 2025 heeft [gezamenlijke eisers] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen op het aandeel van [gedaagde] in twee onroerende zaken.

4.Het geschil

4.1.
[naam bestuurder] c.s. vordert – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling:
1. aan [eiser 1] : een bedrag van € 256.159,45, te vermeerderen met de wettelijke rente over het gedeelte van € 201.159,45 vanaf de datum van de dagvaarding en over het gedeelte van € 55.000,00 vanaf 9 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
2. aan [eiser 2] : een bedrag van € 256.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3. aan [eiser 3] : een bedrag van € 45.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
4. van de kosten van de procedure en de beslagkosten.
4.2.
[naam bestuurder] c.s. legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [naam bouwbedrijf] is zeer kort na de garantstellingen door [eiser 1] failliet gegaan. [gedaagde] wist als (indirect) bestuurder ten tijde van de garantstellingen dat de financiële situatie van [naam bouwbedrijf] zodanig slecht was dat [naam holding] haar betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen en dat [eiser 1] geen verhaal had voor de betaalde bedragen uit hoofde van de garantstellingen. [naam holding] heeft de ten behoeve van de bedrijfsvoering van [naam bouwbedrijf] verstrekte financieringen aangewend voor privédoeleinden.
Ten aanzien van de door [eiser 2] aan [naam holding] geleende bedragen geldt ook dat [naam holding] ten tijde van het aangaan van de geldleningen wist of had moeten begrijpen dat [naam holding] niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen, omdat [naam bouwbedrijf] er financieel niet goed voor stond. Ook is [eiser 2] door [naam holding] misleid, omdat de af te lossen schulden van derden geen zakelijke schulden bleken te zijn, maar privéschulden. Ook het door [eiser 3] aan [naam holding] geleende bedrag is gebruikt voor privéuitgaven, terwijl de lening bestemd was als werkkapitaal voor de bedrijfsvoering. Voormelde handelwijze van [naam holding] is onrechtmatig. [naam holding] kan hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Op grond van artikel 2:11 BW is [gedaagde] eveneens aansprakelijk voor de door [gezamenlijke eisers] geleden schade.
Ten aanzien van de geldlening van [naam 1] wist [gedaagde] als (indirect) bestuurder of had hij moeten begrijpen dat Samen Sterk niet in staat zou zijn om de geldlening af te lossen en geen verhaal zou bieden voor de vordering. [gedaagde] kan hiervan persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gezamenlijke eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gezamenlijke eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [naam bestuurder] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Uitgangspunt
5.1.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Aansprakelijkheid van de bestuurder kan onder meer worden aangenomen indien deze bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (zie Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 Ontvanger/Roelofsen).
5.2.
Indien de bestuurder die aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, een rechtspersoon-bestuurder is, rust de aansprakelijkheid ook hoofdelijk op ieder die bestuurder is van die rechtspersoon-bestuurder op het tijdstip van het ontstaan van de aansprakelijkheid (artikel 2:11 BW).
5.3.
Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [gezamenlijke eisers] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept van het door haar gestelde onrechtmatig handelen van [naam holding] en [gedaagde] , de last om de feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, die tot de conclusie kunnen leiden dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Geen aansprakelijkheid van [gedaagde]
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen [gezamenlijke eisers] in deze procedure heeft gesteld onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, op grond waarvan naast een eventuele aansprakelijkheid van [naam holding] , [naam bouwbedrijf] en/of Samen Sterk – de (contracts)partijen ten behoeve waarvan de gelden zijn verstrekt – ook sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] als (indirect) bestuurder. Dit wordt hierna toegelicht.
De vordering van [eiser 1]
Garantstellingen vorderingen Concordia en [naam 2]
5.5.
