Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3351

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
422145
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:752 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling redelijke prijs en betaling verbouwingswerkzaamheden tussen aannemer en opdrachtgever

Deze civiele zaak betreft een geschil over de financiële afwikkeling van een verbouwing uitgevoerd door een aannemer en zijn onderaannemers aan de woning van de opdrachtgever. De kern van het geschil is of de opdrachtgever nog een bedrag verschuldigd is voor de uitgevoerde werkzaamheden en wat de redelijke prijs daarvan is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen vaste prijs was overeengekomen, maar een regieovereenkomst waarbij een redelijke prijs verschuldigd is. Omdat de omvang en redelijkheid van de facturen niet duidelijk waren, is een deskundigenbericht aangevraagd. De deskundige stelde een stuksprijs-/aannemersbegroting op en concludeerde dat het gefactureerde bedrag van € 425.042,84 inclusief btw een redelijke prijs is binnen een marge van 10%.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtgever aan de aannemer een bedrag van € 364.761,96 inclusief btw verschuldigd is, rekening houdend met betalingen aan onderaannemers die rechtstreeks aan de opdrachtgever zijn gefactureerd. De opdrachtgever heeft reeds € 272.722,96 betaald, zodat nog € 92.039,00 openstaat. De rechtbank veroordeelt de opdrachtgever tot betaling van dit bedrag, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, en wijst de vorderingen van de opdrachtgever en de opdrachtgever in reconventie voor het overige af.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de opdrachtgever tot betaling van € 92.039,00 aan de aannemer, inclusief rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/422145 / HA ZA 23-314
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J.J.M. van Lint,
tegen

1.[naam gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. E.M.A.C. van Dort.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 juli 2024,
- de conclusie na deskundigenbericht van [eisers] ,
- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie
2.1.
Deze zaak gaat over de financiële afwikkeling van de verbouwing die [eiser 1] en zijn onderaannemers aan de woning van [gedaagden] hebben uitgevoerd. In de kern komt het geschil tussen partijen erop neer dat [eiser 1] zich op het standpunt stelt dat [gedaagden] nog niet alle aan de verbouwing verbonden kosten hebben betaald, terwijl [gedaagden] stellen dat zij al meer hebben betaald dan waarop [eiser 1] jegens hen aanspraak kan maken.
2.2.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 3 april 2024 overwogen dat [eiser 1] en [gedaagden] voor het werk geen vaste prijs van € 325.000,00 inclusief btw hebben afgesproken, maar dat tussen hen een regieovereenkomst is tot stand gekomen en dat de inhoud van die overeenkomst wordt bepaald door de werkzaamheden die zijn opgenomen in het door [eiser 1] opgestelde overzicht van 20 december 2019. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het bepaalde in artikel 7:752 lid 1 BW Pro (ook) van toepassing is op regieovereenkomsten, zodat [gedaagden] een redelijke prijs zijn verschuldigd voor de werkzaamheden die [eiser 1] en zijn onderaannemers hebben verricht.
Het deskundigenbericht
2.3.
Omdat de rechtbank aan de hand van de stukken en de door [eiser 1] en [gedaagden] betrokken stellingen de omvang van de door [eiser 1] en zijn onderaannemers verrichte werkzaamheden niet kon vaststellen en ook niet kon beoordelen of het in totaal door [eiser 1] en zijn onderaannemers aan [gedaagden] gefactureerde bedrag van € 425.042,84 inclusief btw een redelijke prijs is voor die werkzaamheden, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 17 juli 2024 een deskundigenbericht bevolen. De deskundige heeft in het definitieve deskundigenbericht als volgt antwoord gegeven op de gestelde vragen:
1.
