ECLI:NL:RBGEL:2026:3371

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ARN 21/1327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 6.19 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op aftrek specifieke zorgkosten en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, met name over de aftrek van specifieke zorgkosten, waaronder extra vervoerskosten wegens ziekte of invaliditeit. De inspecteur had de aftrek gecorrigeerd en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 27 februari 2026, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht de aftrek wegens vervoerskosten had gecorrigeerd, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn werkelijke vervoerskosten hoger waren dan die van vergelijkbare gezonde personen (de maatman). Ook kwam belanghebbende niet in aanmerking voor de verhoging van 113% van de zorgkosten op grond van artikel 6.19 Wet IB 2001, omdat het gezamenlijke verzamelinkomen met zijn echtgenote te hoog was.

Verder wees de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat de inspecteur geen toezegging had gedaan over de aftrek. Wel kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €875 wegens een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 41 maanden. Het beroep op de belastingrente werd eveneens ongegrond verklaard. Het beroep werd daarmee geheel ongegrond verklaard, maar met toekenning van een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van €875 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/1327

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Zwolle, de inspecteur

en
de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 februari 2021.
De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 10 februari 2020 voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.050.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 96 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen mr. [persoon A] en [persoon B].
Belanghebbende is zonder kennisgeving vooraf niet op de zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 23 december 2025 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 27 februari 2026. De rechtbank heeft op 23 december 2025 om 08.56 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 23 december 2025 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.
Het beroep is gezamenlijk behandeld met het beroep van belanghebbende met het zaaknummer 24/6120 en met het beroep van wijlen de echtgenote van belanghebbende, [persoon C] (de echtgenote), met het zaaknummer 21/3039.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [datum] 1951 en was gehuwd met mevrouw [persoon C]. De echtgenote is overleden op 25 mei 2025.
2. Belanghebbende is op 21 april 1991 betrokken geraakt bij een ongeval. Hij is hierdoor invalide geraakt.
3. Belanghebbende heeft op de volgende data aangiften IB/PVV 2017 ingediend, met telkens andere bedragen aan aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten:
28-02-2018;
13-04-2018;
31-12-2018;
13-03-2019;
26-08-2019;
26-08-2019; en
06-09-2019.
4. Belanghebbende heeft in zijn laatstelijk ingediende aangifte IB/PVV 2017 van 6 september 2019 een bedrag van € 4.423 aan specifieke zorgkosten in aanmerking genomen. Deze aftrekpost bestaat uit de volgende onderdelen:
Medicijnen
€ 39
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
€ 1.984
Dieetkosten
€ 1.800
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 600
Totaalbedrag specifieke zorgkosten
€ 4.423
Af: drempelbedrag
€ 1.489
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 2.934
5. Het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aangifte van 6 september 2019 is als volgt opgebouwd:
Belastbare winst
-/- € 3.956
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 39.954
Af: aftrek eigen woning
-/- € 5.426
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 2.934
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 27.638
6. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de volgende opstelling opgenomen van de totale aftrek voor specifieke uitgaven voor zorgkosten (belanghebbende en zijn echtgenote samen):
Medicijnen
€ 39
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
€ 4.233
Extra vervoerskosten
n.v.t.
Dieetkosten
€ 1.800
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 600
Totaalbedrag specifieke zorgkosten
€ 6.672
Af: drempelbedrag
€ 1.716
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 4.956
Bij belanghebbende en bij de echtgenote is bij ieder € 2.478 (50% van € 4.956) in aftrek toegestaan.
7. In de uitspraak op bezwaar gedagtekend 20 februari 2020 is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt opgebouwd:
Belastbare winst
-
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 39.954
Af: aftrek eigen woning
-/- € 5.426
Inkomen vóór persoonsgebonden aftrek
€ 34.528
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 2.478
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 32.050
8. Bij brief van 5 maart 2021 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 20 februari 2020.
9. In de beroepsfase, op 3 juni 2021, heeft belanghebbende wederom een nieuwe aangifte IB/PVV 2017 ingediend.
Belastbare winst
-
Inkomen uit vroegere arbeid
€ 39.954
Af: aftrek eigen woning
-/- € 5.426
Af: aftrek specifieke zorgkosten
-/- € 1.584
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€ 32.944
10. Daarin is de volgende aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen:
Medicijnen
€ 39
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
€ 4.568
Dieetkosten
€ 1.800
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 600
Totaalbedrag specifieke zorgkosten
€ 7.007
Af: drempelbedrag
€ 1.716
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 5.291
11. Belanghebbende heeft in deze aangifte rekening gehouden met een aftrek wegens specifieke zorgkosten van € 1.584. De aftrek voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit zoals opgenomen in deze aangifte komt overeen met de berekening van belanghebbende in het beroepschrift, te weten het bedrag van € 4.568.