[eiser 1] verwijt [gedaagde] dat hij op het moment van de garantstellingen voor de vorderingen van Concordia en [naam 2] wist of had moeten weten dat [naam holding] haar verplichtingen jegens Concordia en [naam 2] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, en (dus) ook jegens [eiser 1] als garantsteller, niet zou kunnen nakomen. Volgens [eiser 1] heeft [gedaagde] haar misleid dan wel onzorgvuldig geïnformeerd over de levensvatbaarheid van [naam bouwbedrijf] . [eiser 1] stelt dat zij haar beslissing om zich garant te stellen heeft gebaseerd op de meerjarenbegroting 2025-2026 van [naam bouwbedrijf] van 27 september 2024 (productie 3 van [gezamenlijke eisers] ), en dat later bleek dat die meerjarenbegroting ondeugdelijk was omdat daarin ten onrechte was opgenomen dat de Belastingdienst bereid was uitstel te verlenen voor een belastingschuld.
5.6.
[gedaagde] voert als verweer dat [eiser 1] volledig op de hoogte was van de financiële situatie van de ondernemingen van [gedaagde] en dat [eiser 1] zich uit eigen beweging borg heeft gesteld. [naam bestuurder] beschikte over alle relevante financiële stukken en heeft zich opgeworpen als “bedrijvendokter” met het doel om [naam bouwbedrijf] haar activiteiten te kunnen laten voortzetten.
5.7.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat de meerjarenbegroting een dynamisch document was dat ieder kwartaal werd aangepast en dat is opgesteld op basis van uitgangspunten (aannames). Op de tweede pagina van de meerjarenbegroting staat onder meer het volgende:
Hieruit blijkt dat de onderneming er financieel niet goed voor stond en dat de begroting is gebaseerd op aannames op basis waarvan de financiële situatie zou kunnen verbeteren. [eiser 1] kende deze begroting voordat zij tot de garantstelling overging. Onbetwist is ook dat [naam bestuurder] geen vragen heeft gesteld aan [gedaagde] naar aanleiding van de meerjarenbegroting. Uit voormelde tekst in de begroting kan niet zonder meer worden aangenomen dat de Belastingdienst instemde met een betalingsregeling. Verder is onbetwist dat [naam bestuurder] inzicht had in de administratie van [naam bouwbedrijf] . Dit blijkt uit de verschillende e-mailberichten van vóór de garantstelling die [gedaagde] heeft overgelegd. Bij e-mailbericht van 4 december 2024 heeft [gedaagde] de voorlopige geconsolideerde balans van [naam holding] en [naam bouwbedrijf] naar [naam bestuurder] gestuurd (productie 19 van [gedaagde] ). In het e-mailbericht van 6 december 2024 meldt [naam bestuurder] het volgende aan de heer [naam 4] van Concordia (productie 17 van [gedaagde] ):

Heden morgen hebben we gesproken over de achterstanden inzake bedrijf bouwcenter concordia.
Op dit moment ben ik aan het analyseren om bedrijf levensvatbaar te houden, maar ben ik afhankelijk van aantal toeleveranciers.
Ik verwacht maandag hier helderheid over te hebben, waarmee ik bereid ben een borg / of bedrijfsgarantie ten dekking van u betaling
(...)
Bij e-mailberichten van 10 en 11 december 2024 heeft [naam bestuurder] contact gehad met een klant van [naam bouwbedrijf] over het treffen van een betalingsregeling (productie 20 van [gedaagde] ). Ook heeft [naam bestuurder] op 12 december 2024 gevraagd om een opgeschoonde crediteurenlijst en een debiteurenlijst en een overzicht van onderhanden werk, en is op 13 december 2024 via [eiser 3] opdracht gegeven om bepaalde openstaande facturen af te boeken op kruisposten (productie 21 van [gedaagde] ).
Verder heeft [naam bestuurder] een begroting voor 2025 opgesteld voor het bouwbedrijf (productie 22 van [gedaagde] ). Geconcludeerd moet worden dat [naam bestuurder] op de hoogte was van de financiële situatie van [naam bouwbedrijf] . Dat [gedaagde] de hoop had dat met de hulp van [naam bestuurder] (Holding) de financiële situatie van het bouwbedrijf zou verbeteren is het licht van vorenstaande voorstelbaar.
