Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3416

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
511668023
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontnemingsvordering wegens saneringskosten bij productie synthetische drugs

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, geschat op €600 aan huurinkomsten uit het ter beschikking stellen van containers voor de productie van synthetische drugs.

De vordering werd behandeld tijdens openbare zittingen in maart en april 2026, waarbij de verdediging primair niet-ontvankelijkheid bepleitte en subsidiair een beperking van het voordeel tot één maand huur en een betalingsverplichting van nul wegens saneringskosten.

De rechtbank stelde vast dat veroordeelde medeplichtig was aan voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA en dat hij via zijn familiebedrijf €50.000 aan saneringskosten had moeten maken vanwege ernstige bodemverontreiniging.

Gezien het feit dat het ontvangen voordeel uit de verhuur van de containers lager is dan de saneringskosten, achtte de rechtbank niet aannemelijk dat veroordeelde daadwerkelijk financieel voordeel had genoten en wees de ontnemingsvordering af.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en uitgesproken op 28 april 2026 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland.

Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af omdat het ontvangen voordeel lager is dan de gemaakte saneringskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Tegenspraak
Parketnummer : 05.116680.23 (ontneming)
Datum uitspraak : 28 april 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde](hierna: veroordeelde),
geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. J. van Wijk, advocaat in Eindhoven.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie oorspronkelijk is geschat op € 1.200,-. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van
€ 200,- aan huuropbrengsten per maand over een periode van zes maanden.

2.De procedure

De vordering is behandeld op openbare terechtzittingen van (onder meer) 16 maart 2026 en
14 april 2026 gelijktijdig met de onderliggende strafzaak. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, is op de terechtzitting van 16 maart 2026 verschenen en op de vordering gehoord.
Op de zitting van 16 maart 2026 heeft de officier van justitie de vordering aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gesteld op € 600,- bestaande uit ontvangen huur over drie maanden.
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het geschatte voordeel te beperken tot de ontvangst van één maand huur en de betalingsverplichting, gezien de gemaakte saneringskosten, vast te stellen op nul.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het tegen veroordeelde gewezen vonnis van vandaag waarbij hij is veroordeeld voor medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereidings-handelingen voor de productie van synthetische drugs, begaan in de periode van 8 februari 2021 tot en met 11 mei 2021. Veroordeelde heeft de mededaders gefaciliteerd bij voorbereidings-handelingen voor de productie van MDMA door hiervoor twee containers aan hen ter beschikking te stellen.
Vaststaat dat veroordeelde via zijn familiebedrijf € 50.000,- aan kosten heeft moeten maken om zijn grond die als gevolg van de drugsproductie in de containers ernstig verontreinigd is geraakt, te saneren. Ongeacht of de verklaring van veroordeelde klopt dat hij voor de verhuur van de containers € 200,- per maand kreeg, gaat de rechtbank er vanuit dat het bedrag dat hij heeft ontvangen uit het ter beschikking stellen van de containers, minder is dan de gemaakte saneringskosten van € 50.000,-. Nu niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk financieel voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde, zal de rechtbank de vordering afwijzen.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker, voorzitter, mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. W.H.S. Duinkerke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2026.
Mrs. Van Breevoort-de Bruin en Duinkerke zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.