Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3315

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
11844579
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 lid 2 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 7:259 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over servicekosten, huurachterstand en schadevergoeding bij huurovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder over de nakoming van een huurovereenkomst voor een woning. De verhuurder vordert betaling van huurachterstand, servicekosten en kosten voor het leeghalen van het gehuurde. De huurder betwist de hoogte van de vorderingen en vordert onder meer schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de verhuurder en vergoeding van hogere huurlasten.

De rechtbank oordeelt dat de huurder een huurachterstand heeft van €4.275,00, welke niet wordt gematigd wegens onvoldoende onderbouwing van verminderd huurgenot. De servicekosten over 2020-2024 worden vastgesteld op basis van Nibud-normen, waarbij de verhuurder onvoldoende bewijs heeft geleverd voor hogere kosten. De kosten voor het leeghalen van het gehuurde worden toegewezen, maar de schadevergoeding en verhuiskostenvergoeding van de huurder worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van toerekenbaarheid aan de verhuurder.

De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van €3.514,03, na verrekening van te veel betaalde servicekosten, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De proceskosten worden grotendeels aan de huurder opgelegd, terwijl in reconventie de kosten tussen partijen worden gecompenseerd.

Uitkomst: De verhuurder krijgt betaling van €3.514,03 plus rente en incassokosten toegewezen, de vorderingen van de huurder worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11844579 \ CV EXPL 25-6514
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W. van Dijk,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.L.S. Verhoog.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] verhuurt sinds 1 juli 2020 aan [gedaagde] het object gelegen aan het adres [adres] te [plaatsnaam] (hierna; het gehuurde). De huurprijs bedraagt
€ 475,00 per maand, inclusief een bedrag van € 75,00 per maand aan voorschot servicekosten.
2.2.
Op 8 oktober 2024 stuurt de gemachtigde van [eiser] een brief naar [gedaagde] met daarin onder meer dat [gedaagde] de woning heeft verlaten, dat zij de sleutels heeft achtergelaten en dat dit door [eiser] als een opzegging van de huurovereenkomst wordt beschouwd. Daarnaast wordt [gedaagde] gesommeerd om binnen vijftien dagen de achterstallige huur en energiekosten te betalen en het gehuurde leeg te halen en in nette staat achter te laten.
2.3.
Op verzoek van [gedaagde] heeft de Huurcommissie op 22 mei 2025 drie uitspraken gedaan onder de zaaknummers 2500996, 2500997 en 2502852 over de servicekosten over de jaren 2022 tot en met 2024. De Huurcommissie heeft de servicekosten voor 2022 vastgesteld op een bedrag van € 647,04, voor 2023 op een bedrag van € 900,00 en voor 2024 (berekend tot en met 23 september 2024) op een bedrag van € 472,51.
2.4.
[gedaagde] huurt vanaf 8 april 2025 nieuwe woonruimte voor een maandelijkse huurprijs van € 575,32 (zonder servicekosten).

