ECLI:NL:RBGEL:2026:3378

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
AWB 24/9227
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.16 Wet IB 2001Art. 6.18 Wet IB 2001Art. 6.36 Wet IB 2001Art. 3.96 Wet IB 2001Art. 2, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2018 wegens specifieke zorgkosten en vrijwilligerswerk

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beschikking van de inspecteur inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018. De inspecteur had het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen, waarbij een beperkte aftrek wegens specifieke zorgkosten werd toegestaan en geen aftrek voor een negatief resultaat uit overige werkzaamheden (vrijwilligerswerk).

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek voor vrijwilligerswerk omdat er geen sprake is van een bron van inkomen; de werkzaamheden leverden geen voordeel op en de reiskostenvergoeding viel binnen de vrijstelling. Ook is geen aftrek als gift mogelijk omdat geen vergoeding was afgesproken. Wel wordt een aftrek wegens specifieke zorgkosten van €497 vastgesteld, inclusief dieetkosten, vervoerskosten en extra uitgaven voor kleding en beddengoed.

De rechtbank wijst het beroep toe en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €44.408. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en er is geen griffierecht geheven. De uitspraak is gedaan door rechter B.J. Zippelius op 29 april 2026.

Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2018 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €44.408.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9227

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het (rechtstreeks) beroep van belanghebbende tegen de beschikking van de inspecteur van 30 oktober 2025. Met die beschikking heeft de inspecteur beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.905.
Het daartegen ingestelde bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om ambtshalve vermindering is afgewezen.
Belanghebbende heeft daartegen op 12 augustus 2023 beroep ingesteld.
Dat beroep (met zaaknummer 23/5400) is behandeld op een regiezitting van 6 december 2024. Daar is gebleken dat het beroep te laat was ingesteld. Het beroep is daarmee niet-ontvankelijk. Belanghebbende heeft het beroep met het zaaknummer 23/5400 ter zitting van 6 december 2024 ingetrokken. Partijen hebben toen vastgesteld dat het beroep van belanghebbende dient te worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 op grond van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De inspecteur heeft op dit verzoek beslist bij beschikking van 30 oktober 2025.
Belanghebbende heeft op 10 november 2025 gereageerd op de beschikking. Deze reactie is, met instemming van partijen, aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].
De zaak is gelijktijdig en gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met de nummers 24/8548, 24/9226 en 24/9229.

