Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3350

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
05/294678-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bedreiging, mensenhandel en wapenbezit onder adolescentenstrafrecht

De rechtbank Gelderland heeft op 24 april 2026 een 19-jarige verdachte veroordeeld voor medeplegen van bedreiging, mensenhandel en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De feiten betreffen het werven van een minderjarige om cobra’s bij woningen te plaatsen, het bedreigen van bewoners met ernstige misdrijven en het bezit van een speelgoedpistool dat als wapen wordt aangemerkt.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde voorbereidingsfeit wegens onvoldoende bewijs. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte de minderjarige heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting, de bedreiging mede heeft gepleegd en het speelgoedpistool in bezit had. De bedreiging leidde tot angst en onveiligheidsgevoelens bij het slachtoffer en haar ouders.

De rechtbank paste het adolescentenstrafrecht toe vanwege de jonge leeftijd van verdachte en zijn ontvankelijkheid voor pedagogische begeleiding. De straf bestaat uit 70 dagen jeugddetentie waarvan 23 dagen voorwaardelijk, een werkstraf van 150 uur en een contact- en locatieverbod van drie jaar. Daarnaast werd een schadevergoeding van €500 aan het slachtoffer toegekend. De Apple iPhone van verdachte werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 70 dagen jeugddetentie (waarvan 23 voorwaardelijk), 150 uur werkstraf, contact- en locatieverbod en verbeurdverklaring van zijn telefoon.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/294678-25
Datum uitspraak : 24 april 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.H.H. Meulemeesters, advocaat in Zeist.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2025 tot en met 3 november 2025 te Doetinchem en/of [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, als bedoeld in artikel 157 Wetboek Pro van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen
te weten een telefoon met daarop
- een kaart waarop de betreffende woning is omcirkeld en/of een bericht waarin de coördinaten van de betreffende woning worden vermeld,
- een bericht met daarin de naam van één van de bewoners van de betreffende woning,
- instructies over de wijze waarop het explosief geplaatst moet worden,
- instructies over de te dragen kleding tijdens het plaatsen van het explosief,
- afspraken over het geldbedrag dat verdiend kan worden met het plaatsen van het explosief en/of
- afspraken over het regelen van cobra's, een bivakmuts en/of een vluchtauto, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2.
hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2025 tot en met 3 november 2025 te [woonplaats] en/of Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde] en/of diens ouders, althans de bewoners van de woning gelegen aan de
[adres] te [woonplaats] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, en/of met brandstichting door die [benadeelde] en/of diens ouders via de politie en/of het strafdossier de woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte een of meerdere cobra's gaat afschaffen en/of deze vervolgens voor de deur en/of op de oprit van de woning aan [adres] te [woonplaats] zal gooien en/of plaatsen, althans
woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3.
hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2025 tot en met 25 oktober 2025 te [woonplaats] en/of Doetinchem, althans in Nederland, op een of meerdere tijdstip(pen) een ander, te weten [medeverdachte] (geboren op [geboortedag] 2011), heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [medeverdachte] , terwijl die [medeverdachte] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en/of terwijl die [medeverdachte] een persoon in een kwetsbare positie was, immers heeft hij, verdachte, die [medeverdachte] een geldbedrag geboden om cobra’s bij woningen te gooien;
4.
hij op of omstreeks 3 november 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een
sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

2.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Door de verdediging is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat hij is aangehouden en verhoord op basis van onrechtmatig verkregen bewijs. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het gebruik als bewijs van de ‘spontane’ verklaring van medeverdachte [medeverdachte] en de onderzoeksresultaten uit de Iphone 11 in de zaak van [medeverdachte] op gespannen voet staan met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De politie heeft [medeverdachte] voorafgaand aan zijn verklaring niet de cautie gegeven en heeft vervolgens wel verklaringen bij hem uitgelokt, waarmee belastend bewijs jegens verdachte is ontstaan, aldus de raadsman. De telefoon van [medeverdachte] is volgens de raadsman – ondanks zijn verzet – in beslaggenomen. Artikel 96 van Pro het Wetboek van Strafvordering vereist echter dat sprake is van een verdachte, voordat hiertoe kan worden overgegaan. De toestemming van de ouders van [medeverdachte] voor het afstaan van de telefoon dekt dit verzuim volgens de raadsman niet. Het voorgaande zal in de zaak van [medeverdachte] moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel tot bewijsuitsluiting en omdat de verkregen resultaten van invloed zijn geweest op het verdere opsporingsonderzoek in de zaak van verdachte, moeten hier ook gevolgen aan worden verbonden in de zaak van verdachte.
