De rechtbank Gelderland behandelde een zaak waarin een 61-jarige man werd verdacht van seksueel misbruik van zijn dochter over een periode van meerdere jaren, zowel in Nederland als in het buitenland. De officier van justitie stelde dat de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar waren en ondersteund werden door getuigenverklaringen, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak vanwege gebrek aan steunbewijs.
De rechtbank analyseerde de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte, waarbij de verdachte het misbruik ontkende. Volgens de rechtbank is in zedenzaken vaak slechts één directe getuige aanwezig, wat de bewijsvoering bemoeilijkt. Artikel 342 lid 2 SvPro vereist dat de verklaring van één getuige voldoende steunbewijs moet hebben om tot een bewezenverklaring te komen.
De rechtbank concludeerde dat de getuigenverklaringen voornamelijk gebaseerd waren op horen zeggen en geen directe waarnemingen bevatten. De enige onafhankelijke getuige, de moeder, leverde een waarneming die niet strookte met de aangifte. Ook een e-mail van een instantie bood onvoldoende betrouwbaar steunbewijs. De bewijsmiddelen samen boden onvoldoende samenhang en kracht om de aangifte te bevestigen.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd de civiele vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een bewezenverklaring.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van seksueel misbruik.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-012599-25
Datum uitspraak : 24 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] (Turkije),
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
18 augustus 2025 en 13 april 2026.
1.De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 1999 tot en met 15 juli 2004 te Ede, althans in Nederland en/of in Frankrijk en/of in Spanje, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangever] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten
het brengen van zijn penis in de mond en/of de vagina van die [aangever] en/of
het brengen van zijn tong tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
het brengen van zijn vinger in de anus van die [aangever] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die
andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [aangever] , gelet op de jonge leeftijd van die [aangever] en/of gelet op het feit dat hij de vader van die [aangever] was en/of gelet op het feit dat hij een dominante rol/positie innam binnen het gezin van die [aangever] en/of
voorafgaand aan en/of tijdens het verrichten van voornoemde seksuele handelingen tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij dit deed om die [aangever] te straffen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] en/of
(hierdoor) die [aangever] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat zij zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken;
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 1999 tot en met 15 juli 2000 te Ede, althans in Nederland en/of in Frankrijk en/of in Spanje, met [aangever] (geboren op [geboortedag] 1984) die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangever] , te weten
het brengen van zijn penis in de mond en/of de vagina van die [aangever] en/of
het brengen van zijn tong tussen de schaamlippen van die [aangever] en/of
het brengen van zijn vinger in de anus van die [aangever] ;
2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 juli 1996 tot en met 15 juli 2002 te Ede, althans in Nederland en/of in Frankrijk en/of in Spanje, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [aangever] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten
het brengen van zijn tong over de schaamlippen en/of de vulva van die [aangever] en/of
het betasten van de vulva en/of de borsten van die [aangever] en/of
het (tong)zoenen van die [aangever] ,
waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die
andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte
misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [aangever] , gelet op de jonge leeftijd van die [aangever] en/of gelet op het feit dat hij de vader van die [aangever] was en/of gelet op het feit dat hij een dominante rol/positie innam binnen het gezin van die [aangever] en/of
voorafgaand aan en/of tijdens het verrichten van voornoemde ontuchtige handelingen tegen die [aangever] heeft gezegd dat hij dit deed om die [aangever] te straffen, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of
voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangever] en/of
(hierdoor) die [aangever] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat zij zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
2.De standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij stelt dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en de verklaringen van de getuigen steunbewijs opleveren. De verklaring van de broer van de moeder van aangeefster over het contact met de [instantie] bevestigt in ieder geval de context van de aangifte en kan dus ook als steunbewijs worden gebruikt.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Zij vindt de aangifte niet betrouwbaar en volgens haar is er geen steunbewijs voor de tenlastelegging.
3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Verklaringen aangeefster en verdachte
Aangeefster [aangever] heeft – kort samengevat – verklaard dat haar vader (verdachte) haar ongeveer vanaf haar twaalfde jaar seksueel heeft misbruikt. Het misbruik zou op haar twaalfde begonnen zijn met aanraken boven de kleding en dat ging steeds verder, tot hij haar op haar vijftiende ook penetreerde en later ook seks met haar had. Het misbruik gebeurde ook op vakantie in Frankrijk. Naast penetratie moest zij hem ook oraal bevredigen.
Tegenover de verklaringen van aangeefster staan de verklaringen van verdachte. Hij heeft steeds, zowel tijdens zijn politieverhoor als op de terechtzitting, stellig ontkend dat hij zijn dochter seksueel heeft misbruikt.
Wettelijk kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er
slechts twee personen direct betrokken en aanwezig zijn bij de (beweerde) seksuele handelingen, namelijk het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Er zijn veelal geen (directe) getuigen die daarvan iets hebben waargenomen.
Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van één getuige, in dit geval de verklaring van aangeefster. Deze bepaling heeft als doel te zorgen voor een deugdelijke bewijsbeslissing. De rechter kan niet tot een bewezenverklaring komen als door één getuige feiten en omstandigheden naar voren worden gebracht die op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs moet ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van die getuige, dat wil zeggen dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van die getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Een ‘de auditu-verklaring’ (een van horen zeggen-verklaring), levert op zichzelf onvoldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren.
