Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3314

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
12001184
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:677 BWArt. 7:678 BWArt. 7:670a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens financiële benadeling cliënt en schending integriteit

Verzoekster was sinds 2007 in dienst bij STMG als ondersteunende hulp en werd op 30 september 2025 op staande voet ontslagen wegens ernstige verwijten, waaronder het zonder geldige reden overboeken van €21.875,37 van een cliënt naar haar eigen rekening, het afleggen van leugenachtige verklaringen en het niet melden van haar vermelding als erfgenaam in een concept testament.

STMG startte een intern onderzoek na een melding van bewindvoering en mentorschap over verdachte financiële transacties en schorste verzoekster. Ondanks uitnodigingen verscheen verzoekster niet voor een toelichting. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is omdat de dringende redenen zwaarwegend zijn en verzoekster onvoldoende heeft gereageerd.

Het beroep op hoor en wederhoor en het opzegverbod tijdens ziekte faalt, omdat verzoekster niet heeft meegewerkt en het ontslag op staande voet niet onder het opzegverbod valt. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag wordt afgewezen.

STMG's tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst behoeft geen beslissing meer. Verzoekster wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van €2.320,98 en in de proceskosten van STMG. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet van verzoekster is rechtsgeldig verklaard en haar verzoek tot vernietiging afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 12001184 \ HA VERZ 25-192
Beschikking van 2 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A. Unalan,
tegen
STMG ONDERSTEUNING THUIS B.V.,
te Arnhem,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: STMG,
gemachtigde: mr. S. de Lange.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met onder andere een tegenverzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de overeenkomst;
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarbij [verzoekster] niet is verschenen maar vertegenwoordigd is door haar gemachtigde, haar gemachtigde namens [verzoekster] een verklaring van haar heeft overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 6 augustus 2007 in dienst bij STMG. De functie van [verzoekster] is ondersteunende hulp (thuishulp) met een loon van laatstelijk € 1.995,17 bruto per maand voor een arbeidsomvang van 26 uur per week, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg van toepassing.
2.2.
Binnen STMG is een gedragscode van toepassing. Daarin staat voor zover van belang:
“Integer handelen is primair een persoonlijke zaak. Bedenk bij jezelf dus altijd eerst of we ons denken en doen kunnen verantwoorden. Dit op een manier die past bij een moderne zorgorganisatie die met beide benen midden in de samenleving staat. Bij twijfel geldt altijd: gebruik je gezonde verstand, wees voorzichtig en doe niets overhaast! Maak zaken bespreekbaar, overleg met je team, wijkverpleegkundige, leidinggevende of vraag advies aan de vertrouwenspersoon of de adviseur beleid, kwaliteit en communicatie. (…)
Artikel 2. Integriteit
STMG vindt het belangrijk dat al haar medewerkers eerlijk en oprecht zijn. Integriteit en integer handelen is ieders eigen verantwoordelijkheid. (…)
Artikel 6. Relatiegeschenken, giften en uitnodigingen
Ten aanzien van relatiegeschenken, giften en uitnodigingen gelden de volgende regels:
  • Wij nemen bij STMG geen geschenken of giften in geld of natura aan. Dit zorgt voor verwachtingen en schaadt onze integriteit en onafhankelijkheid. (…)
  • Aangeboden persoonlijke geschenken, giften of uitnodigen melden we bij ons team, coach of leidinggevende. Ook de geschenken die vallen onder de uitzonderingen en die je dus mag aannemen.
  • Valt het geschenk niet onder de uitzonderingen, dan wordt het geweigerd of teruggestuurd.”
2.3.
Op 3 september 2025 wordt [verzoekster] ziek wegens burn-outklachten.
2.4.