De officier van justitie heeft gesteld dat op pagina 180 van het procesdossier de verdenking van verdachte is genoemd. Deze is ontstaan op het moment dat de vader van [medeverdachte] heeft gebeld naar de politie en foto’s van het Snapchatgesprek heeft verstuurd. Hierdoor is de dreiging ontstaan en dat was de basis om de telefoon van [medeverdachte] in beslag te nemen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de vader van [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ) op 24 oktober 2025 om 22:37 uur contact heeft opgenomen met de politie om zorgen te uiten. Hij had foto’s van Snapchatgesprekken die hij had gezien op het Snapchataccount van [medeverdachte] , die de ouders van [medeverdachte] op hun eigen telefoon mee kunnen lezen. De vader van [medeverdachte] vertelde dat er een bedreiging zou plaatsvinden die avond en dat ‘ene’ [verdachte] uit [woonplaats] opdracht hiervoor zou hebben gegeven. De foto’s zijn door de vader van [medeverdachte] toegezonden aan de politie. Later kwam er een tweede melding van de vader van [medeverdachte] dat [medeverdachte] van huis was vertrokken. Op 25 oktober 2025 om 00:50 uur is [medeverdachte] door de politie staande gehouden. [medeverdachte] vertelde dat hij onderweg was naar de studio van [verdachte] om te gaan chillen. Om 01:20 uur zijn vervolgens de ouders van [medeverdachte] ter plaatse gekomen en om 01:50 uur zijn zij in afwachting van overleg met de hulpverlening naar het politiebureau gegaan. [medeverdachte] begon hierna uit zichzelf te vertellen, waarop de agenten tegen hebben hem gezegd dat hij niets hoefde te vertellen als hij dat niet wilde. Van het uitlokken van een verklaring bij [medeverdachte] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Op dit moment is aan hem niet officieel de cautie gegeven, omdat hij (nog) geen verdachte was. [medeverdachte] vertelde vervolgens dat [verdachte] hem had gevraagd of hij een klusje voor hem wilde doen, namelijk twee cobra’s bij huizen neergooien om mensen te laten schrikken. Om 04:30 uur is in overleg met de ouders van [medeverdachte] zijn telefoon ingenomen, vanuit veiligheidsoogpunt en om onderzoek te verrichten. Hierna is [medeverdachte] met zijn ouders om 04:45 uur naar huis gegaan. [1] De rechtbank constateert dat [medeverdachte] , op het moment dat hij om 04:45 uur naar huis ging, niet was aangehouden als verdachte. Op 25 oktober 2025 om 06:13 uur is de telefoon van [medeverdachte] in beslag genomen ter waarheidsvinding van een strafbaar feit, op grond van artikel 94 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv). [2]
Anders dan door de raadsman van verdachte is gesteld, is de telefoon van [medeverdachte] op 25 oktober 2025 om 06:13 uur officieel in beslag genomen, om daarmee redelijkerwijze te kunnen bijdragen aan het aan de dag brengen van de waarheid ter zake van een strafbaar feit waarvan de verdenking bestaat dat het is begaan. Deze verdenking was bij de politie op dat moment ontstaan door de uitspraken die [medeverdachte] had gedaan nadat zijn ouders melding hadden gedaan van de Snapchatgesprekken. [medeverdachte] was op dat moment nog niet aangemerkt als verdachte, maar dit is voor de inbeslagname op grond van artikel 94 lid 1 Sv Pro ook niet vereist. Het vermoeden van een strafbaar feit was hiervoor voldoende. Het onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] is vervolgens verricht met toestemming van de rechter-commissaris.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv in de zaak van [medeverdachte] , waardoor sprake zou zijn van onrechtmatig verkregen bewijs in de zaak van verdachte. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [3]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de feiten 2, 3 en 4 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verdediging betwist dat de telefoon, waarmee de berichten zijn gestuurd, bestemd was om een ontploffing teweeg te brengen. Daarom is er geen sprake van voorbereiding als bedoeld in artikel 46 Sr Pro. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman eveneens bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op bedreiging. Ook ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hiertoe is aangevoerd dat geen sprake was van een uitbuitingssituatie en als hiervan al sprake zou zijn, er in ieder geval bij verdachte geen sprake was van het oogmerk tot uitbuiting. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder feit 4 tenlastegelegde.
