Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3352

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
11949055 \ CV EXPL 25-3022
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:126 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen onderhoud en reparatie lift VvE na fusie serviceovereenkomst

De eiser, leverancier en onderhoudsbedrijf van liften, vordert betaling van facturen voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de liftinstallatie van de VvE. De VvE betwist de vordering deels, met name de facturen voor reparaties die niet door een bevoegd persoon zijn geautoriseerd.

De rechtbank stelt vast dat de serviceovereenkomst uit 2002 tussen de VvE en de rechtsvoorganger van eiser door fusie is overgegaan op eiser, waardoor de overeenkomst voortduurt. De facturen voor onderhoud op basis van deze overeenkomst worden toegewezen.

Voor reparatiefacturen geldt dat alleen opdrachten van het bestuur rechtsgeldig zijn. Facturen die zijn gebaseerd op opdrachten van onbevoegde personen, zoals een bewoner van een appartement, worden afgewezen. De rechtbank wijst een deel van de vordering toe, inclusief wettelijke rente en een gereduceerd bedrag aan incassokosten, en veroordeelt de VvE tot betaling.

Uitkomst: De VvE is veroordeeld tot betaling van een deel van de gevorderde facturen, wettelijke rente en incassokosten, terwijl facturen zonder geldige opdracht zijn afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11949055 \ CV EXPL 25-3022
Vonnis van 24 april 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: CW en Partners B.V.,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS APPARTEMENTEN DE KLEF II EWIJK,
te Ewijk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: LexLogic Adviesbureau MKB B.V..

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
[eiser] vordert - samengevat - om de VvE te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 10.925,77, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] levert en onderhoudt liften. De VvE is op 10 december 2002 met [eiser] , althans haar rechtsvoorganger [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), een “Eenvoudige Service-Overeenkomst” (hierna: de serviceovereenkomst) aangegaan met betrekking tot de liftinstallatie van de VvE. Uit hoofde van deze serviceovereenkomst is jarenlang onderhoud verricht aan de liftinstallatie van de VvE, voor welke werkzaamheden door de VvE tot en met het jaar 2021 ook is betaald.
2.3.
In de periode 2022-2025 heeft [eiser] op verzoek van de VvE diverse werkzaamheden aan de liftinstallatie verricht. Daarnaast heeft [eiser] in deze periode de onderhoudswerkzaamheden uit hoofde van de serviceovereenkomst uitgevoerd. Voor de hiervoor genoemde werkzaamheden heeft [eiser] de volgende facturen aan de VvE verzonden:
  • Factuur 344185503 20-01-2022 19-02-2022 € 882,72
  • Factuur 453613350 25-02-2022 27-03-2022 € 565,87
  • Factuur 453616210 08-08-2022 07-09-2022 € 1.165,23
  • Factuur 453617611 03-11-2022 03-12-2022 € 357,80
  • Factuur 473831155 29-11-2022 29-12-2022 € 360,58
  • Factuur 473832349 29-12-2022 28-01-2023 € 360,58
  • Factuur 344191846 17-01-2023 16-02-2023 € 937,53
  • Factuur 453620523 19-04-2023 19-05-2023 € 357,80
  • Factuur 473843546 08-09-2023 08-10-2023 € 395,67
  • Factuur 473848073 15-12-2023 14-01-2024 € 395,67
  • Factuur 344201296 16-01-2024 15-02-2024 € 1.020,50
  • Factuur 473863066 22-11-2024 22-12-2024 € 427,13
  • Factuur 344209113 23-01-2025 22-02-2025 € 1.091,94
2.4.
De VvE heeft de hiervoor genoemde facturen, ondanks herhaalde sommatie daartoe, onbetaald gelaten. [eiser] heeft van de VvE dan ook opeisbaar te vorderen gekregen een bedrag van € 8.319,02 aan hoofdsom. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een bedrag van € 790,95 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.815,80 aan wettelijke handelsrente.
2.5.