Kunt u een overzicht opstellen van de door [eiser 1] en zijn onderaannemers verrichte werkzaamheden? U dient hierbij de werkzaamheden die [gedaagden] hebben uitbesteed aan derden buiten beschouwing te laten (betreffende een bedrag van € 37.669,75 (…)
Antwoord:
Voor een overzicht van de door [eiser 1] en zijn onderaannemers verrichte werkzaamheden aan de woning van [gedaagden] , verwijst ondergetekende u naar de door ondergetekende opgestelde stuksprijs-/aannemersbegroting in
productie 3. Hierbij zijn de werkzaamheden die [gedaagden] heeft uitbesteed aan derden (betreffende een bedrag van € 37.669,75), het rietdekkerswerk, het leveren en monteren van een nieuw cv-ketel, alsmede werkzaamheden die met een redelijke aannemelijkheid niet door en zijn onderaannemers zijn uitgevoerd buiten beschouwing gelaten. De betreffende begroting ziet alleen toe op die werkzaamheden welke door [eisers] en zijn onderaannemers met een zeer grote aannemelijkheid zijn uitgevoerd.
2.
Kunt u advies uitbrengen omtrent de kosten die [eiser 1] en zijn onderaannemers hebben bespaard in verband met het minderwerk, dus de werkzaamheden uit het overzicht van [eiser 1] van 20 december 2010 die niet of in vereenvoudigde vorm zijn uitgevoerd?
Antwoord:
De kosten inclusief opslagen en exclusief omzetbelasting die [eisers] en zijn onderaannemers niet hebben gemaakt of in een vereenvoudigde vorm zijn uitgevoerd zijn de volgende:
- buitenstukadoorswerk : € 9.000,00
- binnenstukadoorswerk, 2 wanden/natte ruimten i.v.m. kranen/nissen : € 352,90
- leveren en plaatsen 4 stuks Wilms vertical screens : € 8.250,00
- 10 m1 hardglazen hekwerk : € 7.000,00
- Tegelwerkzaamheden badkamer/toiletten : € 5.500,00
- Terras/balkon 1e verdieping : € 1.000,00
- complete rietdekkerswerk t.b.v. aanpassen kap uitbouw/dakkappellen : € 10.000,00
- vlizotrap/vliering : € 500,00
- nieuwe cv-ketel : € 2.692,80
- leveren en aanbrengen terrasvloer begane grond : p.m.
Doordat [eisers] een begroting op basis van een kostenraming heeft gemaakt en heel veel werkzaamheden samen zijn gevoegd en niet zijn uitgespecificeerd, was ondergetekende voor de bepaling een redelijke prijs genoodzaakt een stuksprijs-/aannemersbegroting op te stellen, waarbij rekening is gehouden met werkzaamheden die [eisers] en zijn onderaannemers niet hebben gemaakt of die in een vereenvoudigde vorm zijn uitgevoerd.
3.
Kunt u advies uitbrengen omtrent de kosten die [eiser 1] en zijn onderaannemers hebben gemaakt in verband met het meerwerk, dus de werkzaamheden die niet (op die wijze) op voormeld overzicht stonden, maar wel of in duurdere vorm zijn uitgevoerd?
Antwoord:
Er zijn diverse werkzaamheden die [eisers] en zijn onderaannemers hebben gemaakt in verband met ‘meerwerk’ ofwel werkzaamheden die niet (op die wijze) op voormeld overzicht stonden, maar wel of in duurdere vorm zijn uitgevoerd. Het hierbij bijvoorbeeld om de volgende onderdelen.
- gewijzigde indeling begane grond
- gewijzigde indeling 1e verdieping (geheel opnieuw ingedeeld)
- geen vliering
- gewijzigde afwerking plafond slaapkamer 4
- leggen parketvloer 1e verdieping
- verplaatsen trap/trapgat inclusief nieuwe trap
- wijzigingen elektra, alarm, screens en pomphuis t.b.v. zwembad
- gewijzigde riolering/mechanische ventilatie
- duurdere speciale scharnieren
- etc.
Zoals reeds eerder aangegeven, was ondergetekende voor de bepaling van een redelijke prijs genoodzaakt een stuksprijs-/aannemersbegroting op te stellen. Hierbij is rekening gehouden met de kosten die [eisers] en zijn onderaannemers hebben gemaakt in verband met meerwerk, dat wil zeggen de werkzaamheden die niet (op die wijze) op het voormelde overzicht stonden, maar wel of in een andere/duurdere vorm zijn uitgevoerd. Ondergetekende verwijst hiervoor naar de door ondergetekende opgestelde begroting in
productie 3A. (…)
4.