Beoordeling door de rechtbank
Door de politie is de telefoon van [medeverdachte] onderzocht. In deze telefoon is een gesprek aangetroffen via Snapchat tussen ‘ [account 2] ’ en ‘ [account 1] ’ op 24 oktober 2025 tussen 17:37:04 uur (UTC+0) en 18:45:31 uur (UTC+0), waarbij de volgende berichten zijn gestuurd:
“ [account 2] : zin om te cashen?
[account 1] : Hoe
[account 2] : Iemand plat leggen
[account 1] : Kogels?
[account 1] : Geven
[account 2] : Appels kan ook
[account 2] : Laten schrikken is ook genoeg
(…)
[account 2] : Iemand even trauma’s geven
[account 2] : Heb jij Signal
[account 2] : ?
(…)
[account 2] : Download ff
(…)
[account 2] : En gaat ook om [benadeelde]
[account 2] : 2 namen”
Vervolgens start er een gesprek via Signal diezelfde dag om 19:47 uur (UTC+2) tussen ‘ [account 2] ’ en [account 1] . [account 2] stuurt hierbij een foto van een kaartje van google-maps waarin met een rode cirkel een huis aan [adres] in [woonplaats] is aangegeven. Hierna worden de volgende berichten gewisseld:
“ [account 2] : Huis [nummer] is van [benadeelde]
[account 2] : Gooi gwn 1 cobra voor de deur
[account 2] : Of 2 gestrapte
[account 2] : Ze hebben ring deurbel
[account 2] : Kijk daar voor uit
[account 1] : Ja hoeveel krijg ik gepayt
[account 2] : Dus als je gek doet doe t met je gezicht bedekt
[account 2] : Hvl wil je
[account 2] : Je hebt 2 huizen te gaan
[account 2] : Ben nu vol op zoek nr die 2e huis
[account 1] : Noem prijs is wel risk
[account 2] : Maaaaaaar als je genakt word opdat je dan dom hebt gedaan is stress op jou
[account 2] : Is op risk
[account 2] : Tenzij jij 3 straten van de voren al je masker op hebt
[account 2] : En extra kleren meeneemt die je niet gebruikt
[account 2] : Snel trui ofz wisselen
[account 1] : Ja ja en die kleren zet ik in de fik
[account 1] : Wat wil je cobra tegen de deur of zal ik hem gooien
[account 2] : Gwn gooien op oprit gwn laten schrikken
[account 2] : Stel ze doen waar iets te gek of ik vind dat ze niet gedragen
[account 2] : Dan word t maar deur eruit blazen
[account 2] : Desnoods zet ik 200 kabouters in de tuin
[account 2] : Satanic ritual
[account 2] : [nummer] , [nummer]
[account 2] : Coördinaties van t huis
[account 1] : Hoeveel krijg ik
[account 2] : Hvl wil je
[account 1] : Bro noem iets wat je goed vind
[account 2] : 250€ ?