De VvE voert verweer. De VvE concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
2.6.
De VvE stelt zich ten aanzien van de facturen die zien op de serviceovereenkomst op het standpunt dat deze gedeeltelijk kunnen worden geaccepteerd, mits [eiser] alsnog de daaraan ten grondslag liggende serviceovereenkomsten aan het bestuur van de VvE overlegt. In dit verband wijst de VvE erop dat zij vanaf 2002 weliswaar (telkens voor een jaar) een serviceovereenkomst met [naam bedrijf] is aangegaan, maar dat er met [eiser] nimmer een (nieuwe) serviceovereenkomst tot stand is gekomen. Daarnaast stelt de VvE dat de voorwaarden waaronder [eiser] handelt bij de VvE onbekend zijn. De door [eiser] overgelegde algemene voorwaarden zijn door het bestuur nimmer ontvangen. Daarvan heeft zij pas voor het eerst bij dagvaarding kennis kunnen nemen.
2.7.
De facturen die zien op (vermeend gepleegd) onderhoud worden door de VvE niet geaccepteerd, tenzij wordt vastgesteld dat deze in opdracht van een bevoegd persoon van de VvE zijn uitgevoerd en zijn voorzien van getekende werkbonnen met een duidelijke naam van de opdrachtgever. Daarbij wijst de VvE erop dat haar is gebleken dat [eiser] door daartoe onbevoegde personen is benaderd om werkzaamheden uit te voeren aan de liftinstallatie, waaronder een zekere mevrouw [naam betrokkene ] van appartement nummer 54. De lift is echter eigendom van de VvE, zodat alleen het huidige bestuur ten aanzien daarvan formele opdrachten kan verstrekken.
2.8.
Tot slot stelt de VvE zich op het standpunt dat de gevorderde rente dient te worden berekend vanaf 22 mei 2025, zijnde het moment dat de eerste correspondentie door [eiser] aan het bestuur van de VvE is aangereikt.
2.9.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Kern van het geschil betreft de vraag of de VvE gehouden is tot betaling van de door [eiser] in deze procedure gevorderde facturen.
Facturen met betrekking tot de serviceovereenkomst
3.2.
[eiser] vordert onder meer betaling van een viertal facturen
die zien op de jaarlijkse facturering (in de periode 2022 tot en met 2025) van een serviceovereenkomst die zij stelt met de VvE ten aanzien van haar liftinstallatie te hebben gesloten. Dit betreft de facturen met de factuurnummers 344185503, 344191846, 344201296 en 344209113. De VvE heeft het bestaan van een serviceovereenkomst tussen partijen, en daarmee ook de verschuldigdheid van deze kosten, betwist.
3.3.
Vast staat dat de VvE op 10 december 2002 met [naam bedrijf] een serviceovereenkomst met betrekking tot haar liftinstallatie heeft gesloten. Uit die serviceovereenkomst volgt dat de overeenkomst is aangegaan voor de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 en dat na het verstrijken van deze periode de overeenkomst telkens van rechtswege voor 1 jaar wordt verlengd, tenzij één van partijen aan de andere partij schriftelijk heeft medegedeeld géén verlenging te wensen. Gesteld nog gebleken is dat de VvE op enig moment (schriftelijk) heeft aangegeven deze serviceovereenkomst niet te willen verlengen, zodat er vanuit wordt gegaan dat deze serviceovereenkomst telkens stilzwijgend voor de duur van één jaar is verlengd.
3.4.
[eiser] heeft gesteld, en met stukken onderbouwd, dat zij op 31 december 2020 met [naam bedrijf] is gefuseerd. Het gevolg hiervan is dat [naam bedrijf] per 1 januari 2021 als rechtspersoon is verdwenen en dat haar gehele vermogen (rechten en verplichtingen) op [eiser] als verkrijgende rechtspersoon is overgegaan. Er is sprake van een verkrijging onder algemene titel waarbij de gezamenlijke rechten en verplichtingen overgaan zonder dat daarvoor een nadere rechtshandeling – zoals levering – is vereist.