5.8.
[eiser 1] stelt dat de post onderhanden werk in de meerjarenbegroting aanzienlijk lager was dan was voorgespiegeld, omdat [gedaagde] haar niet had geïnformeerd dat een opdrachtgever ( [naam 5] ) op verzoek van [gedaagde] een aanbetaling van € 116.000,00 had gedaan. [gedaagde] betwist dat [eiser 1] hiervan niet op de hoogte was en verwijst daarbij naar een e-mailbericht van 4 december 2024 van [gedaagde] aan [naam bestuurder] , waarbij een lijst met onderhanden werk is gevoegd (productie 30 van [gedaagde] ). Daarop staat dat aan [naam 5] Vastgoed B.V. een bedrag van € 95.250,00 is gefactureerd. Inclusief btw komt dit op een bedrag van € 115.252,50, aldus [gedaagde] . Deze post was dus kenbaar voor [naam bestuurder] . Dat [gedaagde] [eiser 1] hier niet nadrukkelijk op heeft gewezen wil niet zeggen [gedaagde] haar heeft misleid of bewust informatie heeft achtergehouden. Dit geldt ook ten aanzien van de stelling van [eiser 1] dat [gedaagde] haar niet heeft geïnformeerd dat de vordering van [naam bouwbedrijf] op [naam 3] als oninbaar had te gelden omdat [naam 3] op omvallen stond vanwege een forse schuld aan (het begin december gefailleerde) Samen Sterk. [gedaagde] voert aan dat [eiser 1] op de hoogte was van deze schuld en verwijst daarbij naar een e-mailbericht van accountant Frank Hop aan [naam bestuurder] van 26 november 2024 met als bijlage financiële stukken van Samen Sterk (productie 31 van [gedaagde] ). Volgens [gedaagde] blijkt uit die stukken op welke partijen Samen Sterk een vordering had. De bijlage is in deze procedure niet overgelegd door [gedaagde] , maar [eiser 1] heeft niet betwist dat daarin (ook) de vordering van Samen Sterk op [naam 3] is vermeld. Daarom moet worden aangenomen dat die vordering bekend was bij, althans kenbaar was voor [eiser 1] . [eiser 1] stelt verder dat [gedaagde] niet heeft medegedeeld dat de curator van Samen Sterk kort voor de garantstelling betaling had gevorderd bij [naam bouwbedrijf] van ruim € 60.000,00. [gedaagde] voert aan dat [eiser 1] op de hoogte was van het feit dat er nog een factuur van de curator zou aankomen en verwijst hierbij naar een e-mailbericht van [naam bestuurder] aan [gedaagde] van 16 december 2024, waarin [naam bestuurder] [gedaagde] vraagt om een aantal stukken aan te leveren, waaronder de “omzet die curator factureert vanaf 2 december-15 december 2024” (productie 33 van [gedaagde] ). Op 17 december 2024 heeft [naam 1] [naam bestuurder] bij e-mail de lijst gestuurd van de curator met de door Samen Sterk gefactureerde bedragen in december 2024, waaronder een vordering op [naam bouwbedrijf] van € 34.263,53 (productie 43 van [gedaagde] ). [gedaagde] voert aan dat de vorderingen van Samen Sterk op [naam bouwbedrijf] van vóór december 2024 ten bedrage van € 26.565,79 (de facturen van 20 en 27 november) al bekend waren bij [naam bestuurder] , omdat hij al een overzicht had van alle crediteuren van het bouwbedrijf over de periode tot december 2024. Dit is niet (voldoende) weersproken door [eiser 1] . Aangenomen wordt dan ook dat [eiser 1] bekend was met de vordering van de curator.
5.9.