Is een totaalbedrag van € 425.042,84 (inclusief btw) een redelijke prijs voor de door [eiser 1] en zijn onderaannemers uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden? Daarbij dient rekening te worden gehouden met de door [eiser 1] en zijn onderaannemers ten tijde van het sluiten van de overeenkomst (2 januari 2020) gewoonlijk bedongen prijzen.
Antwoord:
Naar aanleiding van de opmerkingen van partijen op het conceptbericht en bij nader inzien door ondergetekende, behoeft het antwoord op deze vraag wat meer nuance en iets andere benadering dan zoals de vraag in het conceptbericht door ondergetekende als volgt is beantwoord:
[…]
Naar aanleiding van de diverse opmerkingen van partijen op het conceptbericht heeft ondergetekende vervolgens zijn begroting voor een redelijke prijs voor de door [eiser 1] en zijn onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden herzien/aangepast. Hieruit volgt een aanneemsom van
€ 395.480,23inclusief opslagen en omzetbelasting
(productie 3A), welke iets hoger uitvalt dan de eerste begroting in
productie 3behorende bij het conceptbericht.
Om te bepalen of een totaalbedrag van
€ 425.042,84inclusief omzetbelasting een redelijke prijs is voor de door [eiser 1] en zijn onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden, moet dit bedrag worden gespiegeld aan het door ondergetekende gecalculeerde aanneemsom van
€ 395.480,23inclusief omzetbelasting zoals begroot in
productie 3A. Het prijsverschil tussen deze twee bedragen bedraagt circa
7,4%(…).
Bij het aanbesteden van bouwwerken zijn prijsverschillen tussen de verschillende aannemers van circa
10%doorgaans geen uitzondering en worden als reëel beschouwd. Ook bij bouw- en verbouwwerkzaamheden dient men er rekening mee te houden dat er door wijzigingen tijdens de uitvoering een kostprijsafwijking van circa
10%kan plaatsvinden, omdat het regelmatig voorkomt dat onvoorziene werkzaamheden of wijzigingen kostenverhogend zijn. Ook als bij een aanneemovereenkomst een richtprijs wordt afgesproken, dan mag die prijs volgens ondergetekende op basis van wetgeving niet meer dan
10%worden overschreden.
Op grond van het voorgaande kan volgens ondergetekende geconcludeerd worden dat op basis van het door ondergetekende begrote bedrag van
€ 395.480,23de bandbreedte voor een reële prijs voor de door [eiser 1] en zijn onderaannemers uitgevoerde werkzaamheden ten opzichte van de door ondergetekende begrote prijs op basis van plus/minus
10%rond dit bedrag zou moeten bevinden. De bandbreedte voor een redelijke prijs in onderhavige kwestie is volgens ondergetekende ergens tussen de
€ 359.527,48 en € 435.028,25inclusief omzetbelasting.
De door de rechtbank vastgestelde c.q. te beoordelen redelijke prijs van
€ 425.042,84bevindt zich binnen de bandbreedte van
€ 359.527,48 en € 435.028,25en de overschrijding ten opzichte van de door ondergetekende kostprijsberekening bedraagt circa
7,4%, en deze blijft daarmee binnen de marge van
10%zoals deze doorgaans in de praktijk en binnen de branche wordt gehanteerd/geaccepteerd.
Samenvattend kan volgens ondergetekende worden geconcludeerd dat de prijs van
€ 425.042,84een redelijke prijs is voor de door [eiser 1] en zijn onderaannemers uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden.
5.
Kunt u afzonderlijk aangeven of de prijs die [eiser 2] voor het elektra in totaal heeft gerekend redelijk is, te weten een bedrag van € 24.689,01?
Antwoord:
Zoals reeds eerder aangegeven is de prijs die van [eiser 2] voor het elektra in totaal heeft gerekend, een bedrag van
€ 24.689,01exclusief opslagen en winst en risico hoofdaannemer en omzetbelasting, volgens ondergetekende een redelijke prijs.
6.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend is: welk bedrag geldt naar uw oordeel als een redelijke prijs?
