Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3348

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
05.109878.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor verduistering bijna 3 ton als penningmeester

De rechtbank Gelderland heeft op 24 april 2026 een 76-jarige man uit Hoek van Holland veroordeeld voor verduistering van 293.477,27 euro. De man was penningmeester van een stichting in Tiel en heeft gedurende ruim vijf jaar geld van de stichting verduisterd om zichzelf te verrijken. Pas nadat het geld bijna op was en hij uit zijn functie werd ontheven, gaf hij zichzelf aan bij de politie.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het geld wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte is strafbaar en er zijn geen omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten. De officier van justitie eiste 14 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk, zonder taakstraf. De verdediging pleitte voor geen gevangenisstraf vanwege persoonlijke omstandigheden en het risico op verlies van inkomen en huisvesting.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de lange duur, het grote bedrag, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn leeftijd en het feit dat hij maandelijks een bedrag terugbetaalt. De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar op, gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur, vervangbaar door 120 dagen hechtenis.

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen en de reclassering acht toezicht niet nodig. De uitspraak werd gedaan door mr. F.J.H. Hovens, mr. Y. van Wezel en mr. H.M. Stratenus.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een taakstraf van 240 uur wegens verduistering van bijna 300.000 euro.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-109878-25
Datum uitspraak : 24 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1950 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en/of [woonplaats] en/of ’s-Gravenzande en/of Kerk Avezaath en/of Dordrecht en/of Elst en/of Breukelen en/of Rumpt en/of ’s-Hertogenbosch en/of Hoorn en/of Bussum, althans in Nederland en/of Spanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [stichting] , d.d. 24 december 2024, p. 6-8 (met diverse bijlagen waaronder bankafschriften, p. 10-124);
- het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 april 2025, p. 187-197;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op
een ofmeerdere tijdstippen in
of omstreeksde periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024 te Tiel en
/of[woonplaats] en
/of’s-Gravenzande en
/ofKerk Avezaath en
/ofDordrecht en
/ofElst en
/ofBreukelen en
/ofRumpt en
/of’s-Hertogenbosch en
/ofHoorn en
/ofBussum, althans in Nederland en
/ofSpanje opzettelijk 293.477,27 euro, althans een geldbedrag, althans enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [stichting] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie vindt een taakstraf niet passend en ziet – ondanks de persoonlijke omstandigheden van verdachte – geen reden om van de richtlijnen af te wijken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf niet passend is gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daartoe is ook nog aangevoerd dat een gevangenisstraf betekent dat verdachte zijn baan zal verliezen en daardoor niet meer in staat zal zijn om zijn schuld terug te betalen. Als het inkomen van verdachte wegvalt, zal de partner van verdachte de huur niet kunnen betalen en dakloos worden. Hoewel het een lange periode en een groot bedrag betreft, staan die gevolgen niet in verhouding tot de ernst van het feit.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan verduistering tijdens zijn werkzaamheden als penningmeester voor de [stichting] . Hij heeft gedurende een periode van ruim vijf jaar bijna 3 ton weggenomen van de stichting waar hij als vrijwilliger penningmeester voor was, enkel en alleen om zichzelf te verrijken. Daarbij heeft hij op geen enkele wijze oog gehad voor de (financiële) gevolgen daarvan voor de stichting. Pas toen aan het licht kwam dat het geld van de stichting bijna op was en de stichting besloot verdachte uit zijn functie te ontheffen, heeft verdachte besloten zichzelf aan te geven bij de politie. Door op deze manier te handelen heeft hij de stichting ernstig benadeeld en het door de stichting in hem gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden. Dit rekent de rechtbank hem aan.
Uit het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 18 maart 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet in staat bleek om zelfstandig zijn gedrag te stoppen, terwijl hij zich er van bewust van was dat hij strafbaar bezig was en dat hij uiteindelijk gepakt zou worden. Hij negeerde deze situatie, wat wijst op een vermijdende copingstijl. Verdachte lijkt over het algemeen echter goed te functioneren en hij is ook niet eerder met justitie in aanraking gekomen. Beschermend is dat zijn sociale netwerk inmiddels op de hoogte is van het delict. Verder heeft zijn vrouw de financiën overgenomen. De reclassering vindt gelet op het lage recidiverisico interventies of toezicht niet nodig. Een gevangenisstraf zal zijn mogelijkheid om het geld terug te betalen beperken, omdat verdachte dan zijn werk kwijt zal raken.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, maar ook naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt. Hij werkt nog om zijn schuld, voor zover mogelijk, te kunnen terugbetalen. Sinds een aantal maanden maakt hij hiertoe maandelijks een bedrag over naar de stichting. Een gevangenisstraf zou betekenen dat hij zijn baan verliest en hij deze schuld niet verder kan afbetalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Wel moet verdachte volgens de rechtbank een ferme waarschuwing krijgen in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 uren vervangende hechtenis.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op een
taakstrafvan
240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. Y. van Wezel en
mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
mr. F.J.H. Hovens en mr. H.M. Stratenus zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024601242, gesloten op 15 april 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.