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
de drie uitspraken van de Huurcommissie van 22 mei 2025 inzake de servicekosten vernietigt;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 9.247,04, vermeerderd met de wettelijke rente;
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de leges van in totaal € 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft de huur niet tijdig en volledig betaald. Over de jaren 2022 tot en met 2024 is een achterstand ontstaan van € 4.275,00. Daarnaast moet [gedaagde] nog een bedrag van € 2.338,65 betalen aan gas- en elektriciteitskosten over de jaren 2020 tot en met 2024. De Huurcommissie heeft uitspraken gedaan over de servicekosten over de jaren 2022 tot en met 2024. Daarbij heeft de Huurcommissie gebruik gemaakt van bedragen overeenkomstig de normen van het Nationaal Instituut Budgetvoorlichting (hierna: Nibud), maar het werkelijke verbruik ligt veel hoger. Ook heeft [gedaagde] het gehuurde niet ontruimd en leeg achtergelaten. Hij heeft daarom kosten moeten maken voor het leeghalen van het gehuurde (€ 580,80) en het afvoeren van het afval (€ 498,28), totaal ten bedrage van € 1.079,08. Dit bedrag moet [gedaagde] aan hem vergoeden.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert onder andere aan dat de gemeente het gehuurde onbewoonbaar heeft verklaard. [eiser] heeft zich om die reden intimiderend richting haar gedragen, heeft haar bedreigd, heeft de watervoorziening afgesloten en daarom heeft zij het gehuurde in paniek verlaten. Daarnaast erkent [gedaagde] dat zij acht maanden geen huur heeft betaald, in totaal is er dus een achterstand van € 4.000,00. Daarop moet de betaalde waarborgsom van € 400,00 in mindering worden gebracht, waardoor een bedrag van € 3.600,00 aan huurachterstand overblijft. Voornoemde omstandigheden rechtvaardigen een forse matiging van de huurachterstand op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Verder heeft [eiser] ook geen vordering op haar voor de servicekosten, omdat de uitspraken van de Huurcommissie in overeenstemming zijn met de toepasselijke regelgeving. [gedaagde] concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
voor recht verklaart dat sprake is van een zelfstandige woning;
voor recht verklaart dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door zonder toestemming van [gedaagde] de inboedel te verwijderen en te vernietigen;
[eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.000,00;
voor recht verklaart dat [eiser] vanaf 8 april 2025 een bedrag van € 175,32 per maand aan [gedaagde] verschuldigd is vanwege hogere huurlasten van de vervangende woonruimte;
[eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 657,45 vanwege hogere huurlasten van de vervangende woonruimte over de periode van 8 april tot en met juli 2025;
[eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.673,00 aan verhuisvergoeding;
[eiser] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.380,45 aan te veel betaalde servicekosten;
[eiser] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.
3.6.
[gedaagde] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [eiser] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij is met spoed vertrokken uit het gehuurde vanwege intimiderend en bedreigend gedrag door [eiser] . Daardoor is zij niet in staat geweest om haar inboedel veilig te stellen. Zonder toestemming en/of ingebrekestelling heeft [eiser] haar inboedel laten vernietigen. De schade die hierdoor is ontstaan moet [eiser] aan haar vergoeden. De schade die [gedaagde] vordert bestaat uit € 7.000,00 aan verlies inboedelkosten, € 657,45 aan hogere huurlasten (berekend vanaf 8 april 2025 tot en met juli 2025) en € 7.673,00 aan verhuiskostenvergoeding. Daarnaast heeft de Huurcommissie voor de jaren 2022 tot en met 2024 bedragen vastgesteld aan servicekosten, in totaal € 2.019,55. [gedaagde] heeft € 3.400,00 aan voorschotten betaald, waardoor zij over die periode een bedrag van € 1.380,45 te veel aan [eiser] heeft betaald.
3.7.
[eiser] voert verweer. Hij voert onder aan dat het gehuurde geen eigenschappen bezit van een zelfstandige woonruimte, dat de gemachtigde van [gedaagde] bij brief van 8 oktober 2024 is gesommeerd om het gehuurde leeg te halen en hij dus niet zomaar het gehuurde heeft leeg gehaald, dat de bank en andere meubels nog in het gehuurde staan en door [gedaagde] kunnen worden opgehaald en dat [gedaagde] zelf is vertrokken en hij daarom geen verhuiskostenvergoeding en vergoeding voor de hogere huurlasten verschuldigd is. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat het opmerkelijk is dat er twee versies van de huurovereenkomst in het geding zijn gebracht. Welke versie de juiste versie is, is voor de beoordeling niet relevant. Daarom wordt dit punt in het midden gelaten.
Huurachterstand
4.3.
[eiser] vordert een bedrag van € 4.275,00 aan huurachterstand, berekend over de jaren 2022 tot en met 2024. Hij onderbouwt dit met een overzicht van verschuldigde huurtermijnen en betalingen van [gedaagde] . [gedaagde] erkent dat sprake is van een huurachterstand van € 4.000,00. Daarop moet de waarborgsom van € 400,00 nog in mindering worden gebracht, zodat een bedrag van € 3.600,00 aan huurachterstand overblijft. Laatstgenoemd bedrag is zij niet aan [eiser] verschuldigd wegens verminderd huurgenot dan wel dat het gehuurde aan het huurgenot is onttrokken.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de vordering aan huurachterstand voldoende heeft gespecificeerd. Door [gedaagde] is niet onderbouwd, dat naast de betalingen die [eiser] in minder heeft gebracht, door haar nog meer betalingen zijn verricht. Ook heeft zij niet onderbouwd dat zij een waarborgsom van € 400,00 heeft betaald, terwijl dit wel op haar weg lag vanwege de betwisting van [eiser] . Er wordt daarom ook geen bedrag van € 400,00 aan waarborgsom in mindering gebracht op de huurachterstand. Dat [gedaagde] recht heeft op matiging wegens verminderd woongenot is niet (voldoende) onderbouwd. Een bedrag van € 4.275,00 aan huurachterstand ligt daarom in beginsel voor toewijzing gereed.