[account 2] : En de overige declaraties zijn op mij
(…)
[account 2] : En vlucht auto of iets
[account 2] : Hoe wil je dat?” [4]
In de nacht van 24 op 25 oktober 2025 heeft de politie [medeverdachte] staande gehouden, waarna zijn ouders zijn gekomen en zij naar het politiebureau zijn gegaan in afwachting van de hulpverlening. Op het politiebureau heeft [medeverdachte] het volgende gezegd:
"Weetje hij vroeg mij of ik een klusje wou doen voor vijfhonderd euro. Ik moet dan een cobra bij iemand voor de deur leggen. O ja ik heb daar ook coördinaten van gekregen, van die woningen. Van beide adressen waar ik moest laten schrikken. Wil je zien want het zijn twee adressen?" (…) “ [naam] en ik waren onderweg naar [woonplaats] . Het was echt niet vandaag maar [verdachte] vroeg of ik voor hem een klusje wilde doen. Jullie kennen hem wel. Hij vroeg of ik twee cobra's bij de huizen neer wilde gooien. Dat ze wel even goed schrikken. Maar ik wist niet of ik dat wel moest gaan doen en heb daarom ook aan [naam] en andere vrienden gevraagd of zei het zouden doen voor 500 euro. Ik wist nog niet of ik het wel zou gaan doen. (…) Maar [verdachte] , mijn opdrachtgever, heeft mij dus gesnitcht. Maar ik ga dat niet doen hoor. Hij gaat mij gewoon gebruiken omdat ik minderjarig ben en makkelijk ben voor hem. Hij is zelf 18 a 19 jaar en ik ben 14.” [5]
[medeverdachte] heeft tijdens zijn verhoor na zijn aanhouding op 3 november 2025 verklaard dat hij het gevoel heeft gehad dat hij onder druk werd gezet om dingen te doen die hij niet wilde. Als hij ‘nee’ zou zeggen, dan zou er een molotov of cobra bij zijn deur worden gegooid. [medeverdachte] wil niet dat er door zijn fouten iets met zijn familie gebeurt, waardoor hij geen ‘nee’ wilde zeggen. Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) vroeg hem om zoiets te doen en hij zou dat net zo goed bij [medeverdachte] kunnen doen, want hij is zo. [6]
Op 1 november 2025 heeft de politie met [benadeelde] , 14 jaar oud, en haar ouders gedeeld dat de politie informatie had ontvangen over een bedreiging aan hun adres en dat deze bedreiging met name was gericht tegen [benadeelde] . [benadeelde] en haar ouders hadden geen idee waar de bedreigingen vandaan kwamen. Zij gaven aan erg geschrokken te zijn en ook voor de eventuele gevolgen met betrekking tot hun eigen veiligheid en dat van hun kinderen. Hierop is door de politie een afspraak op locatie gemaakt. [7]
Verdachte heeft verklaard dat hij via Snapchat met het account ‘ [account 2] ’ en via Signal als ‘ [account 2] ’ naar [medeverdachte] berichten heeft gestuurd. Verder heeft hij verklaard dat ‘appels’ cobra’s zijn. Verdachte heeft specifiek [medeverdachte] benaderd, omdat hij wist dat [medeverdachte] op deze manier (de rechtbank begrijpt in straattaal) kon praten. Hij wist dat [medeverdachte] een straatrat was, hij wist ook dat [medeverdachte] 14 jaar oud was en dat [medeverdachte] wel eens van huis wegliep. [8]
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk (onder meer) voorwerpen bestemd tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, verworven of voorhanden heeft gehad. Derhalve zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die verdachte bij zich had ‘bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf’. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213).
In deze zaak heeft verdachte via zijn telefoon gesprekken gevoerd met [medeverdachte] , maar de politie heeft geen andere middelen aangetroffen bij verdachte die in verband zouden kunnen worden gebracht met de voorbereiding van een in artikel 157 Sr Pro genoemd misdrijf. De rechtbank is gelet daarop – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat dit onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde en spreekt verdachte daarom vrij van feit 1.