Antwoord:
Zoals reeds bij vraag 4 aangegeven, acht ondergetekende het totaalbedrag van
€ 425.042,84inclusief omzetbelasting in relatie tot het door ondergetekende begrote bedrag van
€ 395.480,23inclusief omzetbelasting
(productie 3A)een redelijke prijs voor de door [eisers] en zijn onderaannemers uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Het bedrag van
€ 24.689,01van [eiser 2] maakt deel uit van het door ondergetekende begrote totaalbedrag van
€ 395.480,23.
Echter met betrekking tot het bepalen van een redelijke prijs wenst ondergetekende hierover nog wel de volgende opmerking te maken, namelijk:
De door de rechtbank ter beoordeling vastgestelde redelijke prijs van
€ 425.042,84inclusief omzetbelasting is tot stand gekomen zoals omschreven in r.o. 4.24 en 4.25 van het tussenvonnis d.d. 3 april 2024 en het tussenvonnis d.d. 17 juli 2024.
Gezien het feit dat [gedaagden] een bedrag van € 37.030,33 rechtstreeks aan de onderaannemers van [eisers] heeft voldaan, dient de redelijke prijs waarvoor [eisers] in aanmerking zou moeten komen voor betaling, naar het oordeel van ondergetekende, maximaal
€ 388.012,51inclusief omzetbelasting te bedragen (€ 425.042,84 -/- € 37.030,33 = € 388.012,51).
Voorts wenst ondergetekende te benadrukken dat de kosten van het rietdekkerswerk en de nieuwe cv-ketel zoals vermeld onder randnummer 105 van de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, hierin niet zijn opgenomen. De facturen zijn gericht aan [gedaagden] en zijn naar alle waarschijnlijkheid ook door [gedaagden] voldaan. Deze werkzaamheden, die door [eisers] als meerwerk zijn opgevoerd (randnummer 66,
productie 4K), zijn door ondergetekende buiten beschouwing gelaten in de kostenbegroting. Dit geldt eveneens voor de nieuwe cv-ketel (randnummer 67,
productie 4K). Ondergetekende verwijst u hierbij nogmaals naar de volledige inhoud van dit deskundigenbericht.
Dit impliceert dat de kosten/facturen van het rietdekkerswerk en de nieuwe cv-ketel
(productie 10)volgens ondergetekende nog in mindering moeten worden gebracht op de redelijke prijs waarvoor [eisers] in aanmerking zou moeten komen voor betaling. Het bedrag waarvoor [eisers] in aanmerking zou moeten komen voor betaling, exclusief de werkzaamheden die [gedaagden] rechtstreeks aan de onderaannemers van [eisers] /derden zijn voldaan, bedraagt volgens ondergetekende dan
€ 364.761,96inclusief omzetbelasting (€ 388.012,51 -/- € 3.448,50 + € 16.827,05 + € 2.975,00) = € 364.761,96).
2.4.
Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op het deskundigenbericht te reageren. Partijen kunnen zich (deels) niet verenigen met de inhoud van het deskundigenbericht en hebben daartegen bezwaren ingebracht, die hierna zullen worden beoordeeld. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het deskundigenbericht en de bezwaren van partijen daartegen het volgende voorop. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij in zijn beslissing de conclusies waartoe de deskundige in zijn rapport is gekomen zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. [1]
Redelijke prijs
2.5.
De deskundige heeft (in het antwoord op vraag 1) vastgesteld welke werkzaamheden [eiser 1] en zijn onderaannemers volgens hem met een zeer grote aannemelijkheid voor [gedaagden] hebben uitgevoerd. De betreffende werkzaamheden heeft de deskundige opgenomen in een door hem opgestelde stuksprijs-/aannemersbegroting, die sluit op een bedrag van € 395.480,23 inclusief btw. Om te bepalen of het in totaal door [eiser 1] en zijn onderaannemers aan [gedaagden] gefactureerde bedrag van € 425.042,84 inclusief btw een redelijke prijs is voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft de deskundige dit bedrag gespiegeld aan de door hem gecalculeerde aanneemsom van € 395.480,23 inclusief btw. Het prijsverschil tussen deze twee bedragen bedraagt circa 7,4% en blijft daarmee binnen de marge van 10% die volgens de deskundige bij het aanbesteden van bouwwerken tussen aannemers als reëel wordt beschouwd. Op basis hiervan komt de deskundige tot de conclusie dat het in totaal door [eiser 1] en zijn onderaannemers gefactureerde bedrag van € 425.042,84 een redelijke prijs is voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden (zie het antwoord op vraag 3).