Uit de door [gedaagde] overgelegde e-mailcorrespondentie tussen [naam bestuurder] en [naam 2] (productie 37) blijkt dat [naam bestuurder] bezig was met een herstructurering van de bedrijven van [gedaagde] teneinde de financiële situatie van het bouwbedrijf te verbeteren. In het e-mailbericht van 11 december 2024 meldt [naam bestuurder] onder meer het volgende aan [naam 6] van [naam 2] :

(...)
Gezien Samen Sterk is omgevallen, waar mee deze nu los is gekipt conform jullie eisen van de overeenkomst kom ik uitsluitend de Samen Sterk faillissement af te handelen dat er geen besmetting ontstaat met het bouwbedrijf en de Holding, gezien deze feitelijk niet door de Rabobank is gefinancierd.
Hiermee ben ik bezig een aantal korte termijn crediteuren op lang te zetten waarmee de onderneming door bank / of door jullie kan worden geherfinancierd, waarmee de crediteuren en debiteuren in de pas gaan lopen en de winsten vrijvallen om de leningen en afspraken na te komen.
De afspraken die we vanmorgen hebben gemaakt
(...)
Als je hier mee akkoord ben dan zullen we zo inplannen en zal ik garant staan dat deze betaling wordt nagekomen
(...)
[gedaagde] heeft in dit kader aangevoerd dat het initiatief tot de garantstelling voor de vordering van [naam 2] bij [eiser 1] lag en dat [gedaagde] ook niet in de e-mailcorrespondentie is meegenomen. De lening van [naam 2] moest op naam van [naam holding] komen, omdat het plan van [naam bestuurder] was om alle schulden in die vennootschap en in [naam 3] onder te brengen, zodat [naam bouwbedrijf] financiering zou kunnen krijgen. [eiser 1] heeft dit niet betwist. Ook hieruit blijkt dat [naam bestuurder] op de hoogte was van de financiële situatie van de vennootschappen van [gedaagde] . In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat [gedaagde] had moeten weten dat [naam holding] haar verplichtingen jegens [naam 2] niet na kon komen en daarmee [naam bestuurder] tekort zou doen.
5.9.
[eiser 1] stelt ook dat [naam bouwbedrijf] nieuwe en omvangrijke financieringsverplichtingen is aangegaan die niet in de meerjarenbegroting waren opgenomen en dat werkkapitaalfinancieringen zijn aangewend voor privédoeleinden. [gedaagde] heeft dit betwist. [eiser 1] heeft haar stelling op deze punten niet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
5.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde] [eiser 1] heeft misleid of onzorgvuldig heeft geïnformeerd op grond waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Gecedeerde vordering van [naam 1]
5.11.
[eiser 1] vordert ook betaling van de aan haar gecedeerde vordering van [naam 1] . [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] als (indirect) bestuurder ten tijde van het aangaan van de geldlening wist of had moeten begrijpen dat Samen Sterk niet in staat zou zijn om de geldlening af te lossen en geen verhaal zou bieden voor de vordering. [naam bestuurder] voert in dat kader aan dat er een forse schuld aan de belastingdienst was ter zake waarvan reeds in 2023 door Samen Sterk een melding betalingsonmacht is gedaan, en dat [gedaagde] [naam 1] heeft misleid met de mededeling dat de lening op korte termijn zou kunnen worden afgelost vanwege de verkoop van de onderneming. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [naam 1] uit hoofde van haar functie vóór het aangaan van de geldlening wist van het bestaan van de belastingschulden en van de melding van de betalingsonmacht. [gedaagde] voert aan dit ruim drie maanden voor het faillissement speelde en dat hij erop vertrouwde dat de overname van Samen Sterk door zou gaan en dat Samen Sterk het geleende bedrag zou kunnen terugbetalen.