Op woensdag 24 september 2025 ontvangt STMG per e-mail een melding van AuroraZorg (bewindvoering) en [mentorschapsbedrijf] (mentorschap). Daarin staat voor zover van belang:
“ [verzoekster] heeft vanuit STMG huishoudelijke hulp verleend aan de heer [naam 1] en
daarnaast tijdelijk werkzaamheden verricht als combi-/administratiehulp. Zij heeft
daarbij, naar eigen zeggen met toestemming van haar werkgever, de financiën en
administratie van de heer [naam 1] verzorgd. (…)
Recentelijk heeft bewindvoerder [naam 2] (AuroraZorg) op de ING-afschriften
geconstateerd dat er aanzienlijke bedragen zijn overgemaakt naar de rekening van
[verzoekster] . Ook zijn er verdachte pinopnames zichtbaar, onder andere bij
winkelcentrum Kronenburg.(…)
Daarnaast hebben wij bij de heer [naam 1] een brief en een testament van de notaris
aangetroffen. Hieruit blijkt dat [verzoekster] en haar kind eerder in een concept¬
testament van de heer [naam 1] stonden vermeld.(…)”
2.5.
Naar aanleiding van voornoemde melding start STMG een intern onderzoek en schorst zij [verzoekster] op 26 september 2025, met als reden dat over haar een melding is binnengekomen over mogelijke financiële en administratieve benadeling van een cliënt. [verzoekster] wordt door STMG in de gelegenheid gesteld om haar kant van het verhaal toe te lichten op 29 september 2025, maar [verzoekster] geeft aan dat zij daartoe niet in staat is vanwege ernstige privéklachten.
2.6.
STMG blijft telefonisch en per e-mail benadrukken dat het van belang is dat [verzoekster] op 29 september 2025 aanwezig is, maar [verzoekster] verschijnt niet. Dezelfde dag nodigt STMG [verzoekster] uit voor een gesprek op 30 september 2025 en opnieuw laat [verzoekster] weten dat zij niet aanwezig zal zijn.
2.7.
Bij e-mail van 30 september 2025 wordt [verzoekster] op staande voet ontslagen. Daarin staat onder andere:
“Concreet gaat het om de volgende gedragingen:
  • Het verkrijgen van inzage in de financiële administratie van een cliënt van STMG, zonder geldige functionele aanleiding;
  • Het overboeken van geldbedragen van de bankrekening van deze cliënt naar uw eigen rekening. Uit het onderzoek dat wij hebben verricht komt naar voren dat dit om een bedrag van € 21 .878,- gaat. Mogelijk wordt dit bedrag nog hoger als het onderzoek verder gaat. Dit bedrag is dermate hoog en deze kwestie is dermate ernstig dat wij op dit moment al overgaan tot ontslag op staande voet.
  • Het opnemen van contante geldbedragen ten laste cliënt, zonder enige legitieme reden, toestemming of functionele aanleiding en gehandeld in strijd met de gedragscode van STMG zonder dit bij de werkgever kenbaar te maken;
  • Het afleggen van een leugenachtige verklaring aan de mentor van de cliënt, waarin u stelde gemachtigd te zijn om te handelen namens de cliënt met toestemming van STMG, terwijl dit niet het geval was;
  • Daarnaast blijkt uit de documenten dat u was benoemd als erfgenaam van de heer [naam 1] en ook als executeur was benoemd om zijn testament uit te voeren. Dit is inmiddels herroepen (…) Ook dit is strijdig met de gedragscode en ook dit had u moeten melden aan STMG.”

3.Het verzoek van [verzoekster]

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter:
primair:
- het ontslag op staande voet te vernietigen althans voor recht te verklaren dat het ontslag nietig is;
subsidiair:
  • haar een billijke vergoeding toe te kennen;
  • STMG te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren;
zowel primair als subsidiair:
  • STMG te veroordelen tot betaling van het achterstallige salaris van € 6.917,40 (30 september tot en 30 november 2025);
  • STMG te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
  • STMG te veroordelen de salarisspecificaties van de maanden september tot en met november 2025 te verstrekken;
  • STMG te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij heeft niet in strijd gehandeld met de arbeidsovereenkomst of de gedragscodes. Daarnaast heeft er geen deugdelijk onderzoek plaatsgevonden en is er geen sprake geweest van hoor en wederhoor.
3.3.
STMG voert aan dat de verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen.
4. Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek van STMG
4.1
STMG verzoekt dat de kantonrechter:
alle verzoeken van [verzoekster] afwijst dan wel matigt;
[verzoekster] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 2.320,98 wegens onregelmatige opzegging en voor recht verklaart dat STMG bevoegd is dit bedrag te verrekenen met een eventueel door STMG aan [verzoekster] te betalen transitievergoeding;
voorwaardelijk verzoek
3. de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn ontbindt;
4. bepaalt dat aan [verzoekster] geen transitievergoeding toekomt en er geen opzegtermijn geldt vanwege ernstig verwijtbaar handelen;
in alle gevallen
5. [verzoekster] veroordeelt in de proceskosten.
4.2
STMG legt aan haar (voorwaardelijk) verzoek ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou bestaan, moet worden ontbonden gelet op het verwijtbaar handelen van [verzoekster] of verstoring van de arbeidsverhouding dan wel een combinatie van deze gronden.
4.3.
[verzoekster] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de verzoeken van STMG.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat in deze zaak in de eerste instantie om de vraag of het door STMG aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Volgens [verzoekster] is er geen sprake van een dringende reden, heeft er geen deugdelijk onderzoek plaatsgevonden en is er geen sprake geweest van hoor en wederhoor.
Dringende reden
5.3.
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.
5.4.
Uit de ontslagbrief van 30 september 2025 volgt dat STMG vijf redenen aan het ontslag op staande ten grondslag heeft gelegd. De eerste reden betreft het verkrijgen van inzage in de financiële administratie van de heer [naam 1] . STGM onderbouwt dit onder andere met e-mailberichten van [verzoekster] aan de mentor van [naam 1] . Zo schrijft [verzoekster] in een
e-mailbericht van 16 april 2025 onder andere:
“Wat betreft bewind. Op dit moment blijf ik het gewoon doen dus er zal dan niemand
anders komen ervoor."
Op 9 april 2025 vond een intakegesprek plaats voor mentorschap voor de heer [naam 1] waarbij [verzoekster] aanwezig was. De mentor verklaart over dat gesprek onder andere:
“Al snel werd duidelijk dat bewindvoering op dat moment niet nodig werd geacht. [verzoekster]
ondersteunde de heer [naam 1] bij zijn administratie en financiën en de heer [naam 1] gaf
aan [verzoekster] hierin volledig te vertrouwen. Afgesproken werd dat bewindvoering pas aan de orde zou komen op het moment dat de heer [naam 1] zou verhuizen naar [wijknaam].
Tijdens het gesprek heb ik gevraagd of [verzoekster] bevoegd was om de financiële zaken van de heer [naam 1] te regelen, omdat dit niet gebruikelijk is binnen de thuiszorg. [verzoekster] gaf aan dat zij hiervoor toestemming had van haar leidinggevende. (…)
Op basis van het gesprek heb ik het mentorschap aangevraagd. [verzoekster] bleef de
financiën van de heer [naam 1] regelen totdat hij zou verhuizen naar een verzorgingshuis. Ze
had toegang tot de saldolijn om rekeningen over te maken en kreeg toestemming om de
pinpas te gebruiken voor boodschappen en andere noodzakelijke uitgaven.”
[verzoekster] heeft het voorgaande niet weersproken en erkent dat zij in het bijzijn van de heer [naam 1] enkele betalingen heeft verricht. Dat zij inzage had in de financiële administratie van de heer [naam 1] heeft [verzoekster] ook niet weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarvan daarom als vaststaand worden uitgegaan.
5.5.
De tweede reden waarop het ontslag op staande voet is gebaseerd, is dat [verzoekster] geldbedragen van de bankrekening van de heer [naam 1] heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Volgens STMG gaat het in totaal om een bedrag van € 21.875,37 over een periode van 21 februari 2023 tot en met 4 september 2025. Dit behoort niet tot haar werkzaamheden en is in strijd met de gedragscode. [verzoekster] erkent dat zij bedragen van de bankrekening van de heer [naam 1] heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Zij geeft als verklaring daarvoor dat de heer [naam 1] zo min mogelijk geld op zijn bankrekening wilde hebben staan vanwege een slechte relatie met zijn zoon. Hij heeft [verzoekster] daarom herhaaldelijk gevraagd om aan hem geld in contanten te betalen en dat betaalde hij weer aan haar terug per bankoverschrijving. Er was sprake van ruil. Om de heer [naam 1] contant terug te kunnen betalen nam zij geld op van haar eigen bankrekening, aldus [verzoekster] .