Ten aanzien van feit 2:
Voor een veroordeling voor een strafbare bedreiging is vereist dat degene die bedreigd wordt daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Verdachte heeft via Snapchat en Signal met [medeverdachte] een gesprek gevoerd over het laten schrikken van [benadeelde] door cobra’s aan de deur van haar woning te hangen en/of op de oprit bij haar woning te gooien. De rechtbank is van mening dat verdachte, door op deze wijze een gesprek te voeren, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde] en/of haar ouders op de hoogte zouden raken van dit gesprek en dat dit voor hen bedreigend kan zijn. Ondanks dat deze gesprekken enkel hebben plaatsgevonden in een gesprek tussen verdachte en [medeverdachte] , bestaat altijd het risico dat de inhoud van deze gesprekken op enigerlei wijze naar buiten komt. In dit geval zijn [benadeelde] en haar ouders hiervan ook op de hoogte geraakt, namelijk via de politie op 1 november 2025. Zij waren hier erg van geschrokken en zaten dagen in het ongewisse over uit welke hoek de bedreigingen kwamen, waarop een afspraak op locatie is gemaakt op hun adres en zij 112 moesten bellen bij onraad.
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde uitlatingen van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling en/of met brandstichting van [benadeelde] en haar ouders opleveren.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 3:
Bij het onder feit 3 tenlastegelegde dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte kan worden beschouwd als een vorm van mensenhandel te weten uitbuiting van een minderjarige in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.
De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van de uitbuiting van mensen. Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr stelt uitbuiting van minderjarigen afzonderlijk strafbaar. Het artikel ziet, voor zover thans van belang, op het werven van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is, waaronder het uitbuiten door het (laten) plegen van strafbare feiten. Het gebruik van dwangmiddelen, zoals beschreven in het eerste lid, sub 1 en sub 4, is hierbij niet vereist. De overtuiging van de wetgever is dat aan de exploitatie van minderjarigen ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ inherent is. Wel moeten de handelingen en het oogmerk van uitbuiting worden bewezen. Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr dient aldus te zijn voldaan aan een drietal elementen. Ten eerste moet worden vastgesteld dat er sprake is van feitelijke handelingen, in dit geval het werven van een ander, ten tweede moet worden vastgesteld of verdachte hierbij het oogmerk van uitbuiting had en ten derde moet sprake zijn van minderjarigheid van de ander (welk element is geobjectiveerd en waarbij opzet of schuld bij verdachte dus niet vereist is).
Verdachte heeft [medeverdachte] benaderd met de vraag of hij cobra’s aan de deur van het huis van [benadeelde] en haar ouders wilde hangen en/of op de oprit wilde gooien voor geld. Daar zou ook nog een tweede woning bij komen. Vervolgens is in een gesprek via Signal met een googlemaps kaartje het adres gedeeld, inclusief coördinaten, waar dit moest gebeuren. [medeverdachte] zou hier in totaal 500 euro voor krijgen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee [medeverdachte] heeft geworven. Vervolgens is de vraag of verdachte ook het oogmerk op uitbuiting heeft gehad. Alhoewel het slechts gaat om een beperkte duur waarin [medeverdachte] door verdachte is geworven, ging het wel om zeer risicovolle handelingen. [medeverdachte] liep hiermee het risico te worden aangehouden voor het plegen van een ernstig strafbaar feit en daarnaast zou hij blootgesteld worden aan de risico’s die verbonden zijn aan het plaatsen of gooien van een cobra bij woningen. Verdachte heeft dit zelf ook erkend door tegen [medeverdachte] te zeggen dat de ‘risk’ op hem is. Hij heeft er bewust voor gekozen om de 14-jarige [medeverdachte] te werven. Naar zijn idee was [medeverdachte] een ‘straatrat’ waarvan hij wist dat die regelmatig van huis wegliep. Verdachte heeft er hiermee bewust voor gekozen om een minderjarige in te willen zetten voor de uitvoering van het strafbare feit en daarmee zelf de risico’s te ontlopen. Dat het allemaal slechts bluf was, zoals verdachte heeft verklaard, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook het oogmerk had op de uitbuiting van [medeverdachte] , die minderjarig was en in een kwetsbare positie verkeerde. Bij minderjarigen wordt er immers van uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Daarnaast was [medeverdachte] kwetsbaar vanwege zijn problemen thuis. De rechtbank acht dan ook het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 4:
Op 3 november 2025 is op de slaapkamer van verdachte in de woning aan [adres] in [woonplaats] een balletjespistool aangetroffen. [9] Dit balletjespistool is door de politie onderzocht en gecategoriseerd, hieruit volgt dat het gaat om een speelgoedpistool van het merk Strike Industies. Gesteld is dat dit voorwerp niet valt onder de speelgoedrichtlijn, waardoor het een wapen betreft in de zin van artikel 2 lid Pro 1, categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder Pro A van de regeling wapens en munitie. [10]
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het onder feit 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder de feiten 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
2.
