ECLI:NL:RBGEL:2026:3365

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ARN 24_8548
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.96 Wet IB 2001Art. 6.16 Wet IB 2001Art. 6.36 Wet IB 2001Art. 2, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964Art. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2019 inzake vrijwilligerswerk en specifieke zorgkosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, met name over de aftrek van kosten gerelateerd aan vrijwilligerswerk en specifieke zorgkosten. De inspecteur had de aanslag vastgesteld op een belastbaar inkomen van €35.669 en een belastingrente van €2 na vermindering op bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende geen recht had op aftrek wegens een negatief resultaat uit overige werkzaamheden, omdat er geen sprake was van een bron van inkomen aangezien geen vergoeding werd ontvangen voor het vrijwilligerswerk. Daarnaast werd geen hogere aftrek wegens specifieke zorgkosten toegekend, omdat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde voor hogere kosten dan reeds erkend.

De rechtbank wees ook de subsidiaire stelling af dat de kosten als gift aftrekbaar zouden zijn, omdat niet was aangetoond dat belanghebbende aanspraak had op een vergoeding en daarvan had afgezien. Verder werden diverse posten zoals medicijnkosten, vervoerskosten, kleding en hulpmiddelen beoordeeld, waarbij de rechtbank de aanslag van de inspecteur bevestigde.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en belastingrente ongewijzigd blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2019 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8548

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.347.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 5 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Op 23 februari 2021, 21 oktober 2022 en op 3 en 4 mei 2023 heeft belanghebbende herziene aangiften IB/PVV 2019 ingediend. Deze zijn door de inspecteur als een verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling genomen. De inspecteur heeft het verzoek met dagtekening 19 oktober 2023 afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij brief van 26 november 2024 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De formele uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 10 december 2024. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.669 en heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot € 2.
Belanghebbende heeft daartegen op 24 oktober 2024 beroep ingesteld.
Op 6 december 2024 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daarbij is door de rechtbank het volgende besproken:

Belastingjaar 2019 (zaaknummer24/8548)
10. De inspecteur heeft met dagtekening 10 december 2024 uitspraak op bezwaar inzake de aanslag IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan.
11. Belanghebbende dient, indien zij het niet eens is met de inhoud van de uitspraak op bezwaar, binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak op bezwaar de gronden van het beroep bij de rechtbank in te dienen. De rechtbank verzoekt belanghebbende daarbij om duidelijk aan te geven waarom zij het niet eens is met de uitspraak op bezwaar, een berekening van de volgens belanghebbende juiste bedragen op te stellen en de bijlagen bij te voegen waarmee zij de door haar in haar berekening opgenomen bedragen onderbouwd. Andere informatie, bijvoorbeeld stukken met betrekking tot andere belastingjaren, hoeft niet door belanghebbende overgelegd te worden.”
Belanghebbende heeft op 31 december 2024 de gronden van het beroep bij de rechtbank ingediend.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B] .
De zaak is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de zaken van belanghebbende met de nummers 24/9226, 24/9227 en 24/9229.

Feiten

1. Belanghebbende is woonachtig in [plaats] , [locatie] .
2. Belanghebbende heeft een vrijwilligersovereenkomst met Radboud Universitair Medisch Centrum ( Radboud UMC ) gesloten. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met als ingangsdatum 27 november 2017. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“6. De vrijwilliger kan geen aanspraak maken op enigerlei vergoeding van het Radboudumc voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van een reiskostenvergoeding voor het heen en weer reizen tussen het huisadres en het Radboudumc . De reiskostenvergoeding wordt berekend op basis van het gebruik openbaar vervoer tegen het laagste tarief met een maximum van € 10 per dag.”
3. Belanghebbende heeft een vrijwilligersovereenkomst met Dagelijks Leven gesloten. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met als ingangsdatum 4 maart 2019. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“4. Geen vergoeding
Tussen Dagelijks Leven en de vrijwilliger bestaat geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW Pro. De vrijwilliger ontvangt voor zijn werkzaamheden derhalve geen loon. Evenmin ontvangt de vrijwilliger een vaste onkostenvergoeding. Alle relevante onkosten die de vrijwilliger maakt ten behoeve van de vrijwilligerswerkzaamheden worden door Dagelijks Leven vergoed, mits besproken en goedgekeurd door de locatiemanager.”
4. Belanghebbende volgt vanaf het jaar 2018 een dieet voor voedselovergevoeligheid (nummer 42 op de dieetbevestiging van 2019) en een dieet voor epilepsie (nummer 48 op de dieetbevestiging 2019).
5. Belanghebbende heeft aangiften ingediend, waarbij zij een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft opgevoerd. Het onderdeel “resultaat uit overige werkzaamheden” ten bedrage van per saldo negatief € 2.314 in de herziene aangiften is als volgt opgebouwd:
Inkomsten:
- vrijwilligerswerk
€ 140
Aftrekbare kosten:
- telefoon en internet
€ 1.224
- reiskosten
€ 1.230
6. In de uitspraak op bezwaar van 10 december 2024 heeft de inspecteur geen aftrek wegens negatief resultaat uit overige werkzaamheden toegestaan en heeft aan uitgaven wegens specifieke zorgkosten een bedrag van € 1.277 meegenomen, onder aftrek van het drempelbedrag van € 599. Per saldo is volgens de inspecteur een bedrag van € 678 aftrekbaar als aftrek wegens specifieke zorgkosten.
7. Het verzamelinkomen is als volgt vastgesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 11.721
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 24.626
Persoonsgebonden aftrek:
- uitgaven voor specifieke zorgkosten
-/- € 678
Belastbaar inkomen box 1
€ 35.669