2.6.
De bezwaren die [eiser 1] uit tegen het rapport komen er hoofdzakelijk op neer dat de deskundige werkzaamheden die hij naar zijn zeggen aantoonbaar heeft uitgevoerd niet heeft opgenomen in de kostenbegroting en dat de deskundige diverse werkzaamheden die wel in de kostenbegroting zijn opgenomen, te laag heeft ingeschat en/of hoeveelheden te laag heeft meegenomen. Volgens [eiser 1] dient de kostenbegroting van de deskundige op die onderdelen dan ook te worden aangepast. Aan deze bezwaren gaat de rechtbank voorbij. Zelfs op basis van de huidige (volgens [eiser 1] te laag ingeschatte) begroting komt de deskundige immers tot de conclusie dat het bedrag van € 425.042,84 inclusief btw dat [eiser 1] en zijn onderaannemers voor het door hen uitgevoerde werk hebben gefactureerd, afgezet tegen de door hem gecalculeerde aanneemsom van € 395.480,23, een redelijke prijs is voor dat werk. Die conclusie wordt niet anders als de kostenbegroting naar aanleiding van de opmerkingen van [eiser 1] (naar boven) zou worden bijgesteld.
2.7.
[gedaagden] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht geen bezwaren ingebracht tegen de door de deskundige opgestelde kostenbegroting en de werkzaamheden die daarin zijn opgenomen. Ook hebben zij de conclusie van de deskundige dat het bedrag van € 425.042,84 inclusief btw dat [eiser 1] en zijn onderaannemers aan hen hebben gefactureerd een redelijke prijs is voor die werkzaamheden niet bestreden. De rechtbank neemt die conclusie daarom over.
Verschuldigde prijs
2.8.
Dat het bedrag van € 425.042,84 inclusief btw dat [eiser 1] en zijn onderaannemers aan [gedaagden] hebben gefactureerd een redelijke prijs is voor het werk wil echter nog niet zeggen dat dit ook de prijs is die [gedaagden] en aan [eiser 1] verschuldigd zijn. [eiser 1] kan immers alleen aanspraak maken op betaling van werkzaamheden die hij zelf heeft uitgevoerd en/of werkzaamheden die zijn onderaannemers hebben uitgevoerd en die zij bij hem in rekening hebben gebracht.
2.9.
De deskundige heeft in het antwoord op vraag 6 een berekening gemaakt van de prijs die [gedaagden] naar zijn mening aan [eiser 1] verschuldigd zijn. De deskundige komt uit op een bedrag van € 364.761,96 inclusief btw. Zowel van [eiser 1] als [gedaagden] zijn het met dit bedrag niet eens. [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat [gedaagden] een hoger bedrag dan het bedrag van € 364.761,96 inclusief btw aan hem verschuldigd zijn, terwijl [gedaagden] zich op het standpunt stellen dat zij een lager bedrag aan [eiser 1] verschuldigd zijn. De rechtbank overweegt ten aanzien van de berekening van de deskundige van de verschuldigde prijs en de opmerkingen die partijen daarover hebben gemaakt als volgt.
2.10.
[eiser 1] en zijn onderaannemers hebben voor de verbouwing in totaal een bedrag van € 425.042,84 inclusief btw aan [gedaagden] gefactureerd. De onderaannemers van [eiser 1] ( [bouwbedrijf] , [installatiebedrijf] en [eiser 2] ) hebben de door hen uitgevoerde werkzaamheden echter niet aan [eiser 1] , maar rechtstreeks aan [gedaagden] gefactureerd. Dit betekent dat [eiser 1] zelf geen aanspraak kan maken op betaling van die werkzaamheden door [gedaagden] . De onderaannemers van [eiser 1] hebben voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden een bedrag van € 37.030,33 inclusief btw aan [gedaagden] gefactureerd. Om te bepalen welke prijs [gedaagden] aan [eiser 1] verschuldigd zijn, moet het bedrag van € 37.030,33 dan ook in mindering worden gebracht op het bedrag van € 425.042,84 inclusief btw, zoals de deskundige in het eerste deel van zijn berekening heeft gedaan. Na aftrek van dat bedrag resteert een bedrag van € 388.012,51 inclusief btw.