hij in
of omstreeksde periode van 24 oktober 2025 tot en met 3 november 2025 te [woonplaats] en/of Doetinchem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,[benadeelde] en
/ofdiens ouders
, althans de bewoners van de woning gelegen aan de
[adres] te [woonplaats]heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, en/of met brandstichting door die [benadeelde] en
/ofdiens ouders via de politie
en/of het strafdossierde woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte
een ofmeerdere cobra’s gaan/
gaat aanschaffenen
/ofdeze vervolgens voor de deur en/of op de oprit van de woning aan [adres] te [woonplaats] zal gooien en/of plaatsen, althans
woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 24 oktober 2025 tot en met 25 oktober 2025 te [woonplaats] en/of Doetinchem, althans in Nederland, op een of meerdere tijdstip(pen) een ander, te weten [medeverdachte] (geboren op [geboortedag] 2011), heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van die [medeverdachte] , terwijl die [medeverdachte] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt en
/ofterwijl die [medeverdachte] een persoon in een kwetsbare positie was, immers heeft hij, verdachte, die [medeverdachte] een geldbedrag geboden om cobra’s bij woningen te gooien;
4.
hij op
of omstreeks3 november 2025 te [woonplaats] ,
althans in Nederland,een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en
/ofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een pistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een
sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting;
feit 3:
mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid onder 2º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt;
feit 4:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 70 dagen jeugddetentie, waarvan 23 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en voorts tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen jeugddetentie. Tot slot heeft de officier van justitie een contactverbod met [medeverdachte] en [benadeelde] en een locatieverbod voor hun woonadressen geëist op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregelen te bevelen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden berecht volgens het adolescentenstrafrecht en voorts dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het schorsingstoezicht dat goed verloopt en de samenloop tussen de feiten. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een straf moet worden opgelegd conform de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, al dan niet in combinatie met de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en/of een werkstraf. Daarnaast verzoekt de raadsman om opheffing van het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis en tot slot heeft de raadsman verzocht om enkel een contactverbod op te leggen en geen locatieverbod met betrekking tot [benadeelde] . Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Toepassing adolescentenstrafrecht (ASR)
Uitgangspunt is dat een verdachte die op het moment van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan voor een jongvolwassene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, besluiten om het adolescentenstrafrecht (hierna ASR) toe te passen als daarvoor aanleiding is gelet op de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
De rechtbank overweegt dat in dit geval diverse factoren pleiten voor toepassing van het ASR. De rechtbank wijst op de relatief jonge leeftijd van verdachte; hij was 18 jaar toen hij de strafbare feiten beging. Daarnaast is de reclassering van mening dat verdachte gebaat is bij een pedagogische aanpak en hij daar ook ontvankelijk voor is. Tot slot neemt de rechtbank mee dat verdachte in verband met een veroordeling eind 2025 onder toezicht staat bij de jeugdreclassering en vanuit daar een intensieve pedagogische aanpak wordt geboden, waarbij ook het gezinssysteem wordt betrokken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak, overeenkomstig het reclasseringsadvies, op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het ASR moet worden toegepast.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal feiten. Hij heeft de minderjarige [medeverdachte] geworven om cobra’s aan de deur te plaatsen en/of op de oprit te gooien bij [benadeelde] . Er is geen uitvoering gegeven aan dit voornemen, omdat de ouders van [medeverdachte] (tijdig) de politie hadden ingeschakeld. Nadat [benadeelde] en haar ouders op de hoogte waren geraakt van de bedreiging aan hun adres hebben zij een tijd gevreesd voor hun veiligheid, onder andere omdat zij niet wisten uit welke hoek de dreiging afkomstig was. Het was voor [benadeelde] extra kwetsend te horen dat de bedreiging kwam vanuit verdachte, een goede vriend van haar die zij vertrouwde. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte zich – ondanks dat hij op dat moment in een schorsingstoezicht liep – alsnog heeft ingelaten met criminele activiteiten. Hij heeft bewust een minderjarige jongen die in een kwetsbare positie verkeerde benaderd om een ernstig strafbaar feit te plegen. Vervolgens heeft hij inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van [benadeelde] en haar ouders. Het is algemeen bekend dat bedreigingen doorgaans nog lang gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid met zich mee kunnen brengen. Daarnaast heeft de politie op de slaapkamer van verdachte een pistool aangetroffen wat strafbaar is gesteld in de Wet wapens en munitie.