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt de aanslag IB/PVV 2019 aan de hand van de beroepsgronden. In geschil is het antwoord op:
- de vraag of de inspecteur terecht geen aftrek vanwege een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft toegestaan;
- de vraag of de inspecteur een hogere aftrek had moeten toestaan wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten.
9. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Resultaat uit overige werkzaamheden / gift
10. Belanghebbende heeft in de herziene aangifte een negatief bedrag als resultaat uit overige werkzaamheden van € 2.314 in aftrek gebracht. Dit houdt verband met vrijwilligerswerk bij Radboud UMC en bij Dagelijks Leven . Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op aftrek van reiskosten en overige kosten die zij ten behoeve van dit vrijwilligerswerk heeft gemaakt.
11. In de vrijwilligersovereenkomst met Radboud UMC is opgenomen dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op enigerlei vergoeding van het Radboud UMC voor de uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van de reiskosten. Dit wordt ondersteund door de specificatie van het resultaat uit overige werkzaamheden in de herziene aangifte, waarin eveneens geen inkomsten zijn vermeld ter zake van het door belanghebbende verrichte vrijwilligerswerk. Ook in de vrijwilligersovereenkomst met Dagelijks Leven is opgenomen dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor de werkzaamheden.
12. Wil sprake zijn van ‘resultaat uit overige werkzaamheden’, moet allereerst sprake zijn van een ‘bron van inkomen’. Daarvoor is onder meer vereist dat uit de werkzaamheden redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Omdat belanghebbende geen inkomsten uit de werkzaamheden heeft, is een voordeel daaruit niet te verwachten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bron van inkomen. Er is namelijk per saldo redelijkerwijs geen voordeel uit deze werkzaamheden te verwachten. De inkomsten zijn niet belast bij het ontbreken van een bron van inkomen, hetgeen betekent dat de daarmee samenhangende kosten ook niet aftrekbaar zijn.
13. Bovendien geldt op grond van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) onder voorwaarden een vrijstelling voor vergoedingen voor vrijwilligerswerk. De inspecteur heeft de ontvangen reiskostenvergoedingen terecht evenmin tot het resultaat gerekend op grond van deze bepaling, omdat deze niet hoger waren dan de bedragen uit artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
14. De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende vervolgens zo dat zij subsidiair betoogt dat zij recht heeft op aftrek als gift, omdat zij heeft afgezien van een vrijwilligersvergoeding.
15. Artikel 6.36 van de Wet IB 2001 regelt dat, voor zover wordt afgezien van vergoedingen waar recht op bestaat, deze vergoedingen onder voorwaarden worden aangemerkt als gift. Giften zijn enkel aftrekbaar als deze zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Een andere voorwaarde is dat belanghebbende als vrijwilliger aanspraak moet kunnen maken op een vergoeding. En vervolgens moet belanghebbende van die vergoeding hebben afgezien. Op welke vergoeding belanghebbende aanspraak kon maken is niet duidelijk geworden. Uit de vrijwilligersovereenkomst blijkt niet dat belanghebbende een vrijwilligersvergoeding heeft afgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen grond bestaat voor aftrek van een gift.
Uitgaven wegens specifieke zorgkosten
16. In de toelichting bij de uitspraak op bezwaar is het volgende overzicht opgenomen:
Aangegeven
Verzoek ambtshalve vermindering
Uitspraak op bezwaar
ROW
- € 2.314
- € 0
Medicijnen
€ 43
€ 0
€ 0
Hulpmiddelen
€ 100
€ 0
€ 0
Vervoerskosten
€ 45
€ 45
€ 400
Dieetkosten
€ 150
€ 0
€ 500
Kleding/ beddengoed
€ 75
€ 0
€ 300
Genees/ heelkundige hulp
€ 45
€ 77
€ 77
Reiskosten
€ 112
€ 0
€ 0
Bij: verhoging
€ 166
€ 49
€ 0
Totaal
€ 736
€ 171
€ 1.277
Drempel
-/- € 561
€ 561
€ 599
Aftrek specifieke zorgkosten
€ 175
€ 0
€ 678
Uitgaven weekendbezoek gehandicapten
€ 2.600
€ 0
Restant persoonsgebonden aftrek
€ 4.378
€ 0
Kosten van medicijnen
17. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in 2019 € 43 aan medicijnen heeft uitgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek vanwege kosten van medicijnen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk is of en zo ja welk deel van de kosten door een arts is voorgeschreven en of deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Zo heeft belanghebbende geen vergoedingenoverzicht van de zorgverzekeraar overgelegd.
Dieetkosten
18. Belanghebbende heeft een dieetverklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij vanaf 2018 twee diëten volgt. De inspecteur heeft daarom in de uitspraak op bezwaar een aftrek wegens dieetkosten van € 500 toegestaan. Dit bedrag is niet in geschil.