Servicekosten
4.5.
Naast de huurachterstand vordert [eiser] een bedrag van € 2.338,65 aan servicekosten (gas- en elektriciteitskosten) over de jaren 2020 tot en met 2024. Over de jaren 2022 tot en met 2024 heeft de Huurcommissie uitspraken gedaan. Partijen worden geacht te zijn overeengekomen wat de Huurcommissie heeft vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken na verzending van een afschrift van de uitspraak van de Huurcommissie een beslissing van de rechter vordert over de beslissing van de Huurcommissie (artikel 7:262 BW Pro). Dat laatste heeft [eiser] , binnen de gestelde termijn, gedaan. Het gevolg daarvan is dat de uitspraken van de Huurcommissie zijn komen te vervallen en de kantonrechter in volle omvang moet beoordelen of het bedrag van € 7.238,65, dat [eiser] bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht aan gas- en elektriciteitskosten over de jaren 2020 tot en met 2024, redelijk is. Op basis van het voorgaande heeft [eiser] geen belang bij zijn vordering tot vernietiging van de drie uitspraken van de Huurcommissie, aangezien deze uitspraken zijn komen te vervallen. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.6.
Op [eiser] rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast ter zake van de juistheid van de gevorderde servicekosten. [eiser] onderbouwt zijn vordering met een door hem opgestelde berekening waarin hij het verbruik van dat jaar heeft opgenomen, welk gebruik hij vermenigvuldigd met de gasprijs van dat jaar. Ook zijn foto’s van de meterstanden in het geding gebracht. [gedaagde] betwist gemotiveerd de hoogte van de gevorderde servicekosten wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing. Verder is het ook onduidelijk of de meterstanden betrekking hebben op het gehuurde, op welk moment de foto’s van de meterstanden zijn genomen en of deze herleidbaar zijn tot het gebruik van [gedaagde] , omdat er meerdere gebruikers zijn op het perceel. De Huurcommissie heeft terecht het wettelijk verbruik toegepast, aldus [gedaagde] .
De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat [eiser] heeft nagelaten deze vordering (voldoende) deugdelijk te onderbouwen, terwijl hij daar zowel bij de Huurcommissie als bij de kantonrechter voldoende gelegenheid toe heeft gehad. Zo is ook in deze procedure onduidelijk gebleken hoe [eiser] bij het verbruik per jaar is gekomen en ook de door hem gebruikte gasprijzen zijn niet nader onderbouwd. Zodoende oordeelt de kantonrechter dan ook dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Om die reden wordt ook geen aanleiding gezien om hem toe te laten tot nadere bewijslevering.
4.7.
Nu blijkt dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, moet [gedaagde] op grond van artikel 7:259 lid 1 BW Pro voor de jaren 2020 tot en met 2024 een bedrag aan servicekosten betalen dat in overeenstemming is met de geldende wettelijke voorschriften of met hetgeen als een redelijke vergoeding voor de geleverde zaken en diensten kan worden beschouwd. De kantonrechter sluit daarom net als de Huurcommissie aan bij de normen en bedragen die het Nibud hanteert, omdat deze redelijk worden geacht.
Servicekosten 2020-2021
4.8.