Het illegaal bezit van (nagebootste) wapens vormt een onaanvaardbaar risico en bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving.
Justitiële documentatie
De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 17 maart 2026 en de ter terechtzitting toegelichte informatie, waaruit blijkt dat verdachte recent nog is veroordeeld, waarbij aan hem onder andere de maatregel ITB harde kern is opgelegd voor de duur van 12 maanden.
Rapportage
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 30 maart 2026. Hieruit volgt dat de reclassering het middelengebruik, het sociale netwerk, de houding van verdachte en zijn psychosociaal functioneren als delictgerelateerde criminogene factoren ziet. Verder blijkt uit de rapportage dat bij verdachte sprake is van een norm-overschrijdende gedragsstoornis, een persisterende rouwstoornis en een gemiddelde intelligentie. Gesteld wordt dat verdachte daarnaast bedreigd wordt in zijn persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale- en narcistische trekken, wat mogelijk van invloed is geweest op het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte ten tijde van het delict. Verdachte stelt zich volgens de reclassering inmiddels begeleidbaar op en hij is ontvankelijk voor het reclasseringstoezicht en de ambulante begeleiding. Er is op dit moment sprake van een intensief begeleidingstraject, waarbij de focus ligt op het vergroten van vaardigheden ten aanzien van dagbesteding en het bieden van ondersteuning aan het gezinssysteem. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert om toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht, gelet op zijn intelligentieniveau, de tekorten op sociaal-emotioneel gebied en omdat hij kinderlijker gedrag vertoont dan mag worden verwacht gelet op zijn kalenderleeftijd, waardoor een pedagogische aanpak noodzakelijk is. De reclassering ziet geen meerwaarde in een nieuw strafrechtelijk kader, gezien het huidige uitgebreide strafrechtelijk kader en de looptijd hiervan.
De op te leggen straf
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank legt daarom aan verdachte op: een jeugddetentie van 70 dagen, waarvan 23 dagen voorwaardelijk met aftrek en een proeftijd van 2 jaren, en daarnaast een taakstraf, te weten: een werkstraf van 150 uren.
Contact- en locatieverboden / dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een maatregel ex artikel 38v Sr ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte, passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zal hebben met [benadeelde] en [medeverdachte] en zich niet zal begeven bij hun woonadressen. De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
De rechtbank zal deze vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich in de toekomst wederom belastend zal gedragen jegens [benadeelde] en/of [medeverdachte] . Daarom beveelt de rechtbank dat de maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

Vordering benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.250,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard of, in geval van een bewezenverklaring, dient te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. Nadat [benadeelde] te horen had gekregen over de tegen haar gerichte bedreigingen heeft zij een aantal dagen in het duister getast over uit welke hoek deze dreiging kwam. Na een aantal dagen heeft zij uiteindelijk gehoord dat verdachte, een goede vriend van [benadeelde] en iemand die zij vertrouwde, achter deze bedreiging zat. De rechtbank is van oordeel dat de bedreigingen in het algemeen beschouwd angst en vrees met zich meebrengen, maar in deze situatie temeer gelet op de jonge leeftijd van [benadeelde] en het feit dat zij dus enige tijd in onzekerheid over de herkomst en het gevaar van deze bedreiging heeft moeten leven. De rechtbank zal echter het gevorderde bedrag aan immateriële schade aanzienlijk matigen. De rechtbank is van oordeel dat de in de onderbouwing aangehaalde uitspraak niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 500,- vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 3 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. In verband met de toepassing van het adolescentenstrafrecht zal geen gijzeling worden opgelegd.