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende vervolgens tegenover de betwisting door de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op een hogere aftrek van vervoerskosten dan het reeds door de inspecteur toegekende bedrag van € 400.
20. Belanghebbende reisde met het openbaar vervoer. Als betalingsbewijs heeft belanghebbende bankafschriften van de opwaarderingen van haar OV-chipkaart overgelegd. Daaruit is niet te achterhalen welke opwaardering is gebruikt voor vervoer van en naar locaties waar een genees- en heelkundige behandeling plaatsvindt. De inspecteur heeft in het verweerschrift uit de overgelegde afspraakinformatie een aftrek wegens vervoerskosten van € 56 becijferd. Omdat de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar een aftrek van € 400 had berekend, komt hij daar niet op terug. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aftrek op een hoger bedrag vast te stellen.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
21. De inspecteur heeft in het verweerschrift alsnog een aftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300 toegestaan. Belanghebbende meent dat zij aanspraak kan maken op aftrek van het hoge forfaitaire bedrag van € 750. Belanghebbende dient daarvoor onder meer aan te tonen dat de extra uitgaven rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit en dat de uitgaven hoger waren dan € 600. [1]
22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aangetoond dat haar uitgaven hoger waren dan € 600. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek.
Genees- en heelkundige hulp
23. Belanghebbende heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt voor genees- en heelkundige hulp. Belanghebbende heeft facturen overgelegd van Therapiecentrum Rotterdam voor diverse behandelingen van overige natuurgeneeskunde. Het gaat om een totaalbedrag van € 214. Belanghebbende heeft gesteld dat zij hierover heeft gesproken met haar arts.
24. Bij de aftrek wegens uitgaven voor genees- en heelkundige hulp gaat het – kort gezegd – om kosten voor tandarts of specialist, verpleging in een ziekenhuis of andere verpleeginstelling, paramedische behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus of een behandeling door een paramedicus waarvoor geen verwijzing door een arts nodig is.
25. De door belanghebbende overgelegde stukken leiden niet tot een hogere aftrek omdat niet duidelijk is of de uitgaven zijn gedaan in verband met ziekte of invaliditeit. Dergelijke uitgaven worden namelijk niet alleen gedaan door personen die ziek of invalide zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van behandelingen op voorschrift van een arts en ook niet of belanghebbende daarvoor een vergoeding heeft ontvangen van de zorgverzekeraar. De bezwaarbehandelaar heeft ten onrechte een bedrag van € 77 aan tandartskosten van 2020 in aftrek toegestaan. Daar komt de inspecteur niet op terug.
Hulpmiddelen
26. Belanghebbende heeft gesteld dat de kosten van door haar gekochte stevige schoenen aftrekbaar zijn als hulpmiddelen, omdat zij deze schoenen op advies van een orthopedisch chirurg heeft moeten aanschaffen. De rechtbank is van oordeel dat de kosten hiervan niet aftrekbaar zijn, omdat hulpmiddelen slechts aftrekbaar zijn voor zover die hulpmiddelen van zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt. Stevige schoenen voldoen daar niet aan. De inspecteur heeft daarom terecht geen aftrek op dit punt toegestaan.
27. Belanghebbende heeft verder gesteld dat zij uitgaven heeft gedaan wegens specifieke zorgkosten ten behoeve van haar vader. Vader woonde in 2019 echter niet bij belanghebbende, zodat hij op grond van artikel 6.16 van de Wet IB 2001 niet als inwonende zorgafhankelijke ouder kwalificeert en daarmee tot de kring van personen van belanghebbende behoort. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur terecht geen uitgaven voor specifieke zorgkosten ter zake van vader in aftrek heeft toegestaan.
28. De drempel voor de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten dient voor 2019 gelet op het in de aanslag IB/PVV 2019 opgenomen inkomen uit werk en woning van € 36.347 (waarbij geen aftrek wegens buitengewone uitgaven is toegepast) te worden vastgesteld op € 599 (1,65% van € 36.347). De inspecteur heeft het drempelbedrag juist berekend.
29. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten door de inspecteur niet op een te laag bedrag is vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

30. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrentebeschikking zoals vastgesteld bij de uitspraak op bezwaar, in stand blijft.
31. Omdat het beroep ongegrond is krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem , Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 38 Uitvoeringsregeling Pro inkomstenbelasting 2001.