5.12.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat Samen Sterk haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet zou kunnen nakomen. De rechtbank licht dit als volgt toe. Als onbetwist staat vast dat [naam 1] vanuit haar functie op de hoogte was van de financiën en de (inhoud van de) boekhouding van Samen Sterk. Zij wist ook van de forse belastingschuld. In die wetenschap heeft zij het geldbedrag geleend, waarbij zij de verwachting had dat haar vordering vanuit de opbrengst van de overname kon worden betaald. [gedaagde] stelt dat hij die verwachting ook had, dat [naam 1] over dezelfde informatie beschikte als hij en dat [naam 1] vanuit haar functie zelfs beter op de hoogte was van de financiële situatie. Op het moment van het aangaan van de geldlening was er volgens [gedaagde] uitzicht op verbetering. [gedaagde] heeft een e-mailbericht van 28 november 2024 overgelegd van de accountant aan [naam bestuurder] , waarin wordt gemeld dat er drie partijen waren die geïnteresseerd waren in een overname van Samen Sterk, die in dat kader een NDA (geheimhoudingsverklaring) hadden ondertekend (productie 42 van [gedaagde] ). Gelet op deze omstandigheden ontbreekt een voldoende onderbouwing van de stelling dat, naast een eventuele aansprakelijkheid van Samen Sterk, [gedaagde] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken omdat hij wist of moest begrijpen dat Samen Sterk haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden.
De vordering van [eiser 2]
5.13.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering zich richt tegen [naam holding] en deze vennootschap geen partij is in deze procedure. Dit verweer slaagt niet. [eiser 2] heeft de vordering jegens [gedaagde] ingesteld op grond van zijn aansprakelijkheid als bestuurder van [naam holding] . [eiser 2] is daarmee ontvankelijk in haar vordering.
5.14.
[gezamenlijke eisers] stelt dat [eiser 2] in totaal een bedrag van € 256.000,00 aan [naam holding] heeft geleend zodat leveranciers van het bouwbedrijf konden worden betaald. De betalingen zijn volgens [gezamenlijke eisers] op verzoek van [gedaagde] gedaan. [gedaagde] betwist dat de door [eiser 2] gedane stortingen als geldlening zijn te kwalificeren. Volgens [gedaagde] zijn er geen afspraken gemaakt over een geldlening en heeft [eiser 2] uit eigen beweging bedragen overgemaakt op de bankrekening van [naam holding] om crediteuren rustig te houden en met het doel om het bouwbedrijf van [gedaagde] in handen te krijgen.
5.15.
Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [eiser 2] de gelden heeft geleend aan [naam holding] . [gezamenlijke eisers] heeft haar stelling onderbouwd met een transactieoverzicht van de Rabobank met de bedragen die vanaf de bankrekening van [eiser 2] zijn overgemaakt naar de bankrekening van [naam holding] (productie 6 van [gezamenlijke eisers] ). Daarbij is in de omschrijving steeds het woord “lening” en het actuele openstaande bedrag opgenomen. [gedaagde] heeft niet geprotesteerd tegen de omschrijving “lening”, geen vragen gesteld daarover en ook de bedragen niet teruggestort. Dat [eiser 2] de gelden heeft overgemaakt met de bedoeling, zoals [gedaagde] stelt, om de schuldeisers rustig te houden zodat [naam bestuurder] uiteindelijk de activiteiten van [naam bouwbedrijf] kon overnemen, is onvoldoende onderbouwd.
5.16.
[gezamenlijke eisers] stelt dat [gedaagde] als bestuurder van [naam holding] ten tijde van het aangaan van de geldleningen heeft geweten of had moeten weten dat [naam holding] niet aan haar betalingsverplichting zou kunnen voldoen. [gezamenlijke eisers] verwijst in dat kader naar de op 9 september 2024 opgestelde jaarrekening van [naam holding] (productie 7 van [gezamenlijke eisers] ), waaruit blijkt dat het eigen vermogen van zowel [naam holding] als dat van de deelneming (het bouwbedrijf) negatief was. [gedaagde] voert als verweer dat de overboekingen door [eiser 2] gebeurden op initiatief van [naam bestuurder] .