5.6.
De kantonrechter stelt vast dat niet is betwist dat [verzoekster] over de periode van 21 februari 2023 tot en met 4 september 2025 in totaal € 21.875,37 van de bankrekening van de heer [naam 1] heeft overgemaakt naar haar eigen bankrekening. Zelfs indien het zo zou zijn dat de heer [naam 1] hierom zou hebben verzocht in het kader van wat [verzoekster] aanduidt als ‘ruil’, had [verzoekster] zich hiervan moeten onthouden. [verzoekster] wist of behoorde te weten dat dit handelen niet tot haar werkzaamheden behoorde en dat dit in strijd was met de gedragscode en op zijn minst tot vragen zou kunnen leiden over haar integriteit. Zij had dit daarom moeten weigeren en het had voor de hand gelegen dat zij hiervan melding zou hebben gemaakt bij STMG. Bovendien heeft [verzoekster] haar standpunt, dat er in feite sprake is van ruil, niet onderbouwd en zijn er ook overigens daarvoor geen aanwijzingen. Dit terwijl, als klopt wat [verzoekster] naar voren heeft gebracht, aangenomen kan worden dat zij dit, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van bankafschriften van haar eigen bankrekening met daarop pinopnames, nader had kunnen onderbouwen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat ook dit verwijt vast is komen te staan.
5.7.
De derde reden is het opnemen van contante geldbedragen bij geldautomaten met de bankpas van de heer [naam 1] . STMG voert aan dat een grote hoeveelheid (contant) geld gepind is van de rekening van de heer [naam 1] . In totaal gaat het om een bedrag van
€ 15.550,- in de periode van 11 mei 2023 tot en met 20 augustus 2025. De transacties zijn opvallend, omdat er bij geldautomaten is gepind waar de heer [naam 1] niet zelfstandig naartoe had kunnen gaan. De 90-jarige heer [naam 1] is (zeer) slecht ter been en zijn scootmobiel was in die periode (februari / maart 2025) kapot. Verder is er volgens STMG niemand die aan de bankpas kan komen. [verzoekster] betwist dat zij voornoemde geldopnames heeft gedaan. Veel data waarop geld is opgenomen was zij niet aan het werk voor de heer [naam 1] . Zij kwam uitsluitend op woensdagen bij hem en de geldopnames zijn (grotendeels) op andere dagen verricht.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat dit verwijt niet vast is komen te staan. De enkele omstandigheid dat [verzoekster] mogelijk geld heeft kunnen opnemen is onvoldoende om aan te nemen dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. De stelling van STMG dat niemand anders kon beschikken over de bankpas van de heer [naam 1] is bovendien niet nader onderbouwd. STMG had, gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , haar standpunt meer moeten onderbouwen dan enkel met een bankafschriften waaruit opnames blijken.
5.9.
STMG legt ook als reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag dat [verzoekster] leugenachtige verklaringen heeft afgelegd aan de mentor van de heer [naam 1] . De kantonrechter is van oordeel dat dit vast is komen te staan. STMG heeft verklaringen van de mentor overlegd waarin zij verklaart dat [verzoekster] zelf heeft aangegeven dat [verzoekster] toestemming had van haar leidinggevende om de financiële zaken van de heer [naam 1] te regelen. STMG heeft hier geen toestemming voor gegeven en als hierom was gevraagd zou die toestemming ook niet zijn gegeven. [verzoekster] stelt dat zij niet om toestemming heeft gevraagd en om die reden ook niet heeft gelogen. De kantonrechter kan [verzoekster] hierin niet volgen. Het kan weliswaar zo zijn dat zij geen toestemming heeft gevraagd, maar dat neemt niet weg dat zij over het verkrijgen van toestemming heeft gelogen. Uit de berichten van de mentor blijkt dit heel duidelijk en [verzoekster] heeft niet gesteld dat dit anders is.