2.11.
Op het bedrag van € 388.012,51 inclusief btw brengt de deskundige vervolgens nog de bedragen € 3.448,50, € 16.827,05 en € 2.975,00 in mindering. Deze bedragen zien op werkzaamheden van onderaannemers van [eiser 1] aan het rieten dak ( [bouwbedrijf] ) en werkzaamheden van aan de cv-ketel ( [installatiebedrijf] ). Het hiervoor in mindering gebrachte bedrag van € 37.030,33 inclusief btw heeft (deels) ook betrekking op die werkzaamheden. De deskundige brengt op het in totaal door [eiser 1] en zijn onderaannemers gefactureerde bedrag van € 425.042,84 inclusief btw in feite dus twee keer een bedrag voor rietdekkerswerk en werk aan de cv-ketel in mindering.
2.12.
Volgens [gedaagden] is dit correct, omdat [eiser 1] het rietdekkerswerk en het werk aan de cv-ketel achteraf heeft opgevoerd als meerwerk waarvoor [gedaagden] een meerprijs aan hem verschuldigd zijn, terwijl hij die werkzaamheden niet zelf heeft uitgevoerd. Als de deskundige de kosten voor die werkzaamheden slechts eenmaal in mindering zou brengen op het bedrag van € 425.042,84, zou dat dus betekenen dat [eiser 1] alsnog wordt betaald voor werk dat hij niet zelf heeft uitgevoerd, aldus [gedaagden] . [eiser 1] brengt hier tegenin dat hij nooit kosten voor het rietdekkerswerk [bouwbedrijf] en het werk van [installatiebedrijf] aan de cv-ketel heeft gefactureerd aan [gedaagden] . Volgens hem dient er voor die werkzaamheden dan ook maar één keer een bedrag op het bedrag van € 425.042,84 inclusief btw in mindering te worden gebracht.
2.13.
De rechtbank kan op basis van de facturen van [eiser 1] die - zoals de rechtbank in het tussenvonnis van 3 april 2024 al heeft overwogen - niet transparant zijn, niet vaststellen wat [eiser 1] met welke factuur bij [gedaagden] in rekening heeft gebracht. Dit betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen of [eiser 1] daadwerkelijk geen kosten voor het rietdekkerswerk van [bouwbedrijf] en het werk van [installatiebedrijf] aan de cv-ketel heeft gefactureerd aan [gedaagden] . Naar het oordeel van de rechtbank dient de onduidelijkheid op dit punt voor rekening en risico van [eiser 1] te komen, omdat het bij een regieovereenkomst aan de aannemer is de voor het werk gemaakte kosten deugdelijk te administreren en om deze kosten op transparante wijze te kunnen verantwoorden. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser 1] de kosten voor het rietdekkerswerk van [bouwbedrijf] en het werk van [installatiebedrijf] aan de cv-ketel wel bij [gedaagden] in rekening heeft gebracht, terwijl hij die werkzaamheden niet zelf heeft uitgevoerd. Dit betekent dat de kosten voor die werkzaamheden (€ 3.448,50 + € 16.827,05 + € 2.975,00) (nogmaals) op het bedrag van € 425.042,84 in mindering moeten worden gebracht om de door [gedaagden] verschuldigde prijs te bepalen. De door [gedaagden] verschuldigde prijs komt daarmee neer op een bedrag van € 364.761,96.
2.14.
De rechtbank volgt [gedaagden] niet in hun stelling dat op dit bedrag van € 364.761,96 ook nog de kosten die zij aan door henzelf ingeschakelde derden hebben betaald voor tegelwerk (€ 8.923,75) en stucwerk (€ 10.246,00) in mindering te worden gebracht, zodat zij een lagere prijs verschuldigd zijn. Weliswaar waren deze werkzaamheden wel opgenomen in het door [eiser 1] opgestelde overzicht van 20 december 2019 dat de inhoud van de overeenkomst vormt, maar zoals hierna onder 2.17. zal worden overwogen heeft [eiser 1] met dat overzicht ten aanzien van de vermoedelijke prijs geen verwachtingen gewekt. Anders dan [gedaagden] stellen, mochten zij daarom ook niet verwachten dat de prijs die zij voor het tegelwerk en stucwerk aan derden betaalden de uiteindelijk aan [eiser 1] te betalen prijs zou drukken.