Beoordeling door de rechtbank

Verzoeken om de zitting uit te stellen

12. Belanghebbende heeft bij brieven van 15 januari 2026, 22 januari 2026, 23 januari 2026, 29 januari 2026 en 4 februari 2026 om uitstel voor de zitting verzocht.
13. De rechtbank heeft de verzoeken afgewezen, omdat het belang van een doelmatige voortgang van de procedures zwaarder weegt dan de belangen van belanghebbende bij toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat belanghebbende desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van medische redenen op grond waarvan belanghebbende niet in staat was om de zitting op 27 februari 2026 bij te wonen. Verder is het zo dat de inleidende beroepschriften van twee van de drie procedures dateren van 2021. Belanghebbende heeft reeds diverse malen om uitstel verzocht, welke uitstelverzoeken telkens zijn toegewezen. Indien de rechtbank uitstelverzoeken zou blijven inwilligen, zou geen einde komen aan deze procedures. De redelijke termijn is reeds jarenlang overschreden en daarmee komt de behoorlijke procesorde in het geding. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat hem met de afwijzing van de uitstelverzoeken de kans wordt ontnomen een toelichting te geven dat de inspecteur is uitgegaan van onjuiste (drempel)bedragen voor de aftrek van specifieke zorgkosten. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in de afgelopen jaren ruimschoots in de gelegenheid is geweest om deze toelichting te geven. Bovendien had belanghebbende die toelichting eenvoudig schriftelijk gegeven kunnen worden.
Geschil
14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV over het jaar 2017 tot de juiste hoogte is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
15. Het geschil richt zich op de vraag of de inspecteur de aftrek wegens specifieke zorgkosten, in het bijzonder de aftrek wegens extra vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit, terecht heeft gecorrigeerd. Tevens is in geschil of belanghebbende recht heeft op de verhoging van de uitgaven met 113% op grond van artikel 6.19, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001.
16. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit
17. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de drempel voor de extra aftrek wegens vervoerskosten onjuist is berekend.
18. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, zijn uitgaven voor vervoer, die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan, aftrekbaar. Onder vervoerskosten vallen uitgaven voor bezoek aan medische hulpverleners of voor het ondergaan van een medische behandeling. Verder kan het ook gaan om overige op de belastingplichtige drukkende kosten van vervoer voor zover die kosten meer bedragen dan de vervoerskosten van andere belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn maar overigens in dezelfde financiële en maatschappelijke positie verkeren als de belastingplichtige (ook wel ‘maatman’ genoemd).
19. De totale autokosten van belanghebbende over 2017 bedroegen volgens belanghebbende € 9.320. Hij is van mening dat hijzelf en zijn echtgenote samen een bedrag van € 4.568 aan vervoerskosten in aftrek moeten kunnen brengen.
20. De rechtbank overweegt dat belanghebbende eerder heeft geprocedeerd tegen aanslagen IB/PVV over voorgaande jaren. In die procedures was onder meer de door de inspecteur gehanteerde berekeningssystematiek wat betreft de aftrek wegens extra vervoerskosten in verband met ziekte of invaliditeit in geschil. De beroepsgronden daartegen zijn in alle instanties ongegrond geacht. In onderhavige procedure heeft de inspecteur dezelfde berekeningssystematiek gehanteerd.
21. Voor aftrek van de overige vervoerskosten geldt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat hij hogere vervoerskosten heeft gemaakt dan gezonde en valide mensen in vergelijkbare financiële en maatschappelijke omstandigheden. Belanghebbende onderbouwt de aftrek van € 4.568 met een verwijzing naar de website van het Nibud en de ANWB. De rechtbank stelt voorop dat het voor het vaststellen van de overige vervoerskosten nodig is zowel de werkelijke vervoerskosten van belanghebbende vast te stellen, als de vervoerskosten van met belanghebbende vergelijkbare personen (de maatman). De bewijslast rust in deze op belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat de website van het Nibud een indicatie geeft van de kosten van de maatman. Belanghebbende heeft echter geen informatie verschaft op grond waarvan zijn werkelijke vervoerskosten kunnen worden vastgesteld. Belanghebbende heeft de door hem gestelde hogere kosten voor vervoer naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt.
22. Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de inspecteur bij de vaststelling van zijn netto besteedbaar inkomen geen rekening had mogen houden met voorlopige teruggaven van belastingen. Partijen zijn het eens dat kan worden uitgegaan van Nibud-gegevens voor de vergelijking tussen de kosten van belanghebbende en die van vergelijkbare personen. Volgens het Nibud is het netto inkomen het netto besteedbaar inkomen inclusief toeslagen. Het netto besteedbaar inkomen is het bruto inkomen verminderd met de ingehouden loonheffingen. Het past naar het oordeel van de rechtbank bij de berekening om rekening te houden met belastingteruggaven, die verhogen namelijk het netto besteedbaar inkomen.
Verhoging zorgkosten
23. Belanghebbende is van mening dat hij in aanmerking komt voor de verhoging van de zorgkosten met 113%.
24. In artikel 6.19, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat wanneer een belastingplichtige bepaalde uitgaven heeft gedaan, bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW heeft bereikt, én zijn verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek niet meer bedraagt dan € 34.130 (bedrag 2017), het bedrag van die uitgaven wordt verhoogd met 113%. Op grond van het tweede lid van artikel 6.19 van de Wet IB 2001 wordt het verzamelinkomen van belastingplichtige en zijn partner tezamen genomen, indien belastingplichtige het hele kalenderjaar een partner heeft.
25. Het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van belanghebbende en zijn echtgenote samen over 2017 bedraagt echter € 58.609 (€ 34.528 van belanghebbende en € 24.081 van de echtgenote). Hierdoor komt belanghebbende niet in aanmerking voor de verhoging van de zorgkosten.
Vertrouwensbeginsel
26. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gewekt vertrouwen doordat de aangifte IB/PVV 2020 is gevolgd op het punt van de aangegeven vervoerskosten.
27. De rechtbank oordeelt als volgt. De aangifte IB/PVV 2020 is geautomatiseerd door het systeem afgedaan, zonder een inhoudelijke beoordeling. Er is daarmee door de inspecteur geen standpunt ingenomen of een toezegging gedaan. Dit geldt temeer omdat de aangiften van belanghebbende over eerdere jaren reeds meermaals op het punt van de zorgkosten zijn gecorrigeerd en de inspecteur ter zake van het jaar 2020 geen correspondentie met belanghebbende heeft gevoerd of anderszins uitlatingen heeft gedaan waaruit belanghebbende kon opmaken dat de inspecteur van zijn eerder ingenomen standpunten zou zijn teruggekomen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Immateriële schadevergoeding
28. Belanghebbende heeft bij brief van 16 april 2025 verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
29. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [1] Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid [2] is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding. De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
30. De rechtbank gaat bij de berekening van de overschrijding van de redelijke termijn uit van de datum van ontvangst van het oudste bezwaarschrift in de gezamenlijk behandelde zaken. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende in de zaak met nummer ARN 21/1327 ontvangen op 25 november 2020. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is 41 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn korter of langer vast te stellen. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 41 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat zeven keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 3.500 (zeven keer € 500). Belanghebbende heeft tevens beroep ingesteld voor het jaar 2018. De zaken van belanghebbende zijn samenhangende zaken. De rechtbank zal daarom slechts éénmaal een schadevergoeding toekennen. Ook hebben belanghebbende en zijn echtgenote gezamenlijk geprocedeerd. In alle zaken gaat het om hetzelfde feitencomplex en dezelfde rechtsvragen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de schadevergoeding te matigen en belanghebbende en zijn echtgenote een schadevergoeding van ieder de helft van € 3.500 is € 1.750 toe te kennen. Bij belanghebbende wordt in deze zaak daarvan de helft, dus € 875 toegekend en in de zaak met nummer 24/6120 de andere helft. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur in de zaak met nummer ARN 21/1327 dateert van 20 februari 2021. De periode gelegen tussen 25 november 2020 en 20 februari 2021 is korter dan zes maanden. Dit betekent dat de Staat deze vergoeding moet betalen, dus € 875. De rechtbank zal de Staat veroordelen om dit bedrag aan belanghebbende te betalen.
Belastingrente
31. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

32. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt een vergoeding voor immateriële schade. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. [3] Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
3.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 7.1.1.