3.5.
Bij een fusie geldt ten aanzien van lopende overeenkomsten dat deze in principe gewoon blijven bestaan en automatisch overgaan naar de verkrijgende partij, tenzij anders is vermeld in de overeenkomst zelf. Uit de serviceovereenkomst gesloten tussen [naam bedrijf] en de VvE volgt niet dat fusie leidt tot beëindiging van de overeenkomst, dan wel dat de overeenkomst niet overdraagbaar is. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de serviceovereenkomst is blijven bestaan en met de fusie op [eiser] is overgegaan. Voor het voortbestaan van de serviceovereenkomst behoefde [eiser] de VvE immers niet om toestemming voor contractsovername te vragen. Evenmin was het sluiten van een nieuwe serviceovereenkomst, zoals door de VvE wordt gesteld, vereist.
3.6.
Door de VvE is als zodanig niet betwist dat [eiser] in de periode van 2021 tot en met 2025 met betrekking tot de liftinstallatie werkzaamheden uit hoofde van de serviceovereenkomst heeft uitgevoerd en evenmin dat de door [eiser] voor het jaar 2021 verzonden factuur door de VvE is betaald. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de VvE op de hoogte was van de fusie. Nu daarnaast niet is bestreden dat de facturen voor de jaren 2022 tot en met 2025 onbetaald zijn gelaten, is zij alsnog tot betaling daarvan gehouden. De vordering tot betaling van de facturen met factuurnummers 344185503, 344191846, 344201296 en 344209113 is dan ook toewijsbaar, hetgeen neerkomt op toewijzing van een bedrag van (in totaal) € 3.932,69.
Facturen met betrekking tot verzoeken tot reparatie/onderhoud
3.7.
Met betrekking tot de overige door [eiser] in de onderhavige procedure gevorderde facturen geldt dat [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat zij in opdracht van de VvE (en over meerdere jaren verspreid) diverse (reparatie)werkzaamheden aan de liftinstallatie heeft verricht. Daarbij heeft zij gemeld dat in alle gevallen de heer of mevrouw [naam betrokkene ] opdrachtgever/melder met betrekking tot de storing is geweest. Volgens de VvE zijn de reparatiewerkzaamheden waar de facturen op zien, niet verricht op basis van een opdracht die is gegeven door een daartoe bevoegd persoon en is de VvE dan ook niet gehouden tot betaling van deze facturen.
3.8.
Artikel 5:126 lid 1 BW Pro bepaalt dat de vereniging van eigenaars het beheer voert over de gemeenschap, met uitzondering van gedeelten die bestemd zijn als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Onder beheer valt ook het plegen van onderhoud en het uitvoeren van reparaties. De vereniging van eigenaars vertegenwoordigt – binnen de grenzen haar gesteld door de wet en het reglement – de gezamenlijke eigenaars. Normaliter zal dan op zijn beurt het bestuur weer de vereniging van eigenaars vertegenwoordigen.
Voor de uitoefening van de vertegenwoordigingsbevoegdheid door het bestuur van de VvE is vereist dat dit handelt binnen de grenzen van haar bevoegdheid. Of dit het geval is, zal in de eerste plaats afhangen van de statuten van de VvE en het reglement. Hieruit zal ook moeten blijken of het bestuur alleen kan handelen, dan wel of een machtiging van de vergadering van eigenaars nodig is.
Facturen met de factuurnummers 453613350 en 453616210
3.9.
