ECLI:NL:RBGEL:2026:3367

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
AWB 24/9226
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.16 Wet IB 2001Art. 6.18 Wet IB 2001Art. 6.36 Wet IB 2001Art. 3.96 Wet IB 2001Art. 2, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2017 wegens specifieke zorgkosten en vrijwilligerswerk

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de inspecteur inzake de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017. De inspecteur had de aanslag vastgesteld op een belastbaar inkomen van €43.819 en een belastingrente van €32 in rekening gebracht. Belanghebbende diende een herziene aangifte in met een negatief resultaat uit overige werkzaamheden vanwege vrijwilligerswerk en verzocht om aftrek van specifieke zorgkosten.

De rechtbank oordeelt dat de loon- en inkomensgegevens door de inspecteur juist zijn verwerkt en dat belanghebbende geen bewijs heeft geleverd dat deze onjuist zijn. De aftrek wegens vrijwilligerswerk wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een bron van inkomen en geen vergoeding is ontvangen. Ook het subsidiaire beroep op aftrek als gift wordt verworpen wegens het ontbreken van een aanspraak op vergoeding.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek wegens specifieke zorgkosten, waaronder vervoerskosten en extra uitgaven voor kleding en beddengoed. De kosten voor genees- en heelkundige hulp worden niet toegekend vanwege onvoldoende bewijs en het ontbreken van medische voorschriften. De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €42.983. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €42.983 vanwege een hogere aftrek voor specifieke zorgkosten en extra uitgaven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9226

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het (rechtstreeks) beroep van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van 30 oktober 2025. Met die beschikking heeft de inspecteur beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.819. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 32 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
Het daartegen ingestelde bezwaar, beroep en hoger beroep is ongegrond verklaard. Het beroep in cassatie is met dagtekening 15 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
Het daartegen gerichte verzoek tot herziening van het arrest is door de Hoge Raad met dagtekening 22 november 2024 niet-ontvankelijk verklaard (met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 een herziene aangifte IB/PVV over het jaar 2017 ingediend. Deze herziene aangifte is door de inspecteur aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslag.
Het beroep is behandeld op een regiezitting van 6 december 2024. Omdat de rechtbank tot het oordeel was gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft zij het onderzoek heropend op 10 januari 2025. Tijdens de zitting heeft de inspecteur het bezwaar alsnog aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Op dat verzoek heeft de inspecteur beslist bij beschikking van 30 oktober 2025.
Belanghebbende heeft op 10 november 2025 gereageerd op de beschikking. Deze reactie is, met instemming van partijen, aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
De zaak is gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met de nummers 24/8548, 24/9227 en 24/9229.

Feiten

1. Belanghebbende is woonachtig in [plaats], [locatie]. In onderhavig belastingjaar woonde de vader van belanghebbende, [naam vader], vanaf 6 februari tot en met 31 december op hetzelfde adres als dat van belanghebbende.
2. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2018 de eerste aangifte IB/PVV 2017 gedaan. Daarin is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt samengesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 38.553
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 5.266
Belastbaar inkomen box 1
€ 43.819
3. De aanslag IB/PVV 2017 is conform de ingediende aangifte opgelegd.
4. Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 een herziene aangifte IB/PVV 2017 ingediend.
5. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is in de herziene aangifte als volgt samengesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 38.553
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 5.266
Resultaat uit overige werkzaamheden
-/- € 3.290
Belastbaar inkomen box 1
€ 40.529
6. Het onderdeel “resultaat uit overige werkzaamheden” ten bedrage van per saldo negatief € 3.290 in de herziene aangifte is als volgt opgebouwd:
Inkomsten:
- vrijwilliger
€ 0
Aftrekbare kosten:
- abonnement en internet
€ 1.044
- reiskosten
€ 1.596
- administratieve zaken en zaken m.b.t. UWV en ziekenhuis na hersenoperatie
€ 650
7. Belanghebbende heeft een vrijwilligersovereenkomst met Radboud Universitair Medisch Centrum (Radboud UMC) gesloten. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met als ingangsdatum 27 november 2017. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“6. De vrijwilliger kan geen aanspraak maken op enigerlei vergoeding van het Radboudumc voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van een reiskostenvergoeding voor het heen en weer reizen tussen het huisadres en het Radboudumc. De reiskostenvergoeding wordt berekend op basis van het gebruik openbaar vervoer tegen het laagste tarief met een maximum van € 10 per dag.”
8. In de aangifte en in de herziene aangifte van 21 oktober 2022 heeft belanghebbende geen aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen.
9. De inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017.
10. In de beschikking op het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur geen aftrek wegens negatief resultaat uit overige werkzaamheden toegestaan en heeft aan uitgaven wegens specifieke zorgkosten een bedrag van € 1.402 aan vervoerskosten meegenomen, onder aftrek van het drempelbedrag van € 866. Per saldo is een bedrag van € 536 aftrekbaar als aftrek wegens specifieke zorgkosten.
11. Het verzamelinkomen is als volgt vastgesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 38.553
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 5.266
Persoonsgebonden aftrek:
- uitgaven voor specifieke zorgkosten
-/- € 536
Belastbaar inkomen box 1
€ 43.823

Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank beoordeelt de verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 aan de hand van de beroepsgronden. Het geschil ziet op:
- de vraag of loon-/inkomensgegevens door de inspecteur juist in de aanslag zijn verwerkt en terecht niet zijn verminderd in de verminderingsbeschikking;
- de vraag of de inspecteur in de beschikking terecht geen aftrek vanwege een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft toegestaan;
- de vraag of de inspecteur een hogere aftrek had moeten toestaan in de beschikking wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten.
13. Belanghebbende heeft ter zitting van 6 december 2024 ermee ingestemd dat de reactie van belanghebbende op de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering door de inspecteur zal worden aangemerkt als rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a, van de Awb.
14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Looninkomsten
15. Belanghebbende is van mening dat zij minder looninkomsten heeft ontvangen dan dat er door de inhoudingsplichtige is doorgegeven.
16. Voor zover belanghebbende stelt dat de loonopgave onjuist is, ligt het op haar weg daarvan bewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende daar niet in geslaagd. Deze kwestie is reeds tot in hoogste instantie uitgeprocedeerd, waarbij belanghebbende in het ongelijk is gesteld. [1]
17. Belanghebbende heeft op dit punt bovendien geen nieuwe informatie of nieuwe onderbouwende stukken aangeleverd. Op geen enkele wijze is dus aannemelijk geworden dat de gegevens waarop de inspecteur de aanslag heeft gebaseerd onjuist zijn. De inspecteur is dus terecht uitgegaan van de gegevens op de loonopgave, zowel wat het inkomen als wat het bedrag aan loonheffingen betreft.
Resultaat uit overige werkzaamheden / gift
18. Belanghebbende heeft in de herziene aangifte een negatief bedrag als resultaat uit overige werkzaamheden van € 3.290 in aftrek gebracht. Dit houdt verband met vrijwilligerswerk bij Radboud UMC. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op aftrek van reiskosten en overige kosten die zij ten behoeve van dit vrijwilligerswerk heeft gemaakt.
19. In de vrijwilligersovereenkomst met Radboud UMC is opgenomen dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op enigerlei vergoeding van het Radboud UMC voor de uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van de reiskosten. Dit wordt ondersteund door de specificatie van het resultaat uit overige werkzaamheden in de herziene aangifte, waarin eveneens geen inkomsten zijn vermeld ter zake van het door belanghebbende verrichte vrijwilligerswerk.
20. Wil sprake zijn van ‘resultaat uit overige werkzaamheden’, moet allereerst sprake zijn van een ‘bron van inkomen’. Daarvoor is onder meer vereist dat uit de werkzaamheden redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Omdat belanghebbende geen inkomsten uit de werkzaamheden heeft, is een voordeel daaruit niet te verwachten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bron van inkomen. Er is namelijk per saldo redelijkerwijs geen voordeel uit deze werkzaamheden te verwachten. De inkomsten zijn niet belast bij het ontbreken van een bron van inkomen, hetgeen betekent dat de daarmee samenhangende kosten ook niet aftrekbaar zijn.
21. Bovendien geldt op grond van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 onder voorwaarden een vrijstelling voor vergoedingen voor vrijwilligerswerk. De inspecteur heeft de ontvangen reiskostenvergoedingen terecht evenmin tot het resultaat gerekend op grond van deze bepaling, omdat deze niet hoger waren dan de bedragen uit artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
22. De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende vervolgens zo dat zij subsidiair betoogt dat zij recht heeft op aftrek als gift, omdat zij heeft afgezien van een vrijwilligersvergoeding.
23. Artikel 6.36 van de Wet IB 2001 regelt dat, voor zover wordt afgezien van vergoedingen waar recht op bestaat, deze vergoedingen onder voorwaarden worden aangemerkt als gift. Giften zijn enkel aftrekbaar als deze zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Een andere voorwaarde is dat belanghebbende als vrijwilliger aanspraak moet kunnen maken op een vergoeding. En vervolgens moet belanghebbende van die vergoeding hebben afgezien. Op welke vergoeding belanghebbende aanspraak kon maken is niet duidelijk geworden. Uit de vrijwilligersovereenkomst blijkt niet dat belanghebbende een vrijwilligersvergoeding heeft afgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen grond bestaat voor aftrek van een gift.
Uitgaven wegens specifieke zorgkosten
Kosten van medicijnen
24. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in 2017 € 463 heeft uitgegeven aan kosten voor medicijnen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek vanwege kosten van medicijnen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk is of en zo ja welk deel van de kosten door een arts is voorgeschreven en of deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Zo heeft belanghebbende geen vergoedingenoverzicht van de zorgverzekeraar overgelegd. Dit overzicht is nodig voor de beoordeling van de vraag of de kosten op belanghebbende hebben gedrukt.
Uitgaven voor vervoer en in verband met ziekte en invaliditeit
25. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende vervolgens tegenover de betwisting door de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op een hogere aftrek van vervoerskosten dan het reeds door de inspecteur toegekende bedrag van € 1.402.
26. Belanghebbende reisde met het openbaar vervoer. Als betalingsbewijs heeft belanghebbende bankafschriften van de opwaarderingen van haar OV-chipkaart overgelegd. Daaruit is niet te achterhalen welke opwaardering is gebruikt voor vervoer van en naar locaties waar een genees- en heelkundige behandeling plaatsvindt. De inspecteur heeft in het verweerschrift uit de overgelegde afspraakinformatie een aftrek wegens vervoerskosten van € 784 becijferd. Omdat de inspecteur bij de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering een aftrek van € 1.402 had berekend, komt hij daar niet op terug. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aftrek op een hoger bedrag vast te stellen.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
27. De inspecteur heeft in de beroepsfase alsnog een aftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300 toegestaan omdat dit ook voor de jaren 2019 en 2020 door de inspecteur is toegestaan. Het beroep is hierdoor gegrond.
28. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek.
Genees- en heelkundige hulp
29. Belanghebbende heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt voor genees- en heelkundige hulp. Belanghebbende heeft betalingsbewijzen overgelegd van betalingen aan Social Deal met de omschrijving van verschillende massagebehandelingen. Het gaat om een totaalbedrag van € 69. Verder heeft belanghebbende een factuur van een behandeling van Hypnose Instituut Nederland van € 27 overgelegd en een verklaring van Ergotherapie Sadik dat belanghebbende vanaf 2 oktober 2023 in behandeling is bij deze therapeut.
30. Bij de aftrek wegens uitgaven voor genees- en heelkundige hulp gaat het – kort gezegd – om kosten voor tandarts of specialist, verpleging in een ziekenhuis of andere verpleeginstelling, paramedische behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus of een behandeling door een paramedicus waarvoor geen verwijzing door een arts nodig is.
31. De door belanghebbende overgelegde stukken leiden niet tot een hogere aftrek, omdat niet duidelijk is of de uitgaven zijn gedaan in verband met ziekte of invaliditeit. Dergelijke uitgaven worden namelijk niet alleen gedaan door personen die ziek of invalide zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van behandelingen op voorschrift van een arts en ook niet of belanghebbende daarvoor een vergoeding heeft ontvangen van de zorgverzekeraar. De kosten van de ergotherapeut zijn pas in 2023 gemaakt en komen daardoor niet in 2017 voor aftrek in aanmerking. Belanghebbende heeft nog informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij wordt begeleid door de Wijk Teams [plaats] op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015. Eventuele daaruit voortvloeiende kosten zijn niet aftrekbaar op grond van artikel 6.18, eerste lid, van de Wet IB 2001.
32. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij uitgaven heeft gedaan wegens specifieke zorgkosten ten behoeve van haar vader, die sedert begin 2017 bij haar woont. Op grond van artikel 6.16 van de Wet IB 2001 behoren inwonende zorgafhankelijke ouders tot de kring van personen van belanghebbende. Belanghebbende heeft echter geen concrete bewijsstukken overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat de betreffende uitgaven zijn gedaan en dat die uitgaven op belanghebbende hebben gedrukt.
33. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht geen hogere aftrek wegens kosten voor genees- en heelkundige hulp toegestaan.
34. De drempel voor de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten dient voor 2017 - gelet op het in de aanslag IB/PVV 2017 opgenomen inkomen uit werk en woning van € 43.819 (waarbij geen aftrek wegens buitengewone uitgaven is toegepast) - te worden vastgesteld op € 866 (1,65% van € 40.296 + 5,75% van € 3.523). De inspecteur heeft het drempelbedrag juist berekend.
35. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten als volgt dient te worden vastgesteld:
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte en invaliditeit
€ 1.402
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 300
Uitgaven specifieke zorgkosten voor verhoging
€ 1.702
Af: drempel
-/- € 866
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 836
36. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient voor 2017 daarom te worden vastgesteld op € 42.983, berekend als volgt:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 38.553
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 5.266
Persoonsgebonden aftrek:
- uitgaven voor specifieke zorgkosten
-/- € 836
Belastbaar inkomen box 1
€ 42.983

Conclusie en gevolgen

37. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2017 wordt verminderd.
38. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
39. In deze zaak is geen griffierecht geheven. De inspecteur hoeft dan ook geen griffierecht te vergoeden aan belanghebbende.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2017 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.983;
- wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 22 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5377, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9908, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3357 en Hoge Raad 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1261.