Feiten

1. Belanghebbende is woonachtig in [plaats], [locatie]. In onderhavig belastingjaar woonde de vader van belanghebbende, [naam vader], vanaf 1 januari tot 9 november op hetzelfde adres als dat van belanghebbende.
2. Belanghebbende heeft op 2 oktober 2019 de eerste aangifte IB/PVV 2018 gedaan. Daarin is het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt samengesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 41.316
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 3.589
Belastbaar inkomen box 1
€ 44.905
3. De aanslag IB/PVV 2018 is conform de ingediende aangifte opgelegd.
4. Belanghebbende heeft op 21 oktober 2022 een herziene aangifte IB/PVV 2018 ingediend.
5. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is in de herziene aangifte als volgt samengesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 41.316
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 3.589
Resultaat uit overige werkzaamheden
-/- € 3.068
Belastbaar inkomen box 1
€ 41.837
6. Het onderdeel “resultaat uit overige werkzaamheden” ten bedrage van per saldo negatief € 3.068 in de herziene aangifte is als volgt opgebouwd:
Inkomsten:
- vrijwilliger
€ 0
Aftrekbare kosten:
- abonnement en internet
€ 1.188
- reiskosten
€ 1.230
- administratieve zaken en zaken m.b.t. UWV en ziekenhuis na hersenoperatie
€ 650
7. Belanghebbende heeft een vrijwilligersovereenkomst met Radboud Universitair Medisch Centrum (Radboud UMC) gesloten. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met als ingangsdatum 27 november 2017. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“6. De vrijwilliger kan geen aanspraak maken op enigerlei vergoeding van het Radboudumc voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van een reiskostenvergoeding voor het heen en weer reizen tussen het huisadres en het Radboudumc. De reiskostenvergoeding wordt berekend op basis van het gebruik openbaar vervoer tegen het laagste tarief met een maximum van € 10 per dag.”
8. In de aangifte en in de herziene aangifte van 21 oktober 2022 heeft belanghebbende geen aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten opgenomen.
9. Belanghebbende heeft op 3 mei 2023 wederom een herziene aangifte IB/PVV 2018 ingediend.
10. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is in deze herziene aangifte als volgt samengesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 41.316
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 3.589
Resultaat uit overige werkzaamheden
-/- € 3.040
Belastbaar inkomen box 1
€ 41.865
11. Belanghebbende volgt vanaf het jaar 2018 een dieet voor voedselovergevoeligheid (nummer 42 op de dieetbevestiging van 2019) en een dieet voor epilepsie (nummer 48 op de dieetbevestiging 2019).
12. De inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018.
13. De inspecteur heeft het bezwaar met dagtekening 30 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
14. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld, welk beroepschrift bij de rechtbank is binnengekomen op 12 augustus 2023.
15. Ter zitting van 6 december 2024 hebben partijen vastgesteld dat het beroep van belanghebbende moet worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 in de zin van artikel 9.6 van de Wet IB 2001.
16. In de beschikking op het verzoek om ambtshalve vermindering heeft de inspecteur geen aftrek wegens negatief resultaat uit overige werkzaamheden toegestaan en heeft aan uitgaven wegens specifieke zorgkosten een bedrag van in totaal € 500 aan dieetkosten en een bedrag van € 613 aan vervoerskosten meegenomen, onder aftrek van het drempelbedrag van € 916. Per saldo is een bedrag van € 197 aftrekbaar als aftrek wegens specifieke zorgkosten. Het verzamelinkomen is als volgt vastgesteld:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 41.316
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 3.589
Persoonsgebonden aftrek:
- uitgaven voor specifieke zorgkosten
-/- € 197
Belastbaar inkomen box 1
€ 44.708
17. Op 5 november 2025 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de beschikking op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018, welk bezwaarschrift conform hetgeen tijdens de zitting van 6 december 2024 is aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