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van deze vordering niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] [eiser 1] heeft misleid of onzorgvuldig heeft geïnformeerd op grond waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank licht dit als volgt toe. In een e-mailbericht van 4 december 2024 meldt [naam bestuurder] aan [naam 1] (met cc aan [gedaagde] ) onder meer dat er “50k” gestort is op de bankrekening van [naam holding] om achterstanden op te schonen (productie 23 van [gedaagde] ). Deze overboeking blijkt ook uit het transactieoverzicht van de bankrekening van [eiser 2] (productie 6 van [gezamenlijke eisers] ). Bij e-mailbericht van 12 december 2024 deelt [naam bestuurder] mee aan [eiser 3] (met cc aan [gedaagde] ) dat er “25k” is betaald, waarmee de crediteuren rustig kunnen worden gehouden (productie 24 van [gedaagde] ). Ook deze overboeking is in het transactieoverzicht van de bankrekening van [eiser 2] opgenomen. Dit geldt ook voor de overboeking van 23 december 2024 – met de omschrijving “lening (...) tbv aflossing lening G [naam 2] ” – ten aanzien waarvan [naam bestuurder] bij e-mailbericht van dezelfde datum aan [eiser 3] (met cc aan [gedaagde] ) heeft gemeld dat die morgen geld was overgeboekt voor (de vordering van) [naam 2] (productie 25 van [gedaagde] ). Hieruit blijkt dat [naam bestuurder] de uitvoering van de betalingen deed en daarvan dus op de hoogte was. [naam bestuurder] was bekend met de financiële situatie van [naam holding] en [naam bouwbedrijf] . Ook uit de jaarrekening 2023 van [naam holding] van 9 september 2024 was de financiële situatie kenbaar voor [naam bestuurder] .
5.18.
[gezamenlijke eisers] stelt zich op het standpunt dat [eiser 2] door [naam holding] is misleid, doordat met de geleende gelden privéschuldeisers zijn betaald. Volgens [gezamenlijke eisers] is het geld onder andere gebruikt voor de aflossing van een privéschuld aan de heer [naam 2] ten bedrage van € 25.000,00, die door [gedaagde] ten onrechte als zakelijke schuld was gepresenteerd. [gedaagde] betwist dat dit een privéschuld betreft. Hij heeft toegelicht dat deze schuld betrekking heeft op een lening van [naam 2] (Holding) aan [gedaagde] die in een overeenkomst van geldlening van 4 september is vastgelegd. Deze overeenkomst is door [gedaagde] overgelegd als productie 34. [gedaagde] stelt dat op grond van deze overeenkomst op 30 augustus 2024 door [naam 2] (Holding) een bedrag van € 25.000,00 is overgeboekt naar de privérekening van [gedaagde] , en dat nog dezelfde dag die gelden zijn doorgestort naar de bankrekening van [naam 3] en vervolgens naar Samen Sterk en naar [naam bouwbedrijf] voor de betaling van lonen en voor het aflossen van leveranciers en onderaannemers. [gedaagde] voert aan dat het bedrag eerst naar zijn privérekening is overgeboekt omdat [naam 2] graag een tweede recht van hypotheek op de woning van [gedaagde] wilde als zekerheid voor nakoming. Toen dat niet mogelijk bleek omdat de bank daarmee niet akkoord ging, is de lening ondergebracht bij [naam holding] , aldus [gedaagde] . Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] kan niet worden aangenomen dat de door [eiser 2] geleende gelden zijn gebruikt voor privédoeleinden. [gezamenlijke eisers] heeft haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd.
5.19.
Gelet op het vorenstaande is onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] [eiser 2] heeft misleid of onzorgvuldig heeft geïnformeerd op grond waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De vordering van [eiser 3]
5.20.
Ook ten aanzien van deze vordering stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering zich richt tegen [naam holding] en deze vennootschap geen partij is in deze procedure. Dit verweer slaagt niet, om dezelfde reden als hiervoor onder 5.13. ten aanzien van de vordering van [eiser 2] is aangegeven. [eiser 3] heeft de vordering jegens [gedaagde] ingesteld op grond van zijn aansprakelijkheid als bestuurder van [naam holding] . [eiser 3] is daarmee ontvankelijk in zijn vordering.