Ten aanzien van de facturen met de factuurnummers 453613350 en 453616210 kan op basis van de door [eiser] overgelegde stukken worden vastgesteld dat de heer [naam betrokkene 2] namens de VvE een opdracht tot de gefactureerde werkzaamheden heeft verstrekt. Uit de stellingen van de VvE maakt de kantonrechter op dat de heer [naam betrokkene 2] in de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2023 de administratie voor de VvE verzorgde en penningmeester van de VvE was. De kantonrechter gaat er op basis van het voorgaande dan ook vanuit dat de heer [naam betrokkene 2] ten tijde van het verstrekken van de voornoemde opdrachten (in ieder geval onderdeel van) het bestuur vormde en ook bevoegd was om een dergelijke opdracht te verstrekken. Uit de stellingen van de VvE zelf volgt namelijk dat alleen het bestuur bevoegd is om dergelijke opdrachten te verstrekken en de heren [naam] en [naam] waren op dat moment nog geen bestuurders. De voornoemde facturen zijn dan ook toewijsbaar, hetgeen leidt tot toewijzing van een bedrag van (in totaal) € 1.731,10.
Facturen met de factuurnummers 473831155, 473832349, 473843546, 473848073 en 473863066
3.10.
Met betrekking tot de facturen 473831155, 473832349, 473843546, 473848073 en 473863066 kan op basis van de door [eiser] overgelegde stukken worden opgemaakt dat mevrouw [naam betrokkene ] (dan wel [naam betrokkene ] ) van appartement nummer 54 een opdracht tot reparatie heeft verstrekt. Ten aanzien daarvan heeft de VvE gesteld dat daar waar door [eiser] wordt gesproken over de heer of mevrouw [naam betrokkene ] , de heer of mevrouw [naam betrokkene ] van appartement nummer 54 is bedoeld, en dat deze personen niet bevoegd zijn om dergelijke opdrachten namens de VvE te verstrekken.
3.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat mevrouw [naam betrokkene ] van appartement nummer 54 bevoegd was om namens de VvE een opdracht tot het verrichten van werkzaamheden aan de liftinstallatie te verstrekken. [eiser] heeft enkel gesteld dat zij van mevrouw [naam betrokkene ] opdrachten tot reparatie heeft ontvangen en door de VvE is betwist dat mevrouw [naam betrokkene ] daartoe bevoegd was. Het had dan ook op de weg van [eiser] gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat en, zo ja, op basis waarvan (zij erop mocht vertrouwen dat) mevrouw [naam betrokkene ] bevoegd was om namens de VvE dergelijke opdrachten te verstrekken, maar dit heeft zij niet gedaan.
3.12.
Daarbij komt dat de kantonrechter van oordeel is dat het ook op de weg van [eiser] had gelegen om, alvorens tot uitvoering van de verstrekte opdrachten over te gaan, na te gaan wie er namens de VvE bevoegd was om dergelijke opdrachten te verstrekken. Een en ander kan onder andere worden achterhaald door het opvragen van een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (dan wel, voor zover nodig, de statuten) waaruit volgt wie bevoegd is om op te treden namens de VvE. Het voorgaande geldt te meer nu er vanuit kan worden gegaan dat [eiser] als leverancier en reparateur van liften vaker van doen zal hebben met VvE’s en dat van haar verwacht mag worden dat zij op de hoogte is van de wettelijke bevoegdheidsregels binnen een vereniging van eigenaars. Gesteld nog gebleken is echter dat [eiser] het Handelsregister heeft geraadpleegd dan wel dat zij op andere wijze navraag bij de VvE heeft gedaan.
3.13.
Met betrekking tot de factuur met factuurnummer 473863066 geldt dat in het geval [eiser] voorafgaand aan haar werkzaamheden wel tot raadpleging van het Handelsregister was overgegaan, zij had kunnen constateren dat (enkel) de heren [naam] en [naam] (zij het met beperkingen) vanaf 1 januari 2024 alleen/zelfstandig bevoegd waren tot het geven van opdrachten. Daarnaast geldt ten aanzien van de facturen met factuurnummers 473831155, 473832349, 473843546, 473848073, die zien op de periode vóór 1 januari 2024, dat [eiser] dan tot de conclusie was gekomen dat de VvE niet stond ingeschreven in het handelsregister, hetgeen des te meer reden was geweest om verdere navraag bij de VvE te doen.