[gedaagde] doet tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst een beroep op de vervaltermijn van artikel 7:259 lid 2 BW Pro juncto 7:260 lid 2 BW juncto 7:265 BW voor de servicekosten over de jaren 2020 en 2021. De kantonrechter passeert dit verweer, omdat het moment waarop dit beroep gedaan is te laat is. Volgens [gedaagde] staat in de conclusie van antwoord ‘verjaringstermijn’ en moet daarin de ‘vervaltermijn’ worden gelezen. Daaraan gaat de kantonrechter voorbij. In de conclusie van antwoord staat duidelijk verjaringstermijn en dat daarmee vervaltermijn is bedoeld kan de kantonrechter daaruit niet opmaken.
4.9.
Op basis van hetgeen is overwogen in randnummer 4.5. tot en met 4.7. zal de kantonrechter aansluiten bij de normen en bedragen die het Nibud hanteert voor gas en elektriciteit voor de jaren 2020 en 2021. Net als de huurcommissie sluit de kantonrechter aan bij het wettelijk vastgestelde gasverbruik voor een zelfstandige woonruimte, dat bedraagt 400 m3 per jaar. Het gemiddelde tarief voor gas bedroeg volgens het Nibud in het jaar 2020 € 0,84 per m³. De gaskosten worden daarom gesteld op een bedrag van € 336,00 (400 m³ x € 0,84). Het wettelijk vastgestelde elektriciteitsverbruik voor een zelfstandige woonruimte bedraagt 800 kWh per jaar. Het gemiddelde tarief voor elektriciteit bedroeg volgens het Nibud in het jaar 2020 € 0,23 per kWh. De elektriciteitskosten worden daarom gesteld op een bedrag van € 184,00. In totaal stelt de kantonrechter de servicekosten over het jaar 2020 vast op € 520,00 (€ 336,00 + € 184,00).
4.10.
Het wettelijk vastgestelde gasverbruik voor een zelfstandige woonruimte bedraagt 400 m3 per jaar. Het gemiddelde tarief voor gas bedroeg volgens het Nibud in het jaar 2021 € 0,86 per m³. De gaskosten worden daarom gesteld op een bedrag van € 344,00 (400 m³ x € 0,86). Het wettelijke vastgestelde elektriciteitsverbruik voor een zelfstandige woonruimte bedraagt 800 kWh per jaar. Het gemiddelde tarief voor elektriciteit bedroeg volgens het Nibud in het jaar 2021 € 0,2205 per kWh. De elektriciteitskosten worden daarom gesteld op een bedrag van € 176,40. In totaal stelt de kantonrechter de servicekosten over het jaar 2021 vast op € 520,40 (€ 344,00 + € 176,40).
Servicekosten 2022-2024
4.11.
De servicekosten over de jaren 2022 tot en met 2024 heeft de Huurcommissie al volgens de normen en bedragen van het Nibud berekend. De kantonrechter sluit daarom aan bij deze bedragen. De bedragen zijn als volgt:
2022: € 647,04 (€ 708,00 gaskosten en € -60,96 aan elektriciteitskosten);
2023: € 900,00 (€ 580,00 gaskosten en € 320,00 aan elektriciteitskosten);
2024: € 472,51 (€ 312,13 gaskosten en € 160,83 aan elektriciteitskosten over de
periode 1 januari 2024 tot en met 23 september 2024).
Totaal servicekosten 2020-2024
4.12.
Op basis van het voorgaande bedragen de servicekosten over 2020 tot en met 2024 in totaal € 3.059,95 (€ 520,00 + € 520,40 + € 647,04 + € 900,00 + € 472,51). [eiser] stelt onweersproken dat over die periode in totaal een bedrag van € 4.900,00 door [gedaagde] aan servicekosten is betaald. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 1.840,05 aan servicekosten te veel heeft betaald.
Kosten leeghalen gehuurde en afvalkosten
4.13.
[eiser] vordert in conventie ook een bedrag van € 1.079,08 bestaande uit kosten voor het leeghalen van het gehuurde (€ 580,80) en het afvoeren van het afval (€ 498,28). Bij brief van 8 oktober 2024, zoals geformuleerd in randnummer 2.2., is [gedaagde] onder andere gesommeerd om het gehuurde binnen 15 dagen leeg te halen. Dit is een redelijke termijn, maar [gedaagde] heeft daar geen gebruik van gemaakt. Het is begrijpelijk dat, gelet op de emotionele situatie waarvan op de mondelinge behandeling ook is gebleken dat het [gedaagde] raakt en veel emoties te weeg brengt, het haar niet gelukt is om binnen deze termijn haar spullen op te halen. Desondanks ligt dit wel in haar risicosfeer. Zij had ook iemand anders de opdracht kunnen geven om haar spullen op te halen. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat haar meubels nog in het gehuurde aanwezig zijn en zij of een ander namens haar deze nog (steeds) kan komen ophalen. [eiser] heeft de gemaakte kosten verder voldoende onderbouwd en deze worden daarom toegewezen.