5.21.
[gezamenlijke eisers] stelt dat het door [eiser 3] aan [naam holding] geleende bedrag is gebruikt voor privéuitgaven, terwijl de lening bestemd was als werkkapitaal voor de bedrijfsvoering. Daarmee heeft [gedaagde] volgens [gezamenlijke eisers] als bestuurder bewerkstelligd dat [naam holding] haar verplichtingen jegens [eiser 3] niet kon nakomen. [gedaagde] betwist dat het geleende bedrag is gebruikt voor privéuitgaven en voert aan dat de gelden gebruikt zijn om schuldeisers van het bouwbedrijf te betalen.
5.22.
De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van deze vordering niet kan worden aangenomen dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat [naam holding] haar verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst niet zou kunnen nakomen. De geldleningsovereenkomst dateert van 21 februari 2022. [gezamenlijke eisers] heeft aangevoerd dat [eiser 3] niet wist dat [naam bouwbedrijf] toen al een problematische belastingschuld had. [gedaagde] betwist dat er op het moment van de geldlening sprake was van een problematische belastingschuld. Nu [gezamenlijke eisers] haar stelling niet heeft onderbouwd, kan niet worden aangenomen dat die forse belastingschuld toen al bestond. [gedaagde] stelt dat het door [eiser 3] geleende bedrag is gebruikt om schuldeisers van [naam bouwbedrijf] te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft [gedaagde] een transactieoverzicht overgelegd van de bankrekening van [naam holding] en van [naam bouwbedrijf] over de periode van 18 tot en met 20 februari 2022 (productie 35). Daaruit blijkt dat [eiser 3] op 18 februari 2022 een bedrag van € 50.000,00 heeft overgeboekt naar de bankrekening van [naam holding] . Op 19 februari 2022 is een bedrag van € 45.000,00 overgeboekt naar de bankrekening van [naam bouwbedrijf] en een dag later een bedrag van € 4.500,00. Verder blijkt uit het transactieoverzicht dat op 19 februari 2022 diverse schuldeisers zijn betaald vanuit de bankrekening van [naam bouwbedrijf] . Dat de geleende gelden zijn gebruikt om schuldeisers te betalen kan hieruit worden afgeleid. De door [gezamenlijke eisers] gestelde en onder 16 in de dagvaarding opgesomde privéuitgaven zijn niet met stukken onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] ontbreekt een voldoende onderbouwing op grond waarvan kan worden aangenomen dat de geleende gelden zijn gebruikt voor privédoeleinden.
Dat [gedaagde] ook later aanzienlijke bedragen aan [naam bouwbedrijf] onttrok ten behoeve van zichzelf, zoals door [gezamenlijke eisers] is gesteld, is ook onvoldoende onderbouwd. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat [gedaagde] persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de omstandigheid dat [naam holding] haar verplichtingen jegens [eiser 3] niet is nagekomen.
Bewijsaanbod
5.23.
[gezamenlijke eisers] heeft aangeboden haar stellingen te bewijzen. Dat bewijsaanbod zal worden gepasseerd, omdat uit al hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat door [gezamenlijke eisers] onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] als bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden.
De beslagen
5.24.
In zijn conclusie van antwoord vraagt [gedaagde] om opheffing van de gelegde conservatoire beslagen. [gedaagde] heeft hiertoe echter geen vordering (in reconventie) ingesteld, zodat de rechtbank aan opheffing niet toekomt.
Slotsom
Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, op grond waarvan naast een eventuele aansprakelijkheid van [naam holding] , [naam bouwbedrijf] en Samen Sterk ook sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] als bestuurder. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
5.25.
[naam bestuurder] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
8.755,00
(2,5 punten × € 3.502,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.656,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [gezamenlijke eisers] af,
6.2.
veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de proceskosten van € 11.656,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gezamenlijke eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.
sa/pb