2.15.
[gedaagden] voeren verder nog aan dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen (op 2 januari 2020) een prijs is genoemd van € 325.000,00 inclusief btw en dat zij ook hebben gezegd dat dat hun (maximale) budget was voor de verbouwing. Volgens hen heeft de prijs van € 325.00,00 inclusief btw daarom te gelden als richtprijs. Op grond van artikel 7:752 lid 2 BW Pro mag een richtprijs met niet meer dan 10% worden overschreden, tenzij [eiser 1] [gedaagden] zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft gewaarschuwd. Dit laatste is niet gebeurd, zodat [gedaagden] aan [eiser 1] maximaal een prijs van € 357.500,00 (€ 325.000,00 + 10%) verschuldigd zijn, aldus steeds [gedaagden] .
2.16.
Ook dit verweer slaagt niet. Van een richtprijs is sprake indien tussen partijen bij het sluiten van de overeenkomst sprake is van wilsovereenstemming over een prijs die geen vast bedrag behelst, maar een indicatie is van de uiteindelijke prijs. Hoewel vaststaat dat [gedaagden] tijdens een overleg met [eiser 1] op 2 januari 2020 tegen hem hebben gezegd dat zij een budget hadden van € 325.000,00 hadden en meer niet, dat zij [eiser 1] diezelfde dag een e-mail hebben gestuurd waarin zij aangeven dat het maximale budget is vastgesteld op € 325.000,00 inclusief btw en dat [eiser 1] in reactie op die mail niet prompt heeft aangegeven dat dit niet is afgesproken, wil dat nog niet zeggen dat [eiser 1] er stilzwijgend mee akkoord is gegaan om het werk voor een prijs van € 325.00,00 uit te voeren. Daarom kan voormeld bedrag ook niet als een door partijen overeengekomen richtprijs in de zin van artikel 7:752 BW Pro worden aangemerkt.
2.17.
Overigens kan ook de in het overzicht van [eiser 1] van 20 december 2019 vermelde prijs van € 324.500,00 exclusief btw naar het oordeel van de rechtbank niet als richtprijs worden aangemerkt. Hoewel [eiser 1] op het moment dat het overzicht werd opgesteld wel beschikte over enkele tekeningen, beschikte hij nog niet over alle benodigde technische gegevens. Het overzicht is ook niet zodanig gespecificeerd dat daaruit voor beide partijen genoegzaam blijkt welke werkzaamheden precies zijn geoffreerd en of dit (al) de werkzaamheden die [eiser 1] voor [gedaagden] heeft uitgevoerd. Evenmin blijkt hieruit welke materialen [eiser 1] zou leveren en of dit de materialen zijn die hij daadwerkelijk heeft geleverd. Daarbij wordt ook acht geslagen op het feit dat sprake was van een globale schatting (zoals [eiser 1] bovenaan het overzicht ook uitdrukkelijk heeft vermeld) en dat tussen het moment van het uitbrengen van het overzicht en het einde van het project nog veel wijzigingen zijn doorgevoerd. Dat er veel wijzigingen zijn doorgevoerd blijkt ook uit het antwoord van de deskundige op de vragen 2 en 3. De rechtbank acht het overzicht van [eiser 1] dan ook niet zodanig richtinggevend dat [gedaagden] daarin een richtprijs mochten zien, waarvan op grond van artikel 7:752 lid 2 BW Pro in beginsel slechts met 10% mocht worden afgeweken. Vanwege het ontbreken van een voldoende specifieke omschrijving van de te verrichten werkzaamheden en het feit dat het werk wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van het door [eiser 1] opgestelde overzicht kan evenmin worden gezegd dat [eiser 1] via het overzicht van 20 december 2019 ter zake van de vermoedelijke prijs bepaalde verwachtingen heeft gewekt. Bij de wijzingen van het werk zijn [gedaagden] bovendien zelf betrokken geweest. Onder die omstandigheden mochten [gedaagden] er naar het oordeel van de rechtbank niet op vertrouwen dat de uiteindelijke kosten niet (ver) zouden uitstijgen boven de aanvankelijk in het overzicht van [eiser 1] genoemde prijs van € 324.500 exclusief btw.