4.14.
Het voorgaande betekent ook dat de in reconventie gevorderde vergoeding van
€ 7.000,00 aan verlies inboedelkosten wordt afgewezen alsook de in dat kader gevorderde verklaring voor recht. [gedaagde] heeft een redelijke termijn gekregen om haar inboedel uit het gehuurde te halen, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Wettelijke verhuisvergoeding en hoge huurlasten
4.15.
[gedaagde] vordert in reconventie een verhuiskostenvergoeding van € 7.673,00 en een vergoeding van € 657,45 vanwege hogere huurlasten van de vervangende woonruimte. Zij legt aan deze vorderingen ten grondslag dat de gemeente heeft besloten om haar per direct uit het gehuurde te halen, waardoor zij voortijdig en gedwongen uit het gehuurde is vertrokken. Dat ziet op de totale situatie die door [gedaagde] is geschetst. Het is de kantonrechter duidelijk geworden dat de hele situatie [gedaagde] enorm heeft geraakt. [gedaagde] maakt daarbij de nodige verwijten aan [eiser] . Deze verwijten en andere omstandigheden hebben er uiteindelijk toe geleid dat de woonsituatie onhoudbaar is geworden. Welk deel van de vele omstandigheden aan [eiser] is toe te rekenen is onvoldoende duidelijk geworden. Beide vorderingen worden daarom om die reden afgewezen. Daarmee heeft [gedaagde] ook geen belang meer bij de gevorderde verklaring voor recht dat het gehuurde een zelfstandige woonruimte betreft.
Leges
4.16.
[eiser] heeft voor de procedures bij de huurcommissie in totaal een bedrag van
€ 1.500,00 aan leges moeten betalen, omdat [gedaagde] gelijk heeft gekregen. Hij vordert dit bedrag terug van [gedaagde] , maar heeft geen grondslag aangevoerd voor deze vordering. De vordering tot (terug)betaling van de leges wordt daarom afgewezen.
Conclusie en verrekening
4.17.
Op basis van het voorgaande is [gedaagde] in totaal nog een bedrag van
€ 5.354,08 (€ 4.275,00 aan huurachterstand en € 1.079,08 aan kosten leeghalen gehuurde en afvalkosten) aan [eiser] verschuldigd. [gedaagde] doet een beroep op verrekening. Beoordeeld moet daarom worden of [gedaagde] haar vordering van de servicekosten van
€ 1.840,05 op [eiser] , zoals vastgesteld in randnummer 4.12., kan verrekenen met voornoemd bedrag dat zij nog aan [eiser] verschuldigd is.
4.18.
Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW Pro geldt dat een schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld tegen dezelfde wederpartij en hij bevoegd is de schuld te betalen en eveneens bevoegd is de betaling van zijn vordering af te dwingen. Aan alle vereisten voor verrekening is voldaan. Daarom verrekent de kantonrechter het in randnummer 4.12. vastgestelde bedrag van € 1.840,05 aan te veel betaalde servicekosten met de huurachterstand en kosten leeghalen gehuurde en afvalkosten ten bedrage van € 5.354,08. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] nog een bedrag van € 3.514,03 aan [eiser] moet betalen. Dit bedrag wordt in conventie toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.19.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 919,12. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Gelet op de toegewezen hoofdsom van
€ 3.514,03 wordt een bedrag van € 576,45 toegewezen.
4.20.
Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, is zij in verzuim geraakt en is zij de wettelijke rente verschuldigd geworden. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 23 oktober 2024 over een bedrag van € 3.514,03.
Proceskosten
4.21.
[gedaagde] wordt in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.267,14
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.23.
In reconventie worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.514,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 576,45 aan buitengerechtelijke kosten
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.267,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
47414 / 68707