18. De rechtbank beoordeelt de verminderingsbeschikking IB/PVV 2018 aan de hand van de beroepsgronden. Het geschil ziet op:
- de vraag of loon-/inkomensgegevens door de inspecteur juist in de aanslag zijn verwerkt en terecht niet zijn verminderd in de verminderingsbeschikking;
- de vraag of de inspecteur in de beschikking terecht geen aftrek vanwege een negatief resultaat uit overige werkzaamheden heeft toegestaan;
- de vraag of de inspecteur een hogere aftrek had moeten toestaan in de beschikking wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten.
19. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Looninkomsten
20. Belanghebbende is van mening dat zij minder looninkomsten heeft ontvangen dan dat er door de inhoudingsplichtige is doorgegeven.
21. Voor zover belanghebbende stelt dat de loonopgave onjuist is, ligt het op haar weg daarvan bewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende daar niet in geslaagd. Deze kwestie is reeds tot in hoogste instantie uitgeprocedeerd, waarbij belanghebbende in het ongelijk is gesteld. [1]
22. Belanghebbende heeft op dit punt bovendien geen nieuwe informatie of nieuwe onderbouwende stukken aangeleverd. Op geen enkele wijze is dus aannemelijk geworden dat de gegevens waarop de inspecteur de aanslag heeft gebaseerd onjuist zijn. De inspecteur is dus terecht uitgegaan van de gegevens op de loonopgave, zowel wat het inkomen als wat het bedrag aan loonheffingen betreft.
Resultaat uit overige werkzaamheden / gift
23. Belanghebbende heeft in de herziene aangifte een negatief bedrag als resultaat uit overige werkzaamheden van € 3.068 in aftrek gebracht. Dit houdt verband met vrijwilligerswerk bij Radboud UMC. Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op aftrek van reiskosten en overige kosten die zij ten behoeve van dit vrijwilligerswerk heeft gemaakt.
24. In de vrijwilligersovereenkomst met Radboud UMC is opgenomen dat belanghebbende geen aanspraak kan maken op enigerlei vergoeding van het Radboud UMC voor de uitgevoerde werkzaamheden, met uitzondering van de reiskosten. Dit wordt ondersteund door de specificatie van het resultaat uit overige werkzaamheden in de herziene aangifte, waarin eveneens geen inkomsten zijn vermeld ter zake van het door belanghebbende verrichte vrijwilligerswerk.
25. Wil sprake zijn van ‘resultaat uit overige werkzaamheden’, moet allereerst sprake zijn van een ‘bron van inkomen’. Daarvoor is onder meer vereist dat uit de werkzaamheden redelijkerwijs voordeel is te verwachten. Omdat belanghebbende geen inkomsten uit de werkzaamheden heeft, is een voordeel daaruit niet te verwachten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bron van inkomen. Er is namelijk per saldo redelijkerwijs geen voordeel uit deze werkzaamheden te verwachten. De inkomsten zijn niet belast bij het ontbreken van een bron van inkomen, hetgeen betekent dat de daarmee samenhangende kosten ook niet aftrekbaar zijn.
26. Bovendien geldt op grond van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 onder voorwaarden een vrijstelling voor vergoedingen voor vrijwilligerswerk. De inspecteur heeft de ontvangen reiskostenvergoedingen terecht evenmin tot het resultaat gerekend op grond van deze bepaling, omdat deze niet hoger waren dan de bedragen uit artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.
27. De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende vervolgens zo dat zij subsidiair betoogt dat zij recht heeft op aftrek als gift, omdat zij heeft afgezien van een vrijwilligersvergoeding.
28. Artikel 6.36 van de Wet IB 2001 regelt dat, voor zover wordt afgezien van vergoedingen waar recht op bestaat, deze vergoedingen onder voorwaarden worden aangemerkt als gift. Giften zijn enkel aftrekbaar als deze zijn gedaan aan een algemeen nut beogende instelling (anbi). Een andere voorwaarde is dat belanghebbende als vrijwilliger aanspraak moet kunnen maken op een vergoeding. En vervolgens moet belanghebbende van die vergoeding hebben afgezien. Op welke vergoeding belanghebbende aanspraak kon maken is niet duidelijk geworden. Uit de vrijwilligersovereenkomst blijkt niet dat belanghebbende een vrijwilligersvergoeding heeft afgesproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen grond bestaat voor aftrek van een gift.
Uitgaven wegens specifieke zorgkosten
Kosten van medicijnen
29. Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij in 2018 € 678 aan medicijnen heeft uitgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op aftrek vanwege kosten van medicijnen. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk is of en zo ja welk deel van de kosten door een arts is voorgeschreven en of deze kosten op belanghebbende hebben gedrukt. Zo heeft belanghebbende geen vergoedingenoverzicht van de zorgverzekeraar overgelegd. Dit overzicht is nodig voor de beoordeling van de vraag of de kosten op belanghebbende hebben gedrukt.
Dieetkosten
30. Belanghebbende heeft een dieetverklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij vanaf 2018 twee diëten volgt. De inspecteur heeft daarom in de beslissing over het verzoek om ambtshalve vermindering alsnog een aftrek wegens dieetkosten van € 500 toegestaan. Dit bedrag is niet in geschil.
Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte en invaliditeit