5.10.
De laatste reden is dat [verzoekster] stond vermeld in het (concept) testament van de heer [naam 1] als erfgenaam en executeur. [verzoekster] erkent dat zij in het concept testament stond vermeld. Toen zij daar achter kwam heeft zij naar eigen zeggen contact opgenomen met de notaris om haar uit het testament te halen. Met de erkenning van [verzoekster] staat vast dat zij in het testament stond vermeld als erfgenaam en executeur. Dat zij ook daadwerkelijk contact heeft gezocht met de notaris om haar uit het testament te halen is door STMG betwist en door [verzoekster] niet nader onderbouwd. Dit komt daarmee dus niet vast te staan, maar dat is ook niet relevant voor het verwijt dat [verzoekster] wordt gemaakt. Onverkort geldt namelijk dat [verzoekster] hiervan melding had moeten maken bij STMG.
5.11.
Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] wegen niet op tegen de aard en de ernst van de dringende reden. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van het ontslag voor [verzoekster] . Daarvoor wegen voornoemde redenen te zwaar. Dit geldt in het bijzonder voor de tweede reden waarop het ontslag op staande voet is gebaseerd. Dit handelen van [verzoekster] is onacceptabel en ontoelaatbaar.
5.12.
Het toepassen van hoor en wederhoor en het verrichten van deugdelijk onderzoek is geen harde eis voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Bovendien heeft STMG [verzoekster] voldoende in de gelegenheid gesteld om haar kant van het verhaal te vertellen, maar heeft zij dit steeds geweigerd. Voor zover [verzoekster] een beroep doet op het opzegverbod tijdens ziekte, geldt dat dit geen toepassing heeft bij een ontslag op staande voet (artikel 7:670a lid 2 onder c BW). Verder is gesteld noch gebleken dat er enig verband bestaat tussen de burn-outklachten en de reden waarvoor [verzoekster] is ontslagen.
Conclusie
5.12.
Op basis van het voorgaande is de conclusie dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en wordt het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging daarvan afgewezen.
Tegenverzoeken STMG
5.13.
Op het verzoek van STMG om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, hoeft niet te worden beslist. De voorwaarde waaronder STMG dat verzoek heeft gedaan, is namelijk niet vervuld. Hiervoor is immers beslist dat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd.
5.14.
STMG verzoekt [verzoekster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 2.320,98, zijnde één maandsalaris (inclusief 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering). Ingevolge het bepaalde in artikel 7:677 lid 2 BW Pro is [verzoekster] , die STMG een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven, aan STMG een vergoeding verschuldigd. Lid 3 van genoemd artikel bepaalt dat die vergoeding het in geld vastgestelde loon is gedurende de tijd dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. [verzoekster] heeft niet betwist dat in het onderhavige geval de eerste mogelijkheid om het dienstverband te beëindigen 1 december 2025 was (opzegtermijn van één maand bij een opzegging van 30 september 2025). Dat betekent dat een gefixeerde vergoeding ter hoogte van het salaris tot en met 31 oktober 2025 van € 2.320,98 toewijsbaar is.
5.15.
Voor zover STMG nog een bedrag aan [verzoekster] verschuldigd is, dan is zij bevoegd om dit te verrekenen met de toegewezen gefixeerde schadevergoeding. De in dat kader gevorderde verklaring voor recht wordt dus ook toegewezen.
Proceskosten
5.16.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat [verzoekster] (grotendeels) ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van STMG worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten voor het tegenverzoek worden, gelet op de samenhang met het verzoek, bepaald op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
4.1.
wijst het verzoek af,
4.2.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
op het tegenverzoek,
4.3.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van een bedrag van € 2.320,98,
4.4.
verklaart voor recht dat STMG bevoegd is het bedrag genoemd onder 4.3. te verrekenen met eventueel door STMG aan [verzoekster] te betalen vergoeding(en),
4.5.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten vastgesteld op nihil,
op het verzoek en op het tegenverzoek
4.4.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af,
4.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.
47414 \ 53331