Voor een bewezenverklaring is daarnaast vereist dat de rechtbank niet alleen over de wettige bewijsmiddelen beschikt, maar op basis daarvan ook de overtuiging heeft dat de verdachte het hem verweten feit heeft begaan. Blijft er ruimte voor gerede twijfel daaraan, dan moet de rechtbank de verdachte vrijspreken.
Beoordeling
De rechtbank wordt zoals gezegd geconfronteerd met twee tegenstrijdige lezingen over de vraag of de tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden: de aangifte waarin die handelingen worden beschreven, en de stellig ontkennende verklaringen van verdachte.
De vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of er gegeven die omstandigheid voldoende bewijs is, of niet, dat verdachte de feiten die zijn tenlastegelegd, heeft gepleegd. De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of de aangifte voldoende betrouwbaar is en zo ja, op de vraag of er voldoende steunbewijs is voor die aangifte.
De aangifte
Hoewel de aangifte op ondergeschikte punten afwijkt van het eerdere informatieve gesprek, komen de drie door haar afgelegde verklaringen in hoofdlijnen overeen. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand al ongeloofwaardig en onbetrouwbaar, zoals de verdediging heeft bepleit.
De vraag is echter of sprake is van voldoende (betrouwbaar) steunbewijs. Die vraag beantwoordt de rechtbank met: nee. Hieronder zet de rechtbank uiteen, waarom.
De getuigenverklaringen
De rechtbank stelt vast dat de getuigenverklaringen in het procesdossier in essentie allen zijn gebaseerd op dezelfde bron, namelijk (de verklaringen van) aangeefster zelf, en niet op een eigen, directe waarneming. Zo blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat zij zelf geen seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster hebben gezien. [getuige 1] put de informatie voor zijn verklaring uit verhalen die hij van zijn moeder heeft gehoord, die die informatie op haar beurt weer baseert op wat aangeefster haar heeft verteld. Getuige [getuige 3] (het neefje van aangeefster) heeft slechts via via gehoord over het vermeende misbruik. Ook dat is dus geen directe getuige.
De betrouwbaarheid van de informatie uit deze verklaringen kan, zeker door het tijdsverloop sinds de periode waarover de aangifte zich uitstrekt, niet voldoende worden getoetst. Dat maakt dat die verklaringen niet bruikbaar zijn als (steun)bewijs.
De enige onafhankelijke verklaring die stamt uit eigen waarneming, is de getuigenverklaring van moeder. Die verklaart zelf te hebben gezien dat verdachte, haar toenmalige echtgenoot, met aangeefster tijdens een vakantie in Frankrijk onder een deken lagen en dat de deken bewoog. Toen moeder de deken eraf haalde hadden vader en dochter hun kleding aan.
De rechtbank stelt vast dat dat laatste niet past bij de verklaring van aangeefster over dit incident. Aangeefster verklaart namelijk dat verdachte op dat moment met zijn geslachtsdeel in haar geslachtsdeel ging. Bovendien, zelfs als de rechtbank uitgaat van de juistheid van de verklaring van moeder, is deze enkele waarneming van onvoldoende gewicht om te kunnen gelden als steunbewijs voor het veel meer omvangrijke verwijt van jarenlang ernstig seksueel misbruik. Ook het gegeven dat verdachte het gestelde misbruik niet heeft ontkend ten overstaan van moeder, is onvoldoende. Het niet ontkennen is immers nog geen bekentenis.
De e-mail van de [instantie]
De e-mail van de [instantie] biedt evenmin voldoende steunbewijs. De rechtbank kan aan de hand van de e-mail namelijk niet met voldoende zekerheid vaststellen wanneer die e-mail is verzonden, met welk e-mail adres dat is gedaan en of die e-mail authentiek is. Bovendien is ook de inhoud van deze e-mail klaarblijkelijk gebaseerd op verklaringen van horen zeggen. Een en ander maakt dat ook die informatie, zeker zo lang na de periode waarover de aangifte zich uitstrekt, niet voldoende op betrouwbaarheid en onafhankelijkheid kan worden getoetst.
De bewijsmiddelen als geheel
Het is naar het oordeel van de rechtbank ook niet zo dat de bewijsmiddelen in combinatie met elkaar wél voldoende steunbewijs leveren voor de aangifte. Daarvoor is volgens de rechtbank de bewijswaarde van ieder van die bewijsmiddelen te zwak en sluiten ze onvoldoende op elkaar aan om het beeld te bevestigen dat oprijst uit de aangifte over wat er zich in de ten laste gelegde periode(s) tussen vader en dochter zou hebben afgespeeld.
Conclusie
De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat er onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor de verklaring van aangeefster om wettig en overtuigend te kunnen bewijzen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde handelingen heeft gepleegd. De rechtbank spreekt verdachte daarom integraal vrij, dus zowel van het onder feit 1 primair en subsidiair als van feit 2 tenlastegelegde.
4.De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 67.500 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Overweging van de rechtbank
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
5.De beslissing
De rechtbank:
spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
mr. F.J.H. Hovens en mr. A. Tegelaar zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.