31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende vervolgens tegenover de betwisting door de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat zij recht heeft op een hogere aftrek van vervoerskosten dan het reeds door de inspecteur toegekende bedrag van € 613.
32. Belanghebbende reisde met het openbaar vervoer. Als betalingsbewijs heeft belanghebbende bankafschriften van de opwaarderingen van haar OV-chipkaart overgelegd. Daaruit is niet te achterhalen welke opwaardering is gebruikt voor vervoer van en naar locaties waar een genees- en heelkundige behandeling plaatsvindt. De inspecteur heeft in het verweerschrift uit de overgelegde afspraakinformatie een aftrek wegens vervoerskosten van € 501 becijferd. Omdat de inspecteur bij de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering een aftrek van € 613 had berekend, komt hij daar niet op terug. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aftrek op een hoger bedrag vast te stellen.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
33. De inspecteur heeft in het verweerschrift alsnog een aftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed van € 300 toegestaan omdat dit ook voor de jaren 2019 en 2020 door de inspecteur is toegestaan. Het beroep is hierdoor gegrond.
34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek.
Genees- en heelkundige hulp
35. Belanghebbende heeft gesteld dat zij kosten heeft gemaakt voor genees- en heelkundige hulp. Belanghebbende heeft betalingsbewijzen overgelegd van betalingen aan Bio Naturalife. Het gaat om een totaalbedrag van € 70. Belanghebbende heeft gesteld dat zij hier een detoxbehandeling kreeg waarover contact met de huisarts is geweest.
36. Bij de aftrek wegens uitgaven voor genees- en heelkundige hulp gaat het – kort gezegd – om kosten voor tandarts of specialist, verpleging in een ziekenhuis of andere verpleeginstelling, paramedische behandelingen op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus of een behandeling door een paramedicus waarvoor geen verwijzing door een arts nodig is.
37. De door belanghebbende overgelegde stukken leiden niet tot een hogere aftrek, omdat niet duidelijk is of de uitgaven zijn gedaan in verband met ziekte of invaliditeit. Dergelijke uitgaven worden namelijk niet alleen gedaan door personen die ziek of invalide zijn. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van behandelingen op voorschrift van een arts en ook niet of belanghebbende daarvoor een vergoeding heeft ontvangen van de zorgverzekeraar. Belanghebbende heeft nog informatie verstrekt waaruit blijkt dat zij wordt begeleid door de Wijk Teams [plaats] op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015. Eventuele daaruit voortvloeiende kosten zijn niet aftrekbaar op grond van artikel 6.18, eerste lid, van de Wet IB 2001.
38. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij uitgaven heeft gedaan wegens specifieke zorgkosten ten behoeve van haar vader, die tot 9 november 2018 bij haar woonde. Op grond van artikel 6.16 van de Wet IB 2001 behoren inwonende zorgafhankelijke ouders tot de kring van personen van belanghebbende. Belanghebbende heeft echter geen concrete bewijsstukken overgelegd waaruit aannemelijk wordt dat de betreffende uitgaven zijn gedaan en dat die uitgaven op belanghebbende hebben gedrukt. De aanschafkosten van een bed, kasten, een koelkast en een steelstofzuiger zijn niet aan te merken als uitgaven voor specifieke zorgkosten.
39. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht geen hogere aftrek wegens kosten voor genees- en heelkundige hulp toegestaan.
40. De drempel voor de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten dient voor 2018 - gelet op het in de aanslag IB/PVV 2018 opgenomen inkomen uit werk en woning van € 44.905 (waarbij geen aftrek wegens buitengewone uitgaven is toegepast) - te worden vastgesteld op € 916 (1,65% van € 40.619 + 5,75% van € 4.286). De inspecteur heeft het drempelbedrag juist berekend.
41. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten als volgt dient te worden vastgesteld:
Dieetkosten
€ 500
Uitgaven voor vervoer i.v.m. ziekte en invaliditeit
€ 613
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 300
Uitgaven specifieke zorgkosten voor verhoging
€ 1.413
Af: drempel
-/- € 916
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 497
42. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient voor 2018 daarom te worden vastgesteld op € 44.408, berekend als volgt:
Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking
€ 41.316
Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
€ 3.589
Persoonsgebonden aftrek:
- uitgaven voor specifieke zorgkosten
-/- € 497
Belastbaar inkomen box 1
€ 44.408

Conclusie en gevolgen

43. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd.
44. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
45. In deze zaak is geen griffierecht geheven. De inspecteur hoeft dan ook geen griffierecht te vergoeden aan belanghebbende.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.408;
- wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 29 april 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Gelderland 22 november 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:5377, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9908, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3357 en Hoge Raad 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1261.