2.18.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagden] aan [eiser 1] een prijs van € 364.761,96 verschuldigd zijn.
Conclusie vorderingen [eiser 1]
2.19.
[gedaagden] hebben voor de verbouwing al een bedrag van € 272.722,96 aan [eiser 1] betaald. Dit betekent dat zij [eiser 1] nog een bedrag van € 92.039,00 (€ 364.761,96 - € 272.722,96) moeten betalen. In dit nog te betalen bedrag zit ook het bedrag van € 10.909,23 dat ziet op de openstaande factuur van [eiser 2] . Omdat [eiser 1] dit bedrag apart heeft gevorderd (subsidiaire vordering onder b), is de subsidiaire vordering van [eiser 1] onder a toewijsbaar tot een bedrag van € 81.129,77 (€ 92.039,00 – € 10.909,23). Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
2.20.
[eiser 1] maakt aanspraak op de wettelijke rente over het bedrag van € 81.129,77 vanaf de vervaldata van de onderliggende facturen. Omdat onduidelijk is op welke factu(u)r(en) het afgewezen bedrag ziet, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de vervaldatum van de jongste factuur, zijnde 21 juli 2022. Vanaf dat moment waren [gedaagden] in ieder geval in verzuim ten aanzien van het volledig toegewezen bedrag.
2.21.
Met betrekking tot het bedrag van € 10.909,23 dat ziet op de openstaande factuur van [eiser 2] heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 3 april 2024 al overwogen dat dit bedrag door [gedaagden] aan [eiser 1] moet worden betaald. De subsidiaire vordering van [eiser 1] onder b is dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 10.909,23 zal worden toegewezen als gevorderd, omdat [gedaagden] daartegen geen verweer hebben gevoerd.
2.22.
[eiser 1] maakt ook aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Die vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] heeft aan [gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De door [eiser 1] gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom van € 92.039,00 (€ 81.129,77 + € 10.909,23). De rechtbank zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 1.695,39 worden toegewezen.
2.23.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat niet gesteld of gebleken is dat deze kosten al door [eiser 1] zijn betaald. [2]
Conclusie vorderingen [gedaagden]
2.24.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat [gedaagden] [eiser 1] voor de verbouwing niet teveel hebben betaald. Daarmee ontvalt de grondslag aan de vordering van [gedaagden] tot (terug)betaling van het bedrag van € 22.423,04, zodat die vordering zal worden afgewezen.
2.25.
Ten aanzien van de vordering van [gedaagden] tot betaling van € 2.964,28 heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 3 april 2024 al overwogen dat die vordering als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.
Kosten deskundigenbericht
2.26.
Partijen zijn ieder voor de helft belast met het voorschot voor de kosten van de deskundige en zij hebben ieder al de helft van die kosten betaald. Hoewel [eiser 1] zowel in conventie als in reconventie (grotendeels) in het gelijk is gesteld, zal de rechtbank [gedaagden] niet veroordelen om het door [eiser 1] voorgeschoten deel aan hem te betalen. Het rapport van de deskundige heeft immers ook betekenis gehad in de beoordeling van de vorderingen van [eiser 1] . Dit betekent dat wat partijen al hebben betaald, verschuldigd zal blijven.
Proceskosten
2.27.
[gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- griffierecht
2.277.00
- salaris advocaat
8.655,00
(3 punten × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.080,00
2.28.
[gedaagden] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.254,00
(3 punten × factor 0,5 x € 836,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.402,00
2.29.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 81.129,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 juli 2022, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser 1] te betalen het door [eiser 2] gefactureerde bedrag van € 10.909,23, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, vanaf de vervaldag van de onderliggende factuur, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 1.695,39 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van de datum van de dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 11.080,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.7.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
3.8.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.402,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2026.
1521 / 1787

Voetnoten

1.HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, later herhaald in HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279.
2.HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012.