3.14.
De overeenkomsten van opdracht die ten grondslag liggen aan de facturen met de factuurnummers 473831155, 473832349, 473843546, 473848073 en 473863066 zijn gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet rechtsgeldig tot stand gekomen tussen [eiser] en de VvE. De VvE is daaraan dan ook niet gebonden. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van de facturen met de factuurnummers 473831155, 473832349, 473843546, 473848073 en 473863066 wordt afgewezen.
Facturen met de factuurnummers 453617611 en 453620523
3.15.
Uit de facturen met de factuurnummers 453617611 en 453620523 kan geen opdrachtgever worden afgeleid en [eiser] heeft daaromtrent ook niets gesteld. Wel staat op deze facturen vermeld dat het daarop staande offerte- en opdrachtnummer automatisch wordt gegenereerd naar aanleiding van de keuringsaankondiging van de keurende instantie en dat de werkzaamheden betreffen het assisteren van de inspecteur van de keurende instantie tijdens de wettelijk verplichte vervolgkeuringen. Nu door [eiser] in het geheel niets is gesteld over de grondslag van deze vordering, bijvoorbeeld of er door de VvE een aparte opdracht hiertoe is verstrekt (en zo ja, door wie) dan wel op basis waarvan deze kosten niet in de serviceovereenkomst zijn inbegrepen, wordt dit deel van de vordering, bij gebreke van een vaststaande rechtsgrond, afgewezen.
Toewijsbare hoofdsom
3.16.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat aan hoofdsom in totaal wordt toegewezen een bedrag van € 5.663,79 (€ 3.932,69 + € 1.731,10).
Wettelijke handelsrente
3.17.
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente, tot en met 4 september 2025 berekend op € 1.815,80. De VvE heeft bezwaar gemaakt daartegen, daartoe stellende dat de rente pas dient te worden berekend vanaf 22 mei 2025, zijnde de eerste kennisgeving aan het bestuur.
3.18.
De kantonrechter is van oordeel dat de door de VvE genoemde omstandigheid, inhoudende dat het sinds 1 januari 2024 aangetreden bestuur niet eerder bekend was met de facturen van [eiser] , voor haar eigen rekening en risico komt. Volgens de VvE was de administratie in de periode van 1 september 2020 tot en met 31 december 2023 namelijk in handen van [naam administratiekantoor] , meer in het bijzonder de heer [naam betrokkene 2] , en heeft laatstgenoemde niet of nauwelijks iets aan de administratie gedaan ten gevolge waarvan een achterstand is ontstaan. Het niet op orde hebben van de administratie is echter een omstandigheid die niet aan [eiser] kan worden tegengeworpen. Gesteld nog gebleken is daarnaast dat de facturen van [eiser] in die periode in het geheel niet bij de VvE, dan wel de heer [naam betrokkene 2] (als penningmeester van de VvE), terecht zijn gekomen. Vanaf 1 januari 2024 mochten de facturen bovendien worden gericht aan het adres [adres] , nu dit ook het adres betreft dat in het Handelsregister als adres van de VvE staat vermeld.
3.19.
Omdat er minder aan hoofdsom wordt toegewezen dan bij dagvaarding is gevorderd, zal de handelsrente worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de opeisbaarheid der respectievelijke bedragen.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.20.
[eiser] heeft ook nog aanspraak gemaakt op een bedrag van € 790,95 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit).
3.21.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelet op het toegewezen bedrag aan hoofdsom
niet in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief dat redelijk wordt geacht. Derhalve wordt conform het in het voornoemd besluit genoemde tarief een bedrag van € 658,18 toegewezen.
Proceskosten
3.22.
De VvE is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.529,35

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt de VvE om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.321,97 aan hoofdsom en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ingevolge artikel 6:119a BW over de hoofdsom, vanaf de opeisbaarheid van de respectievelijke bedragen tot aan de dag van volledige betaling,
4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
2108