Vordering benadeelde partij [medeverdachte]
De benadeelde partij [medeverdachte] heeft in verband met het onder feit 3 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.000,- aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast is € 50,- aan vergoeding van proceskosten gevorderd. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding, in geval van een bewezenverklaring, dient te worden gematigden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schadevergoeding moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en te algemeen van aard is.
Overweging van de rechtbank
Materieel
De gevorderde materiële schade moet naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien dit gaat om een stelpost en alleen mogelijk toekomstige schade betreft zonder enige onderbouwing of berekening.
Immaterieel
De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt. De aard en ernst van de normschending is in dit geval, waarbij sprake was van een kortdurende benadering van slachtoffer door verdachte en waarbij nog geen sprake is geweest van enige uitvoering van het strafbare feit, niet zodanig dat hiervan mag worden aangenomen dat dit zonder meer psychisch letsel met zich mee brengt of dat de benadeelde partij hierdoor op andere wijze in de persoon is aangetast. Ondanks dat de rechtbank oog heeft voor de impact die de situatie op [medeverdachte] heeft gehad, mede gezien de schriftelijke slachtofferverklaring van de ouders van [medeverdachte] , is evenmin gebleken dat bij [medeverdachte] psychisch letsel is ontstaan door het onder feit 3 bewezenverklaarde feit. Deze gestelde psychische schade is onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
De reis- en parkeerkosten voor het bezoek aan de rechtbank om bij de zitting aanwezig te zijn, zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Het zijn geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voor vergoeding van die kosten biedt het BW noch enige andere relevante regeling een wettelijke grondslag. Die kosten zijn in de gegeven omstandigheden evenmin aan te merken als voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv Pro brengt mee dat bij de begroting van de proceskosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Op grond van artikel 238 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) komen deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking indien in persoon - dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) - wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde, dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking en dus niet ook de in artikel 238 lid 1 Rv Pro bedoelde kosten van de benadeelde partij. Dit betekent dat, omdat de benadeelde partij werd vertegenwoordigd door een gemachtigde, voornoemde reiskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten worden daarom afgewezen.

10.De beoordeling van het beslag

Standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoon wordt onttrokken aan het verkeer, omdat hiermee een strafbaar feit is gepleegd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon niet moet worden onttrokken aan het verkeer, omdat het een goed is wat veel informatie bevat en daarom waardevol is voor verdachte, waardoor dit een disproportionele maatregel is.
Overweging van de rechtbank
De rechtbank zal de Apple Iphone (PL0600-ON3R025067_872425) die aan verdachte toebehoort en met behulp waarvan de feiten 2 en 3 zijn begaan verbeurd verklaren.
De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

11.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 33, 33 a, 36f, 38v, 38w, 47, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 77we, 273f en 285 van het Wetboek van Strafrecht;
- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:
 een jeugddetentie voor de duur van 70 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 23 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft maakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 een taakstraf, te weten een werkstraf van 150 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
 een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
- een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaar zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
[benadeelde] , geboren op [geboortedag] 2011
en
met [medeverdachte] , geboren op [geboortedag] 2011
- een gebiedsverbod. Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende 3 jaar niet bevindt:
bij de woning aan [adres] te [woonplaats]
en
bij de woning aan [adres] te Doetinchem;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
  • in verband met het feit onder 2 betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan geen gijzeling worden toegepast;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 verklaart de benadeelde partij [medeverdachte] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
 wijst de vordering tot vergoeding van de proceskosten af;
 verklaart verbeurd de Apple Iphone (PL0600-ON3R025067_872425);
 heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Stratenus (voorzitter), mr. R.M.H. Pennings en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2026.
mr. H.M. Stratenus en mr. R.M.H. Pennings zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen, p. 180-185.
2.Kennisgeving van inbeslagname, p. 54.
3.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025517322, gesloten op 10 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 230-233.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 180-185.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 159-160.
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 196-197.
8.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 13 april 2026.
9.Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 43-45.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 214-215.