ECLI:NL:RBGEL:2026:3369

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
AWB 21/3039
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 22j AwirArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 9.6 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar inkomstenbelasting 2017 ongegrond

De rechtbank Gelderland heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift inkomstenbelasting 2017. De inspecteur had het bezwaar van de erflaatster niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de wettelijke termijn was ingediend. Het beroep van de erven tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is door de rechtbank ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift te laat was ingediend, namelijk op 24 februari 2021, terwijl de termijn op 23 december 2020 was verstreken. Er was geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank wees ook verzoeken om uitstel van de zitting af vanwege het belang van een doelmatige procesvoortgang en het ontbreken van medische gronden.

Daarnaast behandelde de rechtbank een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op een overschrijding van circa 41 maanden kende de rechtbank een vergoeding toe van €1.750 aan de belanghebbenden, waarbij rekening werd gehouden met samenhangende procedures en gezamenlijke behandeling. De Staat werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

De rechtbank bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat het griffierecht niet wordt teruggegeven. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt en biedt de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift inkomstenbelasting 2017 is ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding van €1.750 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/3039

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

de erven van [persoon A], uit [plaats], belanghebbenden

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur

en
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbenden tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 juni 2021.
De inspecteur heeft aan erflaatster, [persoon A], voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.603.
De inspecteur heeft het bezwaar van erflaatster niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaarschrift ook aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en het verzoek afgewezen. Het daartegen gerichte bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen mr. [persoon B] en [persoon C].
Belanghebbenden zijn door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 december 2025, op het adres [adres], [postcode] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbenden zijn zonder kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL via Track & Trace is gebleken dat de brief op 24 december 2025 op genoemd adres is bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
Het beroep is gezamenlijk behandeld met de beroepen van de echtgenoot van erflaatster, [persoon D] ([persoon D]), met de zaaknummers 21/1327 en 24/6120.

Feiten

1. Erflaatster heeft op 25 juni 2018 een aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, in die aangifte is als volgt opgebouwd:
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 24.081
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 410
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 23.671
2. De inspecteur heeft verzocht om informatie. Naar aanleiding van de ontvangen informatie is de aftrek van de specifieke zorgkosten hoger vastgesteld. Het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens het verzamelinkomen, is in de aanslag met dagtekening 10 november 2020 als volgt vastgesteld:
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 24.081
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 2.478
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 21.603
3. Erflaatster heeft op 24 februari 2021 een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar is door de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 4 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de termijn is ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ook aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen.
4. Op 25 mei 2025 is erflaatster overleden. [persoon D] heeft de procedure van erflaatster (namens de erven-belanghebbenden) voortgezet

Beoordeling door de rechtbank

Verzoeken om de zitting uit te stellen
5. [persoon D] heeft bij brieven van 15 januari 2026, 22 januari 2026, 23 januari 2026, 29 januari 2026 en 4 februari 2026 om uitstel voor de zitting verzocht.
6. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen, omdat het belang van een doelmatige voortgang van de procedures zwaarder weegt dan de belangen van [persoon D] bij toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [persoon D] desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van medische redenen op grond waarvan [persoon D] niet in staat was om de zitting op 27 februari 2026 bij te wonen. Verder is het zo dat de inleidende beroepschriften van twee van de drie procedures dateren van 2021. [persoon D] heeft reeds diverse malen om uitstel verzocht, welke uitstelverzoeken telkens zijn toegewezen. Indien de rechtbank uitstelverzoeken zou blijven inwilligen, zou geen einde komen aan deze procedures. De redelijke termijn is reeds jarenlang overschreden en daarmee komt de behoorlijke procesorde in het geding. [persoon D] heeft voorts aangevoerd dat hem met de afwijzing van de uitstelverzoeken de kans wordt ontnomen een toelichting te geven dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste (drempel)bedragen voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De rechtbank is van oordeel dat [persoon D] in de afgelopen jaren ruimschoots in de gelegenheid is geweest om deze toelichting te geven. Bovendien had die toelichting eenvoudig schriftelijk gegeven kunnen worden.
Geschil
5. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt niet of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Afwijzing verzoek artikel 9.6 van de Wet IB 2001
7. De uitspraak op bezwaar bevat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering (artikel 9.6 van de Wet IB 2001). Tijdens de zitting heeft de inspecteur verklaard dat de brief van 2 juni 2021 is opgevat als een bezwaar hiertegen en dat de inspecteur uitspraak op dat bezwaar heeft gedaan op 27 september 2021. Volgens de inspecteur hebben belanghebbenden daartegen geen beroep ingesteld.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
8. [persoon D] heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar wel ontvankelijk is vanwege een verschoonbare termijnoverschrijding.
8. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat erflaatster terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaar buiten de bezwaartermijn van zes weken is ontvangen zonder dat sprake is van verschoonbaarheid.
9. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. [1] De termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag. [2] Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [4]
10. Gelet op de dagtekening van de aanslag (10 november 2020) eindigde de bezwaartermijn op 23 december 2020. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2017, dat is ontvangen op 24 februari 2021, is dus niet tijdig ingediend.
11. [persoon D] heeft geen reden gegeven waarom erflaatster te laat bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat de rechtbank geen grond ziet voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Immateriële schadevergoeding
12. [persoon D] heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
13. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [5] Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [6] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De inspecteur heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt.
14. De rechtbank gaat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn uit van de ontvangst van het oudste bezwaarschrift in de gezamenlijk behandelde zaken. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van in de zaak van [persoon D] met nummer ARN 21/1327 ontvangen op 25 november 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 41 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn korter of langer vast te stellen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 41 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zeven keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (zeven maal € 500). De zaken van [persoon D] en van belanghebbenden zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbenden en [persoon D] gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbenden en [persoon D] een schadevergoeding van ieder de helft van € 3.500 is € 1.750 toe te kennen. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur in de zaak van [persoon D] met nummer ARN 21/1327, dateert van 20 februari 2021. De periode gelegen tussen 25 november 2020 en 20 februari 2021 is korter dan zes maanden. Dit betekent dat de Staat deze vergoeding moet betalen, dus € 1.750. De rechtbank zal de Staat veroordelen om dit bedrag aan belanghebbenden te betalen.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Belanghebbenden krijgen daarom het griffierecht niet terug. [7] Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
7.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 7.1.1.